Vijftig jaar plastische chirurgie in Nederland. V. Geschiedenis
Open

Geschiedenis
26-05-2000
B. Haeseker

Door de eeuwen heen werden incidenteel plastische operaties door chirurgen uitgevoerd in het kader van de algemene heelkunde. Oorlogsomstandigheden en een multidisciplinaire benadering bleken een stimulerende werking te hebben op de ontwikkeling van de plastische chirurgie zowel ten tijde van de Eerste als Tweede Wereldoorlog. De ervaringen in de Eerste Wereldoorlog op het gebied van reconstructies bij maxillofaciale verminkingen vormden de directe aanleiding tot specialisatie van enkele volhardende chirurgen in Europa, waarbij onder anderen de Nederlander J.F.S.Esser een vooraanstaande rol heeft gespeeld. Door de systematische bestudering en toepassing van het gebruik van huidlappen met een anatomisch vastgelegd vascularisatiepatroon ter sluiting van defecten bleek hij zijn tijd ver vooruit te zijn.

De Tweede Wereldoorlog was de directe aanleiding tot de oprichting van het nieuwe specialisme plastische chirurgie in Nederland in 1950 door het driemanschap Koch, Raadsveld en Honig. Aanvankelijk was de plastische chirurgie nog geheel op Engelse leest geschoeid, maar nu, 50 jaar later, wordt intensief samengewerkt om de opleiding tot plastisch chirurg in Europees verband te harmoniseren en de kwaliteit te garanderen.

Zie ook de artikelen op bl. 961, 965, 966, en 973.

Slechts weinigen realiseren zich nu nog dat plastische chirurgie oorspronkelijk een vorm van oorlogschirurgie was. Wat langer geleden was dit beter bekend: in de befaamde Dictionnaire de médecine, chirurgie, pharmacie, des sciences accessoires et de l'art vétérinaire van E.Littré en C.Robin van 1865 worden onder het lemma ‘chirurgie’ oorlogschirurgie en plastische chirurgie in één adem genoemd (‘chirurgie militaire ou d’armée, chirurgie navale et chirurgie plastique'). Volgens deze bron werden er destijds in Frankrijk 3 soorten heelkunde onderscheiden: de chirurgie van de landmacht, van de vloot en de plastische chirurgie. De definitie van plastische chirurgie luidde: ‘chirurgie qui traite de la restauration des parties’ chirurgie die het herstel van lichaamsdelen beoogt.1

de eerste wereldoorlog, het tijdperk-esser

Hoewel er door de tijden heen incidenteel reconstructieve operaties plaats hebben gevonden, werd de basis voor het specialisme plastische en reconstructieve chirurgie pas echt in de Eerste Wereldoorlog gelegd. Dit was te danken aan de inspanningen van enkele inventieve Europese chirurgen, onder wie de Nederlander J.F.S.Esser (1877-1946) een prominente plaats innam. Dit lijkt merkwaardig daar ons land ten tijde van dit grote internationale conflict een strikt neutrale positie innam en zich buiten de oorlogshandelingen hield.

Esser was huisarts in Amsterdam toen hij in 1912 de beslissing nam zich te gaan wijden aan de plastische chirurgie, destijds nog geen zelfstandig specialisme. Als mentor tandheelkunde voor de studie van zijn zus in Utrecht raakte hij ook geboeid door de technische aspecten van dit vak, hetgeen van invloed was op zijn nieuwe beroepskeuze. Zijn basale chirurgische vaardigheden sprokkelde hij in Utrecht, Rotterdam en Parijs bij elkaar en in de Franse hoofdstad toonde hij op grond van zijn gecombineerde kennis van de genees- en de tandheelkunde vooral interesse voor de reconstructieve maxillofaciale chirurgie en de klinische anatomie van het gelaat.

Op eigen initiatief en met een sterk gevoel van betrokkenheid bij het leed van de vele verminkte oorlogsslachtoffers trad Esser in 1915 als reconstructief chirurg met een groep Nederlandse verpleegkundigen in dienst van de Oostenrijks-Hongaarse regering, nadat een eerder aanbod voor medische hulpverlening aan de geallieerden was afgeslagen. Het Nederlandse team werd aanvankelijk tewerkgesteld in Brünn (huidig Brno) in een groot legerhospitaal met 3600 bedden. Later verplaatste het werkterrein zich via Wenen en Boedapest naar Berlijn (figuur 1 en 2).

Esser bleek een origineel denker met een visie te zijn, die onder hectische oorlogsomstandigheden zijn filosofie ontwikkelde over het belang van de intacte bloedvatvoorziening voor gesteelde huidlaptransposities. Door de enorme aantallen gewonden konden zijn theorieën ook in de praktijk worden getoetst. Kenmerkend voor zijn interesse in genees- en tandheelkunde was zijn publicatie ‘Neue Wegen für chirurgische Plastiken durch Heranziehung der zahnärztlichen Technik’ in 1916.2 De verkregen resultaten werden nauwkeurig geregistreerd en met veel beeldmateriaal in het Duits en in het Engels gepubliceerd.3

Naast zogenaamde ‘arterie- of biologische lappen’ introduceerde Esser diverse andere operatiemethoden ter reconstructie van gelaatsdefecten, waaronder rotatielappen van de wang, eilandlappen en ‘inlay’-huidtransplantaten, die jarenlang de naam Esser-inlay zouden dragen. De door hem geïntroduceerde uitdrukking ‘eilandlap’ vond terstond internationale toepassing. Hoewel hij hiermee wereldwijd respect afdwong, was de belangstelling in Nederland aanvankelijk maar matig. Door de loopgravenoorlog met zijn vele desastreuze verwondingen van het gezicht (‘gueules cassées’) werd het hoofd-halsgebied het belangrijkste, maar niet het exclusieve werkterrein van deze eerste generatie plastisch chirurgen (figuur 3, 4 en 5).

In 1934 nam Esser zitting in de redactie van het eerste Europese tijdschrift voor plastische chirurgie, Revue de Chirurgie Plastique, onder redactie van de Belg Coelst, waarin hij zijn werkwijze kon publiceren.4 Hij had in de redactie van het tijdschrift zo'n invloedrijke positie dat op zijn verzoek zelfs de naam werd gewijzigd in Revue de Chirurgie Structive. Zijn woonplaats was inmiddels Frankrijk geworden, met een voorkeur voor Monaco, en slechts incidenteel opereerde hij op uitnodiging in Nederland. In 1936 werd hij benoemd tot erevoorzitter van het eerste Europese congres voor structieve chirurgie in Brussel, dat door vrijwel alle Europese en Amerikaanse pioniers van de plastische chirurgie werd bezocht. Volgens schema zouden deze waardevolle plastisch chirurgische congressen in de verschillende Europese hoofdsteden jaarlijks plaatsvinden, te beginnen met Londen in 1937.

Door het dreigende nieuwe oorlogsgeweld werd dit schema ruw onderbroken en Esser week uit naar Amerika; hij zou daar voor de plastische chirurgie geen rol van betekenis meer spelen. Zijn stroom van publicaties over de plastische chirurgie, waaronder ook een leerboek in de Nederlandse taal, werd wel gecontinueerd en bestreek een periode van 30 jaar (1916-1946).56 Hoewel op zijn grafsteen in Chicago nog ‘a structive surgeon’ staat (figuur 6), werd deze term later verlaten om plaats te maken voor plastische en reconstructieve chirurgie.

de tweede wereldoorlog

Was het aandachtsgebied van de plastische chirurgie in de Eerste Wereldoorlog de behandeling van de gecompliceerde maxillofaciale verwonding, de Tweede Wereldoorlog daarentegen stond in het teken van de brandwondenbehandeling en shockbestrijding. Deze behandelingen hadden tot doel de zwaargewonde militairen weer een menswaardig uiterlijk te geven, waardoor met behulp van een revalidatieprogramma de terugkeer in de maatschappij of de krijgsmacht mogelijk kon worden. Bardelli introduceerde hiervoor in 1935 zeer toepasselijk de naam ‘sociale chirurgie’.7 In de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de anesthesie zich tegelijkertijd om de gecompliceerde reconstructies vooral aan het gelaat ook mogelijk te maken. Door de Duitse bezetting ging de moderne reconstructieve oorlogschirurgie en de daaraan gekoppelde anesthesie geheel aan Nederland voorbij.

Koch.

Door de ‘Engelandvaarder’ Carel Frederik Koch werd deze moderne ontwikkeling wel waargenomen en kon de kennis na afloop van de oorlog in Nederland alsnog worden geïntroduceerd. Koch was chirurg en vrouwenarts te Middelburg en wist bij het uitbreken van de oorlog in 1940 op het laatste moment met een heel regiment soldaten, via Brest, Plymouth in Engeland te bereiken. Een toevallige kennismaking in Londen met de plastisch chirurg Archibald McIndoe leidde tot zijn definitieve omscholing tot plastisch chirurg in 1943.89

Koch was zeer onder de indruk geraakt van de resultaten van de reconstructieve werkzaamheden die McIndoe in het Queen Victoria Hospital te East Grinstead bij de vele Spitfire-piloten behaalde (figuur 7). De piloten die brandend hun kostbare toestellen in Engeland weer aan de grond hadden weten te zetten, werden (evenals hun vliegtuigen) weer gereconstrueerd om de strijd voort te kunnen zetten. Een bijzonder aspect bij de behandeling van de piloten door McIndoe was de resocialisatie en de revalidatie van de verminkte oorlogsslachtoffers die, in verschillende stadia van reconstructie verkerend, aangemoedigd werden om onbeschroomd aan het openbare leven deel te nemen en zich openlijk in winkels en pubs te vertonen.10 Omdat de meeste operatietechnieken pas in de praktijk konden worden ontwikkeld, werd het experimentele karakter daarvan met typisch Engels gevoel voor humor door de patiënten zelf benadrukt die zich trots verenigden in hun ‘Guinea pig club’ ((figuur 8).10 McIndoes ‘proefkonijnen’ werden in de Engelse gemeenschap volledig geaccepteerd en niemand keek vreemd van hen op.

Terug op vaderlandse bodem leverde het Nederlandse erelid van de ‘Guinea pig club’ Koch na de oorlog een indrukwekkende prestatie door de gevestigde chirurgen te overtuigen van de noodzaak van het nieuwe specialisme in Nederland, waarbij hij zich gesteund wist door Raadsveld en Honig. Hij maakte aan het Ministerie van Oorlog duidelijk dat Nederland een ernstige achterstand had opgelopen op plastisch-chirurgisch en anesthesiologisch terrein. Met ministeriële goedkeuring kon Koch in de rang van luitenant-kolonel eind november 1945 als leider van de ‘Plastisch chirurgische groep’ (PCG) van de landmacht naar Engeland afreizen. De PCG was ingedeeld bij de Inspectie van de geneeskundige dienst van de Koninklijke Landmacht en was samengesteld uit de chirurgen Koch en Raadsveld, een anesthesist, twee tandartsen, een tandtechnicus en enkele operatieverpleegkundigen, die allen speciale vaardigheid moesten opdoen in de moderne militaire plastische chirurgie.

Op 26 maart 1947 aanvaardde Koch zijn werkzaamheden met een plastisch-chirurgisch team in het militaire hospitaal in Arnhem, waar hij de beschikking kreeg over tien bedden, zowel voor militaire patiënten als voor burgerpatiënten en tegelijkertijd zette hij daarnaast een bescheiden praktijk in Amsterdam op. Het militaire plastisch-chirurgische team in Arnhem bleek geen lang leven beschoren te zijn en werd al snel weer door de nieuwe minister van Defensie opgeheven, waarna Koch zich voltijds als plastisch chirurg in Amsterdam kon ontplooien. Hij had een eigen operatiezuster die ook in Engeland was opgeleid en moest zelf zijn instrumentarium aanschaffen. Op de fiets, met de zuster en het instrumentarium achterop, verplaatste hij zich in de beginjaren langs diverse Amsterdamse ziekenhuizen. Raadsveld, die eveneens door McIndoe in East Grinstead tot plastisch chirurg werd opgeleid (zie figuur 7), begon na zijn terugkomst in Nederland in 1947 in het Rotterdamse Coolsingelziekenhuis. In september 1949 keerde ook Honig terug uit Engeland, waar hij zich bij Mowlem in de plastische chirurgie had bekwaamd, en in oktober kon hij zijn activiteiten als plastisch chirurg in de Utrechtse heelkundige universiteitskliniek van Nuboer aanvangen (figuur 9).11

aanvankelijke tegenwerking

Deze eerste periode was niet eenvoudig doordat het drietal Koch-Raadsveld-Honig tegenwerking ondervond van de gevestigde chirurgen en vertegenwoordigers van diverse deelspecialismen. Voor een deel waren de tegenstanders niet goed geïnformeerd over de recente vorderingen in de plastische chirurgie, maar zij vreesden ook afkalving van het eigen vakgebied en bovendien rustte er een taboe op de esthetische zijde van het vak. Het kostte veel tijd en overredingskracht om het vertrouwen van de Nederlandse heelkundigen te winnen en hen op de hoogte te brengen met de ongekende mogelijkheden van het nieuwe specialisme. Tal van voordrachten over algemene plastisch-chirurgische principes werden gehouden; in het bijzonder stond men stil bij de behandeling van patiënten met brandwonden en cheilognathopalatoschisis.12 Er werd veel geëist van de 3 pioniers en de door hen gerealiseerde oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie was een waar huzarenstukje. Met een arbeidsintensieve campagne en vele persoonlijke gesprekken slaagden zij erin om meer dan 20 invloedrijke sympathiserende mede-oprichters over de streep te trekken. Hierdoor werd de lobby een succes en bijna 200 andere geïnteresseerde specialisten werden bereid gevonden om toe te treden als buitengewoon lid van de op te richten nieuwe vereniging. De erkenning van het specialisme werd in 1950 een feit door de officiële inschrijving in het medische specialistenregister.

Hoewel er aanvankelijk door de chirurgen bezwaar werd gemaakt tegen een eigen plastische afgevaardigde in de specialistenregistratiecommissie (SRC) in verband met het geringe aantal te verwachten plastisch chirurgen (niet meer dan 10), wisten Koch en de zijnen zich hiertegen met succes te verzetten, waardoor zij bereikten dat de positie van de plastisch chirurgen gelijkwaardig was aan die van de orthopeden, de urologen en de neurochirurgen. Als eerste plastisch chirurg werd Koch vervolgens op 29 april 1950 in het register ingeschreven op de leeftijd van 60 jaar. Vanwege zijn leeftijd kreeg hij in Amsterdam geen vaste ziekenhuisaanstelling meer. Raadsveld en Honig waren dertigers toen zij in 1950 werden geregistreerd, waardoor zij een gunstiger uitgangspositie bezaten. Gezamenlijk vormden zij 12 jaar lang het eerste bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie.

de oprichting van de nederlandse vereniging voor plastische chirurgie

Op 1 januari 1950 werd de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie door Koch, Raadsveld en Honig opgericht, maar de oprichtingsvergadering vond pas op 7 oktober in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam plaats, bijna 40 jaar nadat Esser in dezelfde stad het besluit had genomen om zich te bekwamen in de plastische chirurgie. McIndoe en Mowlem werden voor deze plechtige gelegenheid uitgenodigd en ontvingen het erelidmaatschap. Hoewel het aantal plastisch chirurgen de eerste jaren buitengewoon klein bleef, slaagde het bestuur er toch steeds weer in om internationale plastisch-chirurgische kopstukken, met name uit Engeland, voor lezingen en demonstraties uit te nodigen. In 1956 viel deze eer toe aan de legendarische Sir Harold Gillies, die weliswaar slechts 7 Nederlandse plastisch chirurgen kon toespreken, maar het geïnteresseerde gehoor was echter aanzienlijk uitgebreid met een veelvoud aan buitengewone leden, hetgeen voor de acceptatie van en het begrip voor de plastische chirurgie van groot belang is geweest. Omdat de eerste plastisch chirurgen allemaal in Engeland hun opleiding hadden ontvangen, was het niet verwonderlijk dat de plastische chirurgie in Nederland aanvankelijk geheel op Engelse leest geschoeid was.

het onderwijs in de plastische chirurgie

In 1954 werd door de SRC aan Honig in Utrecht en Raadsveld in Rotterdam de bevoegdheid toegekend om de opleiding tot plastisch chirurg gedeeltelijk, dat wil zeggen gedurende 2 jaar, in hun kliniek te laten plaatsvinden, voor assistenten die eerst een 3-jarige basisopleiding algemene heelkunde hadden voltooid. Vervolgens moest de opleiding nog een jaar in een erkende buitenlandse kliniek worden voortgezet. In 1960 werden de opleidingsplaatsen uitgebreid en werd het ook mogelijk tot plastisch chirurg gevormd te worden door Huffstadt in Groningen en Piers in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Beiden beschikten ook over Engelse opleidingservaring verkregen bij McIndoe. In 1962 vond een herziening van de regels plaats en vanaf dat moment kon de gehele opleiding bestaande uit 3 jaar algemene heelkunde en 3 jaar plastische chirurgie volledig in Nederland plaatsvinden, waarmee de aanvullende buitenlandse opleidingsplaatsen kwamen te vervallen.

Lectoraten.

De groeiende waardering voor de reconstructieve chirurgie bij de medische faculteiten kwam in 1962 tot uiting door het instellen van het eerste lectoraat in de plastische chirurgie in Utrecht, waar Honig voor werd aangezocht en een tweede lectoraat in 1964 in Leiden, dat Frederiks ten deel viel.

De universitaire opmars van de plastische chirurgie werd in de jaren daarna voortgezet met de benoeming van Huffstadt in Groningen (1965), Bouman te Amsterdam (Vrije Universiteit (VU), 1968) en Raadsveld in Rotterdam (1969). Ondanks alle goede bedoelingen bleef het onderwijs in de plastische chirurgie voor studenten in de geneeskunde in enkele universiteitssteden in de jaren zestig marginaal, want aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam (UvA) werd nog maar sporadisch een college aan de plastische chirurgie gewijd, waarvoor dan plaats moest worden ingeruimd in het chirurgische lesrooster van Boerema.

Leerstoelen.

De eerste leerstoel in de plastische chirurgie werd in Groningen in 1970 ingesteld, waar het lectoraat van Huffstadt werd omgezet in een ordinariaat (figuur 10). Hetzelfde gebeurde in 1973 in Utrecht en in 1975 werd een leerstoel ingesteld aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Raadsveld moest in 1974 zijn functie beschikbaar stellen en Van der Meulen volgde hem op als lector Plastische Chirurgie in Rotterdam, waarbij dit keer de nadruk werd gelegd op de chirurgie van de hand. Pas in 1979 werd het lectoraat in Rotterdam omgezet in een ordinariaat Plastische Chirurgie (figuur 11). Op het ogenblik zijn er leerstoelen in de plastische chirurgie in Amsterdam (UvA en VU), Groningen, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam en Utrecht en bestaat er een buitenuniversitaire opleiding in Zwolle.

Naamswijzigingen.

Ter verduidelijking van de inhoud van het specialisme besloot de beroepsvereniging in 1970 al haar naam te wijzigen in Nederlandse Vereniging voor Plastische en Reconstructieve Chirurgie. Onlangs besloot de vereniging echter haar naam weer te veranderen in Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC), waaraan dit keer ‘handchirurgie, reconstructieve en esthetische chirurgie’ werd toegevoegd. Tot de opleidingseisen behoren nog steeds een vooropleiding van 3 jaar algemene heelkunde gevolgd door 3 jaar plastische chirurgie, hoewel er af en toe ook andere wensen zijn te beluisteren. Het onderwijs werd echter grondig gereorganiseerd en op het ogenblik wordt cursorisch onderwijs voor assistent-geneeskundigen verzorgd waarbij de deelnemers ook geëxamineerd worden en op Europees niveau (‘European board examination’) kan men eveneens deelnemen aan examens op het gebied van de algemene plastische chirurgie en de handchirurgie, waarvoor certificaten kunnen worden behaald. De verantwoordelijkheid voor en de organisatie van die examens berusten bij de European Board for Plastic, Reconstructive and Aesthetic Surgery, met als doel het standaardiseren van de opleiding in Europa. Daarnaast zijn er nog vele andere Europese lichamen ontstaan, zoals de European Committee on Quality Assurance and Medical Devices in Plastic Surgery, waar Nederland actief in participeert.1314

heden en toekomst

De plastisch chirurgen hebben zich niet in het isolement teruggetrokken, maar kozen daarentegen voor diverse vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij de werkgroepen voor de behandeling van patiënten met lip-, kaak- en gehemeltespleten (schisisteams) tot de eersten behoorden.

Op het ogenblik zijn er in Nederland 144 plastisch chirurgen werkzaam en worden er 33 als assistent-geneeskundige opgeleid. Het werkterrein is zeer breed geworden, want naast de algemene plastische chirurgie behoren ook de handchirurgie, de brandwondenchirurgie, de behandeling van congenitale defecten, de reconstructieve kankerchirurgie, de microchirurgie en de esthetische chirurgie tot de gebruikelijke werkzaamheden.

De instroom van vrouwelijke plastisch chirurgen in de gelederen is traag verlopen, maar neemt wel geleidelijk toe. Edith Frederiks, opgeleid in Engeland, was in 1957 de eerste vrouw die in het specialistenregister werd ingeschreven. Het zou daarna nog tot 1970 duren voordat een tweede vrouwelijke plastisch chirurg was opgeleid. De opleiders stelden zich erg terughoudend op: in 1990 waren er nog pas 8 vrouwen werkzaam op een totaal van 108 plastisch chirurgen. In 1999 bedroegen deze cijfers 17 (11,8) op 144.1516

Imago en technische aanwinsten.

Het imago van de plastische chirurgie is door de tijden heen sterk aan verandering onderhevig geweest. Vooral de esthetische chirurgie werd lange tijd wantrouwend gadegeslagen, mede in verband met ongeoorloofde reclamecampagnes van onduidelijk gekwalificeerde cosmetische chirurgen in kleine particuliere huispraktijken. De herontdekking door Milton in Engeland in de afgelopen jaren zestig van de beginselen van de arteriële lappen, zoals die door Esser bij gelaatsreconstructies tijdens de Eerste Wereldoorlog al werden gepropageerd, gevolgd door de algemene systematische toepassing daarvan vanaf 1970, moet beschouwd worden als een revolutie in de plastische chirurgie, waardoor ook de waardering enorm is gestegen.17 18

Door de voortschrijdende technische ontwikkeling werd een microchirurgische verplaatsing van myocutane eilandlappen mogelijk, waardoor de reikwijdte van het weefseltransport niet langer meer door de lengte van de vaatsteel werd bepaald. Hierdoor, maar ook door andere technieken op het gebied van de sluiting van lichaamsdefecten, zoals weefselexpansie, verbeterde het imago van het vak sterk. Laserchirurgie, liposuctie en endoscopische technieken werden op recenter datum toegevoegd aan de bijna eindeloos lijkende reeks van uitvindingen. Prefabricatie van verloren gegane lichaamsdelen, tele- en robotchirurgie, en foetale chirurgie ter behandeling van congenitale defecten in utero, met een speciaal ontwikkelde foetoscoop, zijn slechts enkele van de toekomstige ontwikkelingen die nu in het laboratorium worden getest en onder strikte voorwaarden incidenteel in de praktijk worden toegepast.

Literatuur

  1. Littré E, Robin C. Dictionnaire de médecine,chirurgie, pharmacie, des sciences accessoires et de l'artvétérinaire. Parijs: Baillière; 1865.

  2. Esser JFS. Neue Wegen für chirurgische Plastikendurch Heranziehung der zahnärztlichen Technik. Bruns Beitr Klin Chir1916; 103:519-46.

  3. Esser JFS. Studies in plastic surgery of the face. AnnSurg 1917; 65:297-315.

  4. Esser JFS. Biological- or artery flaps. Rev Chir Plast1934;3:275-87.

  5. Haeseker B. Dr. J.F.S. Esser and his influence on thedevelopment of plastic and reconstructive surgery proefschrift.Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam; 1983.

  6. Esser JFS. Esser inlay (epithelial inlay). Leiden: Brill;1940.

  7. Bardelli L. Spunti di Chirurgia sociale. Siena:Bernardino; 1935.

  8. Winters HPJ. De geschiedenis van de plastische enreconstructieve chirurgie in Nederland. Leiderdorp: Technical advertising andprinting; 1975.

  9. Haeseker B, Koch AR, Huygen REF. Feestbundel 40 jaarNederlandse vereniging voor plastische chirurgie (1950-1990). Den Haag:Pasmans; 1990.

  10. Mosley L. Faces from the fire. The biography of SirArchibald McIndoe. Londen: Weidenfeld & Nicolson; 1962.

  11. Haeseker B. Onbuigzaam, diplomatiek, ambitieus. Vijftigjaar plastische chirurgie Utrecht. Den Haag: Pasmans; 1999.

  12. Koch CF. Plastische chirurgie.Ned Tijdschr Geneeskd1948;92:2053-7.

  13. Scuderi N, Paolini G. European book of plastic surgery.European national associations affiliated to ESPRAS. Rome: European Societyof Plastic, Reconstructive and Aesthetic Surgery; 1997.

  14. Nicolai JPA, Scuderi N. Plastic surgical Europe in anorganogram. Eur J Plast Surg 1996;19:253-6.

  15. Velden LFJ, Hingstman L. Behoefteraming plastischchirurgen 1998-2010. Rapport Nederlands instituut voor onderzoek van degezondheidszorg. Utrecht: NIVEL; 1999.

  16. Veranderen vrouwen het artsenberoep? LAD-ledenbulletin1998: nr 4 en 5.

  17. Milton SH. The tubed pedicle flap. Br J Plast Surg1969;22:53-9.

  18. Milton SH. Experimental studies on island flaps. 1. Thesurviving length. Plast Reconstr Surg 1971;48:574-8.