Virtuele obductie, waarom niet?
Open

Commentaar
19-04-2012
J.L.G. (Hans) Blaauwgeers en Rick R. van Rijn

Reacties (4)

J.H.J. Ruijs
21-05-2012 11:07

Virtuele obductie

In 1991 verscheen in dit tijdschrift een artikel, getiteld: “Vivos mortui docebunt? Een overpeinzing 95 jaar na de ontdekking van de röntgenstraling”. (1)
 
Daarin wordt gepleit voor meer integratie van het onderwijs van de radiologie met de klassieke anatomie. Het wordt afgesloten met de suggestie te overwegen ook obducties door middel van MRI en/of CT uit te voeren. Dit naar aanleiding van een bescheiden onderzoek bij 8 patiënten door Ros et al (2).
 
Dat kwam mij enkele weken later op een fikse reprimande te staan van de (toenmalige) hoogleraar Anatomie aan de Universiteit Utrecht (B. Hillen, ingezonden).
 
Het idee was destijds blijkbaar nog niet rijp voor toepassing, maar het is verheugend dat het nu, ruim 20 jaar na dato, bespreekbaar lijkt te gaan worden.
 
Er zijn inderdaad nog wel wat moeilijkheden, van vak-inhoudelijke, ethische, emotionele en ook van financiële aard, die moeten worden overwonnen. Dat is grotendeels ook opgemerkt door de auteurs (3) maar er is in ieder geval een begin gemaakt.
 
J.H.J. Ruijs
Em. Hoogleraar radiologie
 
Literatuur:
1.      Ruijs JHJ. Vivos mortui docebunt? Een overpeinzing 95 jaar na de ontdekking van de röntgenstraling. NTvG 1991; 135: 355-358.
2.      Ros PR, Li KC, Vo P, Baer H, Staab VE. Preautopsy magnetic resonance imaging: initial experience. Magn Reson Imaging 1990;8: 303-308.
3.      Blaauwgors JLG, Rijn van RR. Virtuele obductie, waarom niet? NTvG. 2012; 156:A4786.
Wolter Oosterhuis
22-05-2012 17:32

"Virtuele obductie, waarom niet?"

We zijn met Blaauwgeers en Van Rijn (1) eens dat met het afnemende percentage obducties een belangrijke kwaliteitstoets verloren gaat. Er is bij artsen en nabestaanden steeds meer weerstand tegen deze mutilerende procedure.
Een minder invasief alternatief kan mogelijk het tij keren, daarom hebben we prospectief een minimaal invasieve autopsie (MIA) vergeleken met de conventionele autopsie (CA) (2). De MIA bestond uit CT en MRI van kruin tot en met bekken en naaldbiopten uit hart, longen, lever, milt, pancreas en nieren, en soms uit pathologische haarden. Aansluitend werd de CA gedaan. Na 30 gevallen werden de resultaten van de MIA en CA vergeleken. De uitkomst van de CA werd gehanteerd als de gouden standaard.
In 23 gevallen (77%) gaven MIA en CA dezelfde doodsoorzaak. Bij MIA werd bij vier patiënten een myocardinfarct gemist, en bij drie patiënten was er partiële overeenstemming m.b.t. de doodsoorzaak. Met de MIA werd vrijwel alle pathologie gevonden die kon worden aangetoond met de CA: sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 93% (95% CI: 90%, 96%) en 99% (95% CI: 98%, 99%). Dit was te danken aan de complementariteit van CT, MRI en biopten.
Voor zover we weten omvat onze studie de grootste serie waarbij postmortale CT, MRI en biopten werden gecombineerd in een prospectieve studie. Op grond van de positieve resultaten is een vervolgstudie gestart waarin 100 overledenen worden geïncludeerd voor validatie van een technisch verbeterde MIA met uitgebreidere mogelijkheden voor onderzoek naar cardiale doodsoorzaken. In een aanvullende serie van 50 MIAs zal worden onderzocht of de MIA inderdaad meer acceptabel is voor artsen en nabestaanden dan de CA.
De etnische achtergrond van de nabestaanden wordt in deze evaluatie betrokken, omdat in het Erasmus MC is het percentage autopsieën onder allochtonen maar 10% is van dat onder de autochtone bevolking.
De MIA zou de verplichte obductie om de doodsoorzaak te achterhalen bij onverklaard overlijden van minderjarigen, veel draaglijker maken voor de nabestaanden
In ons eerste onderzoek bleek de MIA goedkoper dan de CA (2), maar wel aanzienlijk duurder het gebruikelijke tarief van 475 Euro (1). In het huidige onderzoek zullen de kosten van CA en MIA nauwkeuriger in beeld worden gebracht. Dit kan bijdragen aan de vaststelling van een realistisch tarief voor postmortaal onderzoek. Een kwaliteitsinstrument heeft zijn prijs.
  1. Blaauwgeers JLG, Rijn RR van. Virtuele obductie, waarom niet? Ned Tijdschr Geneesk 2012; 156: 764 - 765.
  2. Weustink AC, Hunink MG, van Dijke CF, Renken NS, Krestin GP, Oosterhuis JW. Minimally invasive autopsy: an alternative to conventional autopsy? Radiology. 2009; 250: 897 - 904.
 
Prof.dr. Wolter Oosterhuis, patholoog, Drs. Britt Blokker, AIOS pathologie, afdeling Pathologie; Prof.dr. Gabriel Krestin, Dr. Annick Weustink, radiologen, afdeling Radiologie; Prof.dr. Myriam Hunink, medisch besliskundige, afdelingen Epidemiologie en Radiologie; Erasmus MC, Rotterdam
Hans Blaauwgeers
23-05-2012 20:59

Virtuele obductie 1 (antwoord auteurs)

De collegae Oosterhuis et al. brengen terecht hun boeiende onderzoek onder de aandacht. Een onderzoek dat natuurlijk in ons artikel gerefereerd had moeten worden, omdat het in feite het enige, en ook nog Nederlandse, onderzoek is dat prospectief niet alleen de resultaten van  een virtuele obductie door middel van een CT/MRI met de conventionele autopsie (CA) vergelijkt, maar daar ook de  histologie aan toegevoegd heeft d.m.v. naaldbiopten.
De resultaten ervan ondersteunen ons betoog dat nadere exploratie van de mogelijkheden van de minimaal invasieve autopsie (MIA) zeer zinvol is als alternatief voor die gevallen dat er geen toestemming is voor een CA. Of als alternatief voor gevallen dat dit onderzoek mogelijk voor nabestaanden emotioneel minder belastend is, zoals door de collega's in gevallen van overlijden van minderjarigen.
Terecht geven de collega's, net als wij in ons artikel, aan dat er dan wel een redelijk tarief voor dit onderzoek moet komen; iets dat nu niet het geval is.
 
Hans Blaauwgeers
Hans Blaauwgeers
23-05-2012 20:45

Virtuele obductie 2 (antwoord auteurs)

Geachte collega Ruijs,
hartelijk dank voor uw positieve reactie op ons artikel. De tijd lijkt nu inderdaad meer rijp, maar zoals aangegeven zullen er nog wel enkele (praktische) zaken geregeld moeten worden, voordat dit onderzoek echt ingang gaat vinden. Positief in deze is wel dat ik inmiddels uit een andere reactie begrepen heb dat er bijvoorbeeld in Nijmegen op de pathologie radiologie apparatuur geplaatst gaat worden voor dit doel.
 
Hans Blaauwgeers