De introductie van plastisch-chirurgische principes in de heelkunde in Nederlands-Indië, vanaf de Eerste Wereldoorlog tot de Japanse bezetting

Perspectief
B. Haeseker
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:2357-63
Download PDF

artikel

Inleiding

Veel is er reeds gepubliceerd over het baanbrekend onderzoek dat in Nederlands-Indië werd verricht op het gebied van beriberi door o.a. C.E.Eijkman (1858-1930) en G.Grijns (1865-1944). Waardering voor dit onderzoek culmineerde in de toekenning van de Nobelprijs aan Eijkman in 1929. Ook de isolatie van het vitamine B1 in 1927 als zuiver kristallijne stof door B.C.P.Jansen (1884-1962) en W.F.Donath (1889-1957) is vele malen uitvoerig belicht.12 Over de heelkunde in de voormalige kolonie is veel minder geschreven en over de plastische chirurgie in het geheel niet. Informatie kan vrijwel alleen worden verkregen uit het voortreffelijke Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, het officiële orgaan van de Vereeniging tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië, aangevuld met gegevens verkregen uit vraaggesprekken met enkele oud-Indische chirurgen.

Destijds vertrokken de meeste artsen naar de Oost als officier van gezondheid in dienst van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger (KNIL). Na beëindigen van het militaire contract bleef men aldaar en nam dienst bij het gouvernement of oefende de particuliere praktijk uit. Onder hen bevond zich na de Eerste Wereldoorlog een groot contingent chirurgen uit het voormalige Oostenrijk-Hongarije, maar ook Duitse en Deense artsen.3-6 Gedurende lange tijd werkten zij in Nederlands-Indië en velen keerden na afloop niet meer terug naar het vaderland, maar brachten de laatste jaren in Nederland door.

Nieuwe medische vindingen werden betrekkelijk snel in Nederlands-Indië geïntroduceerd. De eerste ethernarcose vond in Nederland plaats in Den Haag op 8 maart 1847. Door G.Wassink (1811-1864) werd ethernarcose reeds op 29 november van hetzelfde jaar in Soerabaja toegepast.7 Het eerste röntgentoestel in Indië werd in 1898 geplaatst in het Militaire Hospitaal te Kotaradja te Atjeh, drie jaar na de uitvinding ervan door Wilhelm Röntgen in 1895.8

Gelet op de snelheid waarmee deze westerse medische innovaties de Indische archipel bereikten, mag een zelfde veronderstelling worden uitgesproken met betrekking tot de introductie van plastische en reconstructieve beginselen in de heelkunde. Een oorschelpreconstructie door middel van een buislap, uitgevoerd door J.A.van Dijk in 1921 te Weltevreden, slechts één jaar na de uitgave van Gillies‘ boek over buislappen, steunt deze hypothese.9 Daarnaast werden bij uitvoerige literatuurstudie vele andere voorbeelden aangetroffen van een levendige interesse voor plastisch-chirurgische vraagstukken.

Omstreeks 1930 telde Nederlands-Indië ruim 60 miljoen inwoners, van wie slechts 240.000 de Europese nationaliteit bezaten. Het aantal artsen was toen omstreeks 1000, van wie slechts een gering aantal chirurgen. Dit moge o.a. blijken uit de vrij late oprichting van de Nederlandsch-Indische Vereeniging voor Heelkunde, een plechtigheid die plaatsvond in Bandoeng op 19 april 1941.

Aangeboren afwijkingen zoals lip- en gehemeltespleten hadden in Indië een gelijke incidentie als in Nederland, maar kwamen door het enorme aantal geboorten in veel grotere getale voor.10 Verder vroegen defecten veroorzaakt door tropische ziekten om reconstructies en kwamen sommige tumoren, zoals adamantinomen, in de tropen veel vaker voor.11 Er waren derhalve verschillende factoren aanwezig die deden vermoeden dat plastisch-chirurgische operaties op een grotere schaal voorkwamen dan in het moederland, hetgeen bij dit onderzoek werd bevestigd.

Enkele aspecten der plastische chirurgie in nederlands-indie

Bij het bestuderen van de jaargangen 1915 tot en met 1942 van het Geneeskundig Tijdschrift vallen diverse chirurgen op met belangstelling voor de reconstructieve chirurgie.

Dr.H.C.van den Vrijhoef (geb. 1870 te Wonosobo op Midden-Java) schreef in 1915 te Weltevreden een artikel over de ‘Cosmetiek van operatielittekens’, dat de plastische chirurgie in haar essenties beschrijft.12 Nadruk werd gelegd op een juiste plaatsing van de incisie volgens de huidlijnen van Langer, het voorkómen van infectie, gebruik van fijn hechtmateriaal en aandacht voor de voedende vaten in de steel van huidsubcutis-lappen. Aanbevolen werd indien mogelijk gebruik te maken van een intracutane naad volgens Halsted. Een lans werd gebroken door de toepassing van bladzilver op de wond, zoals werd beschreven door Halsted en Lexer, wegens de antiseptische werking van het zilver, vooral bij granulerende wondoppervlakken en als bedekking van huidtransplantaties.

– In hetzelfde jaar werden nog enkele andere plastisch chirurgische ingrepen vermeld, o.a. na extirpatie van een maxilla wegens carcinoma, waarbij onder plaatselijke verdoving de bovenkaak werd verwijderd met behoud van orbitabodem en zygoma. Tandheelkundige assistentie was nodig om het defect op te vullen; tandarts Stark vervaardigde hiertoe een prothese die via een veer was verbonden met de onderkaak, na opoffering van de eerste mandibulaire molaren.13

– Sluiting van een volledige lip-gehemeltespleet vond plaats in twee etappes volgens de techniek van Langenbeck. In eerste instantie werd het palatum molle gesloten; een maand later volgde de sluiting van de lip en het palatum durum. In een derde zitting werd een resterende palatumfistel gesloten, omdat deze opening patiënt hinderde bij het roken.14

– In 1916 demonstreerde Van den Vrijhoef een patiënt van 50 jaar met een basale-celcarcinoma van de bovenlip, waarbij het defect werd gesloten met een niet nader omschreven lapplastiek.15

– Microstomie, als gevolg van verlittekening door framboesia bij een negenj arig meisj e, werd chirurgisch behandeld met een verwijdingsplastiek der mond volgens Nélaton en Ombrédanne.16

– In 1921 merkte Van den Vrijhoef tijdens een vergadering op, dat vrije huidlappen volgens Krause een opmerkelijke hyperpigmentatie kunnen gaan tonen, een constatering die werd gedeeld door chirurg Van Dijk.17

J.A. van Dijk werd op 16 juli 1878 te Batavia geboren en studeerde geneeskunde in Nederland. Als officier van gezondheid werd hij in 1905 tewerkgesteld in het Militaire Hospitaal te Batavia. Van 1906 tot 1909 verbleef hij in Atjeh, waar hij aan diverse krijgsverrichtingen deelnam. Daarna volgden overplaatsingen naar Padang, Batavia, Tjimahi en Ambon. Tijdens verlof in Nederland brak de Eerste Wereldoorlog uit, die zijn terugtocht naar Indië verhinderde, zodat de verlofperiode zich uitstrekte van 1913 tot 1916. In die tijd was hij chirurgisch werkzaam als volontair-assistent bij dr.Oidtmann (1865-1940) te Amsterdam. Na een kort verblijf in Soerabaja arriveerde hij in Batavia, waar hij in 1918 benoemd werd tot docent aan het nieuwe Centraal Militair Laboratorium, waar zojuist aangekomen officieren van gezondheid door hem werden geïnstrueerd over de chirurgie van de lever.

Vanaf 1922 tot 1926 was hij voorzitter van de Vereeniging tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen, als opvolger van prof.dr.W.A.Kuenen (1873-1951). In 1921 verrichtte Van Dijk een voor die tijd unieke operatie bij een 25-jarige Amerikaanse matroos van Deense afkomst die onder invloed van alcohol in aanraking was gekomen met elektrische hoogspanning (figuur 1).9 Door deze ernstige brandwond verloor hij zijn rechterarm en zijn rechter-oorschelp met omringende huid, inclusief een deel van het os petrosum en het os parietale. Vooral de verminking van zijn gelaat was reden om Van Dijk te verzoeken het rechteroor en de omringende huid te reconstrueren. Na een literatuurstudie viel de keus op de buislaptechniek van Gillies, die Van Dijk naast Blair en Esser tot de pioniers van het nieuwe specialisme der plastische chirurgie rekende. In de Nederlandse taal is deze publikatie de eerste vermelding van de toepassing van een buislap, die door Van Dijk ‘buissteel-lap’ werd gedoopt in zijn artikel dat gepubliceerd werd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in 1925. Daar Gillies‘ ’Plastic surgery of the face‘ in 1920 werd uitgegeven, kan worden geconcludeerd dat de medische bibliotheek waarschijnlijk goed werd bij gehouden.18

De belangstelling van chirurg Van Dijk werd later getrokken door de fysiologie; met name hield hij zich bezig met de studie van de sympathische innervatie. Een dergelijke radicale ommezwaai van de chirurgie naar de fysiologie wekt verwondering, maar staat toch niet op zichzelf, daar ook prof.G.G.J.Rademaker (1887-1957) deze weg bewandelde.19 Ook M.H.Knoch (1869-1928) verwisselde zijn chirurgische loopbaan met een geheel andere tak van de medische professie, n.l. de radiologie.20

Robert Lesk (1875-1930) was een van de Oostenrijkers die in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de chirurgie in Nederlands-Indië (figuur 2). Hij werd te Trautenau (Trutnov) in de buurt van Praag geboren en studeerde geneeskunde in Wenen, alwaar hij ook opgeleid werd tot chirurg. In 1909 nam hij dienst in het Nederlandsch-Indische Leger en diende o.a. op Java en Atjeh. Van 1913-1914 was hij werkzaam aan de School tot Opleiding van Indische Artsen (STOVIA) te Batavia en hij gaf lessen in de chirurgie en huid- en geslachtsziekten. Tijdens zijn Europese verlof brak de Eerste Wereld-oorlog uit en Lesk diende in het Oostenrijks-Hongaarse leger als oorlogschirurg o.a. in de Karpaten en Servië. Na de oorlog keerde Lesk terug naar Nederlands-Indië en aanvaardde een betrekking bij de Nederlandsch-Indische Artsenschool te Soerabaja (NIAS).

Van 1927-1930 bekleedde hij het professoraat in de heelkunde aan de toen zojuist opgerichte Medische Hoogeschool te Batavia.21 Aanvankelijk, in 1920, schreef Lesk zijn medische artikelen in de Duitse taal, o.a. over de chirurgische behandeling van elefantiasis22 en maligne processen, zoals het ulcus rodens en carcinoma van de kaak, waarbij defecten werden gesloten met gecompliceerde plastische operaties.23 In 1930 berichtte Lesk over diverse aspecten van de plastische chirurgie, zoals het vrije vettransplantaat, de behandeling van palatoschisis en subcutane mastectomie.24

Lesk bleek ook op de hoogte te zijn van zogenaamde paraffine-inspuitingen die enige tijd in gebruik zijn geweest ter opvulling van contourdefecten. Hij was hier geen voorstander van en heeft het ook nooit toegepast; hij had vroeger in Oostenrijk wel hinderlijke paraffinomen moeten excideren. In hetzelfde jaar, tijdens een Europees verlof, vroeg Lesk vervroegd pensioen aan en vestigde zich achtereenvolgens in Den Haag, Wenen en later weer in Den Haag. Zijn laatste levensjaren werden gekenmerkt door een ernstige röntgendermatitis als gevolg van een onbezorgde blootstelling aan röntgenstralen in het begin van deze eeuw. Deze beroepsziekte van medici uit die periode is onder meer bekend bij Knoch en Schoemaker, die als gevolg van deze nevenwerking der röntgenstralen stierven. In 1930 stierf Lesk aan een acute hartziekte. In Batavia werd Lesk in 1930 als hoogleraar tijdelijk opgevolgd door prof.Laméris uit Utrecht, die het ambt voor één jaar waarnam.

T.D.Rado en Norbert Grzywa waren andere medici met een Oostenrijkse-Hongaarse achtergrond.

Rado studeerde geneeskunde in Boedapest en werd tot arts bevorderd in 1918. Er is verder weinig over zijn leven bekend. Tijdens zijn verblijf in Soerabaja schreef hij in 1933 een interessant artikel over de kosmetische chirurgie in Indië.25 De meest frequente operatie betrof de verwijdering van keloïd der oorlellen, waarover hij schetsmatig de operatietechniek in combinatie met bestraling beschreef. De kosmetische chirurgie had in Indië nog niet die omvang aangenomen als in Europa en Amerika. Verder beschreven operaties waren de correcties van afstaande oorschelpen, operatie wegens zadelneus en bottransplantaten, maar ook kleine ingrepen zoals verwijdering van atheroomcysten in het gelaat via minimale incisies hadden zijn aandacht. Tenslotte werden regels gegeven ter vermijding van opvallende littekens. De kosmetische chirurgie had het jaar daarvoor ook al aandacht gehad in de persoon van de Franse esthetische chirurge Suzanne Noël (1878-1954), die de afdeling Batavia vergastte met een voordracht met lichtbeelden over esthetische chirurgie, tijdens een van haar wereldreizen.26

Grzywa, geboren in Lemberg (Lwow) in 1891, studeerde in Wenen in 1919 af en werd waarschijnlijk in de tweede chirurgische Universiteitskliniek van prof.Von Hochenegg tot chirurg opgeleid. In diezelfde kliniek werkte gedurende de Eerste Wereldoorlog ook de Nederlandse plastisch-chirurg dr.J.F.S.Esser (1877-1946).27 Veel van de door hem ontwikkelde technieken stammen uit deze periode. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat Grzywa hiervan op de hoogte was en o.a. ‘fysiolologische’ arteriële lappen volgens Esser gebruikte bij een 17-jarig meisje met ernstige brandwondenlittekencontracturen der benen in 1934.28

In plaats van ‘fysiologisch’ bezigde Esser zelf de uitdrukking ‘biologische’ lappen. Evenals bij Lesk het geval was, publiceerde Grzywa zijn eerste artikel in het Duits, waarbij onder meer waarschuwende woorden werden gesproken over onzorgvuldig gebruik van chloor-ethylnarcose.29 Zijn latere artikelen zijn in de Nederlandse taal.

T.Reddingius (1895-1983) was afkomstig uit een oud Gronings geslacht van artsen. Hij promoveerde in 1923 over experimentele longextirpatie en vertrok naar Nederlands-Indië na opgeleid te zijn tot chirurg bij Kingma Boltjes in Rotterdam en bij prof.Zaayer in Leiden. In 1928 volgde zijn huwelijk met de kinderarts dr.E.M.Kobus (1898-1988); later verving hij de chirurgische leraar T.Wieberdink aan de NIAS te Soerabaja voor één jaar. In 1930 werkte hij in de Centrale Burgerlijke Ziekeninrichting (CBZ) te Batavia onder prof.Laméris, wiens opvolger hij zou worden (figuur 3).

Onder het uitspreken van een inaugurele rede op 22 januari 1932 getiteld ‘Opmerkingen over de heelkunde in Nederlandsch-Indië’ aanvaardde hij de hoogleraarspost in de chirurgie en orthopedie.30 Door de inval der Japanners in maart 1942 werd de verdere ontplooiing van zijn wetenschappelijke werkzaamheden bruusk onderbroken. In 1945 repatrieerde Reddingius naar Nederland, waar hij het chirurgisch ambt niet zou hervatten.

In 1930 demonstreerde hij een patiënte met een verwaarloosd uitgebreid huidcarcinoom, waarbij het defect werd gesloten met een smal gesteelde arterielap volgens Esser (gebruikmakend van het stroomgebied van de arteria temporalis superficialis). De neusopeningen werden vervaardigd via de zogenaamde Esser-inlay-methode met huidtransplantaties.31 Diverse vermeldingen van zijn hand kunnen we vinden over operaties van fronto-encefalokèles, maar over de prognose was hij somber gestemd.32 Interessant is ook op het gebied der plastische chirurgie de reconstructie van gelaatsdefecten bij vier patiënten in 1936 door middel van de buislapmethode van Filatow, een naamgeving die historisch zeker niet onjuist is (figuur 4).33

Diverse didactische artikelen werden gewijd aan de narcose zoals die werd toegepast in zijn heelkundige kliniek; vooral voor operaties in verband met lip- en gehemeltespleten werd Avertin toegepast.3435 (Tribromo-ethanol (Avertin), een witte stof oplosbaar in water, werd gebruikt als rectaal toe te dienen hypnoticum.) In 1936 introduceerde Reddingius de lachgasnarcose met het toestel van Zaayer in zijn kliniek.36

Sedert het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 organiseerde hij de medische voorbereiding op de oorlogssituatie in Nederlands-Indië met tal van artikelen over de chirurgische behandeling van brandwonden, granaatvuur en bomscherven, tot het laatste nummer van het Geneeskundig Tijdschrift van 24 januari 1942.37-40 Op 8 maart 1942 volgde de capitulatie van het KNIL aan het Japanse leger. Ook andere chirurgen hadden hun oorlogservaringen uitvoerig beschreven in het tijdschrift, zoals J.G.Kopp en A.Colaço Belmonte.4142 Vooral Belmonte beschrijft in zijn artikelen uitvoerig de mogelijkheden van de plastische en reconstructieve chirurgie van het gelaat, waarbij hij melding maakt van de bijdragen van de Nederlander J.F.S.Esser.

L.D.Eerland (1897-1977). Belangrijk en invloedrijk waren de bijdragen van Eerland uit Oost-Java. Eerland werd geboren in Rotterdam en bracht een deel van zijn jeugd reeds in Indië door. Na het gymnasium in Rotterdam en de medische studie in Utrecht bekwaamde hij zich in de chirurgie en gynaecologie in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. In 1926 vertrok hij op 29-jarige leeftijd naar Nederlands-Indië, waar hij na korte tijd chef de clinique werd bij professor Lesk in Batavia, tot 1928. Vanaf dat jaar tot zijn vertrek naar Nederland bekleedde hij de functie van geneesheer-directeur en chirurg van het HVA(Handelsvereniging Amsterdam)-ziekenhuis te Paree-Kediri op Oost-Java. Door zijn grote organisatorische talenten en veelzijdige belangstelling wist hij de medische wetenschap op Oost-Java tot grote bloei te krijgen.43-45 Met name publiceerde hij veel op het gebied van de chirurgie van het hoofd-halsgebied.46 ‘Een degloving injury’ van het been van een vier-jarige patiënte werd behandeld met een homotransplantaat van de moeder, met dezelfde bloedgroep.47 In 1929 volgde een publikatie over elefantiasis, waarvoor de chirurgische therapie een radicale verwijdering van huid en subcutis was, gevolgd door transplantatie wegens de grote defecten.48

Bijzonder frequent zijn de beschrijvingen van kaaktumoren zoals adamantinomen, maar ook neurofibromen, lymfangiomen van het gelaat en neurilemmomen hadden zijn aandacht. Ook publiceerde Eerland over een gekruiste beenlap, waarvan hij de techniek ten onrechte toeschreef aan Lexer.49 De introductie van dit type indirect-gesteelde beenlap gaat echter verder terug; het werd ontwikkeld door Hamilton in 1854.

In 1937 vertrok Eerland naar Groningen waar hij werd benoemd tot hoogleraar in de heelkunde. In Indië was het onmogelijk hem een passende werkkring aan te bieden, daar de enige hoogleraarszetel al bezet was door Reddingius. In Nederland wijdde Eerland zich vooral aan de ontwikkeling der thoraxchirurgie en het is ook zijn verdienste geweest de urologie, orthopedie en de plastische chirurgie binnen zijn kliniek te halen en de universitaire status te verlenen. In 1965 nam hij om gezondheidsredenen ontslag.

A.M.Collet (1903-1966) was een andere chef de clinique van het Centraal Burgerlijk Ziekenhuis (CBZ) te Batavia die over plastische chirurgie publiceerde.50 Hij werd geboren te Leeuwarden, studeerde in Groningen en werd opgeleid tot chirurg in het Bergwegziekenhuis te Rotterdam door M.P.Kingma Boltjes. In 1932 werd hij chef de clinique in het CBZ onder Reddingius en daarnaast had hij een omvangrijke particuliere praktijk. In 1935 schreef hij ‘Plastische Chirurgie van het aangezicht’, vergezeld van een serie foto's die de verschillende fasen van gelaatsreconstructie aangaven. De operaties werden onder plaatselijke verdoving in vele zittingen uitgevoerd (soms veertien tot zestien).51 Postexcisionele defecten werden gereconstrueerd in het gelaat door middel van gesteelde thoraxlappen, waarschijnlijk zonder dat ervan een buislap werd gemaakt, zoals werd aanbevolen ter voorkoming van o.a. infectie en resulterende necrose (zie figuur 4).

Collet schonk vooral grote aandacht aan een goede bedekking van het slijmvliesdefect aan de binnenzijde van de wang, daar anders schrompeling zou optreden met functieverlies. Verdere publikaties betroffen de toepassing van de transplantatiemethode van Reverdin en een demonstratie van een patiënt met een enorme mucokèle en opvallend hypertelorisme.52

Tijdens de Japanse bezetting diende Collet in het vrouwenkamp Tjideng en na de oorlog werd hij herenigd met zijn gezin in Australië. Als buitengewoon hoogleraar in de urologie keerde hij terug naar Batavia om in 1950 te repatriëren naar Nederland, waar hij verder werkzaam was als chirurg aan het Gemeenteziekenhuis van Zaandam.

W.M.Pruys (1901-1982) werd geboren te Koepang op Timor als zoon van de officier van gezondheid H.S.Pruys (1869-1944). Pruys Sr. was sedert 1906 geneesheer-directeur van het Petronella-ziekenhuis te Djokjakarta en bekend geworden door de invoering van het zogenaamde ‘Djokja-stelsel’ in de gezondheidszorg, waarbij een centraal ziekenhuis omringd was met kleinere ermee samenhangende hospitalen, voorzien van eenvoudig geschoold medisch hulppersoneel.

De zoon studeerde geneeskunde in Amsterdam en werd opgeleid tot chirurg door Schoemaker in Den Haag, waarna hij zijn vader opvolgde in Djokjakarta. Door de ongunstige militaire omstandigheden in 1942 veranderde de aard der werkzaamheden; in februari van dat jaar werden verscheidene brandwondpatiënten behandeld, afkomstig van Amerikaanse oorlogsschepen. Gedurende de Japanse bezetting werd Pruys geïnterneerd in Pakanbaroe op Sumatra.53

In 1939 beschreef hij uitvoerig een plastische operatie bij een jonge patiënt met een ernstige strictuur van de oesophagus ten gevolge van het drinken van een geconcentreerde soda-oplossing.54 De initiële behandeling vond in 1932 plaats in het CBZ te Soerabaja, waar een maagfistel volgens Witzel werd aangelegd, waarmee patiënt vervolgens naar zijn geboortestreek terugkeerde. De behandeling verliep verder als volgt.

– Door J.S.Wiersema (1907-1981), zendingsarts te Klaten, werd in juli 1936 de eerste fase verricht van een ante-thoracale oesofagoplastiek volgens Roux-Lexer (dermato-entero-oesofagoplastiek).55 In 1936 vertrok Wiersema echter met studieverlof naar Nederland, waar hij zijn chirurgische opleiding begon bij Eerland in Groningen, aangevuld met een gynaecologische opleiding bij Ten Berge in Rotterdam. Tevens werkte hij later in Parijs nog enige tijd bij Victor Veau. Toen zijn gevarieerde opleiding was beëindigd, was de weg naar Indië onmogelijk geworden door de inmiddels uitgebroken oorlog.56

– De volgende fase van de reconstructie van de nieuwe oesophagus werd overgenomen door Pruys in december 1936.

– De sluiting der laatste fistelopeningen, inclusief de maagfistel werd verricht door C.L.Zwaan, daar ook Pruys met Europees verlof was vertrokken.

– De patiënt trad toen in dienst van het ziekenhuis als leerling-verpleger, hetgeen een gedegen na-onderzoek mogelijk maakte; ruim één jaar later bleek de operatie functioneel en ook bij röntgenologische controle een succes te zijn. Kosmetisch had de thoraxwand natuurlijk ernstige schade ondervonden.

Het betrof hier de eerste beschrijving van een goed functionerende reconstructie in Nederlands-Indië van een oesophagus die over een aanzienlijke lengte was aangetast. De huidbuis was 21 cm lang en de jejunumlis 17 cm. In 1932 werd weliswaar door J.G.Kopp een oesophagusplastiek beschreven in het halsgebied na extirpatie van de larynx, pharynx en een deel van de oesophagus wegens een plaveiselcelcarcinoom, maar deze was beduidend korter.57 Nederlandse bijdragen over dit onderwerp waren in die tijd zeer schaars; Esser publiceerde zijn ervaringen met twee patiënten in 1917, Zaayer in 1918 en Noordenbos in 1935.5558

Pruys beschreef nog enkele andere plastische operaties, zoals na het verwijderen van basale-celcarcinoma van de scalp bij enkele patiënten. Sluiting van het defect werd bereikt met huidtransplantaten waarop zilverpapier werd geplaatst, zonder verder verband. Een kleine boog met klamboe bleek een doeltreffende bescherming te bieden tegen de vliegen.59

Ook Indonesiërs droegen bij tot de plastische chirurgie in Indië. M. Permadi demonstreerde patiënten met maligne melanomen in 1930 en M. Soekarjo een patiënt met uitgebreide brandwonden, een arteria-temporalislap van het voorhoofd voor een ooglidreconstructie en een operatietechniek voor avulsie van penis, scrotum en pubisgebied.60-63 Soetomo Tjokronegoro hield in 1937 een voordracht over bliksemverbrandingen en T.A.H.Pattiradjawane gaf een relaas over een groot ulcererend maligne proces van het gelaat.6465 Naar aanleiding van dit laatste referaat merkte Eerland op dat na verwijdering van deze grote tumor een plastiek diende te volgen. Het zou interessant zijn te weten welk operatieplan voor de reconstructie hij in gedachten heeft gehad.

Van Chinees-Indische zijde werden eveneens bijdragen geleverd. De oogarts Sie Boen Lian beschreef in 1941 ook een buislap volgens Filatow ter reconstructie van een door kanker vernield onderooglid en de chirurg Tjiong Njan Han gaf in 1939 een uitvoerige beschrijving van de techniek van Veau voor aangeboren lip- en gehemeltespleten. Hij beschreef zijn ervaringen opgedaan te Sittard bij dr.H.L.M.van der Hoff en zijn waarnemingen in Parijs bij Victor Veau.

Conclusie

Uit het aantal publikaties in het Geneeskundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië mag men concluderen dat plastische chirurgie in Nederlands-Indië op ruimere schaal werd toegepast dan in het moederland Nederland. Hiervoor zijn diverse redenen aan te geven. Sommige maligne tumoren kwamen in Indië frequenter en in grotere aantallen voor, en veel patiënten bereikten de westerse arts in een verder gevorderd stadium, zodat uitvoerige reconstructies noodzakelijk waren geworden. De voormalige oorlogschirurgen afkomstig uit Oostenrijk-Hongarije hadden bovendien al uitvoerig kunnen kennismaken met bepaalde facetten van de reconstructieve chirurgie, en vooral zij waren reeds vertrouwd met o.a. de principes die Esser destijds had geïntroduceerd.

Literatuur
  1. Hartog C den. De vooruitgang van de voedingsleer sinds1900. In: Dongen JA van, red. De vooruitgang van de geneeskunde in onze eeuw.Amsterdam: De Bussy, 1965: 281-8.

  2. Winkler C. Herinneringen van Cornelis Winkler 1855-1941.Arnhem: Van Loghum Slaterus, 1947: 52-65.

  3. Neuberger JKW. Von Wien bis Indonesien. Lebenserinnerungeneines Chirurgen. Amersfoort: Neuberger, 1974.

  4. Wøller J. Als officier van gezondheid naarNederlands-Indië. Utrecht: Bijleveld, 1940.

  5. Mooij W. Het Indisch avontuur tegemoet. Als Officier vanGezondheid naar voormalig Nederlands-Indië. Den Haag: Moesson-Robinson,1978.

  6. Hermans EH. Ten voeten uit. Mens en dokter. Leiden:Stafleu, 1976.

  7. Borgers AH. Doctor Willem Bosch en zijn invloed op degeneeskunde in Nederlandsch Oost-Indië. Utrecht: Kemink en Zoon,1941.

  8. Moulin D de. A history of surgery with emphasis on theNetherlands. Dordrecht: Martinus Nijhoff, 1988.

  9. Dijk JA van. Over de toepassing van den buissteel-lap bijeen geval van volledige oorplastiek.Ned Tijdschr Geneeskd 1925; 69:895-900.

  10. Millard DR. Cleft graft. The evolution of its surgery.Volume I: The unilateral deformity. Boston: Little, Brown, 1976:62-3.

  11. Hutten AE van. Een adamantinoom aan de onderkaak. GeneeskTijdschr Ned Ind 1932; 72: 1309.

  12. Vrijhoef HC van den. Cosmetiek van operatielittekens.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1915; 55: 567-75.

  13. Vrijhoef HC van den. Verwijdering van den geheelenbovenkaak wegens carcinoom. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1915; 55:LXV-LXVIII.

  14. Vrijhoef HC van den. Uranostaphyloplastiek. GeneeskTijdschr Ned Ind 1915; 55: L-LI.

  15. Vrijhoef HC van den. Carcinoom van de bovenlip. GeneeskTijdschr Ned Ind 1917; 57: LVII.

  16. Vrijhoef HC van den. Microstomie als gevolg vanframboesia. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1920; 60: LXXVIII-LXXIX.

  17. Vrijhoef HC van den. Hyperpigmentatie Krausesche lap.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1922; 62: LII.

  18. Gillies HD. Plastic surgery of the face. London: Frowde,Hodder & Stoughton, 1920.

  19. Schulte BPM, Endtz LJ. A short history of neurology inthe Netherlands. Katwijk: Albédon-Klop, 1977: 47-8.

  20. Kiewit de Jonge GW. In memoriam M.H.Knoch. GeneeskTijdschr Ned Ind 1928; 68: 625-6.

  21. Bonne C. In memoriam Prof.Dr.R.Lesk. Geneesk Tijdschr NedInd 1937; 77: 2192.

  22. Lesk R. Beitrag zur chirurgischen Behandlung derElephantiasis in den Tropen. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1920; 60:573-85.

  23. Lesk R. Kwaadaardige gezwellen. Geneesk Tijdschr Ned Ind1929; 69: 732-6.

  24. Lesk R. Vrije vettransplantatie. Palatoschisis. Subcutanemastectomie. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1930; 70: 1041-2.

  25. Rado T. Cosmetische operaties in Indië. GeneeskTijdschr Ned Ind 1933; 73: 291-5.

  26. Noël A. Aesthetische chirurgie. Geneesk Tijdschr NedInd 1933; 73:

  27. Haeseker B. Dr.J.F.S.Esser and his influence on thedevelopment of plastic and reconstructive surgery. Leiden: Groen, 1983:46-52.

  28. Grzywa N. Plastiek bij litteekencontractuur naverbrandingen. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1934; 74: 1539-40.

  29. Grzywa N. Zur Chloraethylnarkose. Geneesk Tijdschr NedInd 1926; 66: 248-51.

  30. Reddingius T. Opmerkingen over de heelkunde inNederlandsch-Indië. Batavia: Kolff, 1932.

  31. Reddingius T. Carcinoomextirpatie gelaat. GeneeskTijdschr Ned Ind 1930; 70: 843-4.

  32. Reddingius T. Cystencephalocele. Geneesk Tijdschr Ned Ind1933; 73: 304.

  33. Reddingius T. Defectsluiting volgens de methode vanFilatow. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1937; 77: 50-1.

  34. Reddingius T. Over narcose met Avertin. Geneesk TijdschrNed Ind 1930; 70: 1017-29.

  35. Reddingius T. Narcose en plaatselijke anaesthesie in deChirurgische Kliniek der Geneeskundige Hoogeschool te Batavia. GeneeskTijdschr Ned Ind 1936; 76: 1091-100.

  36. Fossen A. Ervaringen met de lachgasnarcose inNederlandsch-Indië. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1937; 77: 871-8.

  37. Reddingius T. Nogmaals over de behandeling vanbrandwonden. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1941; 81: 929-30.

  38. Reddingius T. Werkzaamheden van den arts in deGeneeskundige Hulppost. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1942; 82: 365-9.

  39. Reddingius T. Het geven van intraveneuze infusies(plasma, bloed, physiol. NaCl sol.) bij slachtoffers van luchtaanvallen.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1942; 82: 370.

  40. Reddingius T. Oorlogsgeneeskunde. Richtlijnen voor dewerkzaamheden van den arts op het terrein van het ongeval. Geneesk TijdschrNed Ind 1942; 82: 151-4.

  41. Kopp JG. Ervaringen op het gebied der oorlogschirurgie.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1941; 81: 931-43.

  42. Colaço Belmonte A. Oorlogschirurgische ervaringenin Finland. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1942; 82: 155-87.

  43. Kuijjer PJ. In memoriam prof.dr.L.D.Eerland.Ned Tijdschr Geneeskd 1977; 121;1279-80.

  44. Kuijjer PJ. Prof.Dr.L.D.Eerland 50 jaar arts.Ned Tijdschr Geneeskd 1971; 115:2078-9.

  45. Bonne C. Bij het vertrek van Prof.Dr.L.D.Eerland. GeneeskTijdschr Ned Ind 1937; 77: 3009.

  46. Eerland LD. Gezwellen van wang- en halsstreek. GeneeskTijdschr Ned Ind 1937; 77: 298-9.

  47. Eerland LD. Homeoplastiek. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1928;68: LXI.

  48. Eerland LD. Elephantiasis. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1930;70: 403.

  49. Eerland LD. Gesteelde beenlap plastiek. Geneesk TijdschrNed Ind 1929; 69: 832-3.

  50. Klopper S, Raalten CWH van. In memoriam A.M.Collet.Ned Tijdschr Geneeskd 1966; 110:1123.

  51. Collet AM. Plastische operaties aan het aangezicht.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1935; 75: 999-1002.

  52. Senduk RCL. Mucocele. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1938; 78:2978.

  53. Zuidema PJ. W.M.Pruijs 80 jaar.Ned Tijdschr Geneeskd 1981; 125:2122-3.

  54. Pruys WM. Antethoracale oesophagoplastiek. GeneeskTijdschr Ned Ind 1939; 79: 405-16.

  55. Wiersema JS, Pruys WM. Antethoracale oesophagoplastiek.Ned Tijdschr Geneeskd 1939; 83:1931-9.

  56. Renes GJ. In memoriam Jakob Wiersema.Ned Tijdschr Geneeskd 1981; 125:644-5.

  57. Kopp JG. Totale larynx-pharynx en oesophagus-extirpatie.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1932; 72: 992.

  58. Esser JFS. Sogenannte totale Oesophagusplastik ausHautlappen nach Thiersch ohne Verwendung von Darmschlinge. Dtsch Z Chir 1917;142: 403-10.

  59. Pruys WM. Huidcarcinoom aan het behaarde hoofd. GeneeskTijdschr Ned Ind 1936; 76: 2919.

  60. Permadi M. Melanosarcomen. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1930;70: 835.

  61. Soekarjo M. Brandwonden. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1933;73: 55.

  62. Soekarjo M. Ooglidreconstructie. Geneesk Tijdschr Ned Ind1933; 73: 1007-8.

  63. Soekarjo M. Penis plastiek. Geneesk Tijdschr Ned Ind1936; 76; 2681-2.

  64. Soetomo Tjokronegoro. Verbranding door blikseminslag.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1937; 77: 953-6.

  65. Pattiradjawane. Ulcererende tumor gelaat. GeneeskTijdschr Ned Ind 1937; 77: 2752.

  66. Sie Boen Lian. Plastiek met een wandelende (ronde) steelin de oogheelkunde. Geneesk Tijdschr Ned Ind 1941; 81: 2781-4.

  67. Tjiong Njan Han. De hazenlipoperatie volgens Veau.Geneesk Tijdschr Ned Ind 1939; 79: 3034-45.

Auteursinformatie

Ziekenhuis Leyenburg, afd. Plastische en Reconstructieve Chirurgie, Leyweg 275, 2545 CH 's-Gravenhage.

Dr.B.Haeseker, plastisch chirurg.

Gerelateerde artikelen

Reacties