Vermeende effecten van doping in de wielersport

Klinische praktijk
H. Kuipers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2643-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Naar aanleiding van recente dopingschandalen bij wielrenners wordt wel beweerd dat wielrennen op topniveau niet zonder farmacologische ondersteuning mogelijk is.

- Een van de belangrijkste voorwaarden om een Tour de France succesvol te kunnen rijden is het kunnen handhaven van de energiebalans. Ter compensatie van het dagelijkse energieverbruik van 23-25 MJ kan conventionele vaste voeding worden aangevuld met vloeibare voeding. Voor een optimaal herstel van de koolhydraatvoorraden in lever en spieren is snelle toediening van vloeibare koolhydraten essentieel.

- Androgene anabole steroïden zijn een veelgebruikte dopingvorm. Bij duursporten is geen positief effect op duurprestaties gevonden en ook voor een versneld herstel is weinig evidentie.

- Ofschoon gebruik van epoëtine de maximale zuurstofopname kan verhogen, zijn de effecten op het maximale vermogen minder groot dan algemeen wordt verondersteld. Er bestaat geen relatie tussen hemoglobineconcentratie en sportprestatie.

- Van groeihormoon is eerder een negatieve dan een positieve invloed op de sportprestatie gevonden.

- Een deel van het dopingprobleem berust op bijgeloof, geruchten en onvoldoende kennis bij begeleiders. Dit leidt regelmatig tot kwakzalverij.

- Scholing en kwaliteitsbewaking bij werkers in de sport, onder wie ook artsen, kunnen het dopingprobleem beter controleerbaar maken.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2643-5

In de zomer van 2006 werd de sportwereld opgeschrikt door enkele spraakmakende dopingschandalen, onder andere in het wielrennen. In de discussie rond de van dopinggebruik beschuldigde Tourwinnaar Floyd Landis werden beweringen gehoord dat de Tour de France niet succesvol zonder doping uitgereden, laat staan gewonnen zou kunnen worden. De bewering dat een wedstrijd zoals de Tour de France niet zonder medische en farmacologische ondersteuning mogelijk zou zijn, is niet nieuw. Al in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen amfetamine het belangrijkste dopingmiddel was, werden soortgelijke beweringen gehoord. Dat werd ook als rechtvaardiging voor het gebruik aangevoerd en soortgelijke geluiden worden ook nu gehoord om het gebruik van modernere, hormonale vormen van doping te rechtvaardigen.

fysiologische aspecten van de tour de france

Bij de Tour de France moeten de renners 3 weken achtereen fietsen, waarbij de afstand per dag gemiddeld boven de 170 km ligt en waarbij zij soms meerdere bergpassen moeten overwinnen. De energiebehoefte varieert van 23-25 MJ per dag en het kunnen handhaven van de energiebalans en de beschikbaarheid van koolhydraten tijdens inspanning zijn van cruciaal belang om een dergelijke zware etappewedstrijd met succes te kunnen rijden.1

Het in evenwicht houden van energietoevoer en -behoefte kan alleen bereikt worden door naast conventionele voeding gebruik te maken van vloeibare, energierijke dranken.2 Tijdens de inspanning zelf bestaan de energiedranken vooral uit koolhydraten, terwijl in de herstelfase aan de koolhydraten een kleine hoeveel eiwit kan worden toegevoegd. Daardoor wordt de endogene insulinesecretie gestimuleerd en de resynthese van spier- en leverglycogeen geoptimaliseerd.1 3 De combinatie van koolhydraat en eiwit heeft daarnaast een positief effect op de eiwitbalans.4 Gegevens uit onderzoeken naar herstel van glycogeen wijzen erop dat extra toediening van exogeen insuline samen met koolhydraten geen verdere verhoging van glycogeensynthese geeft.3 Daarom kan men zich afvragen of insuline wel op de dopinglijst thuishoort. Belangrijk voor een snel herstel van de energievoorraden is niet alleen de samenstelling, maar ook de timing van de koolhydraattoediening. Juist gedurende de eerste uren na de inspanning is de capaciteit van glycogeensynthese het grootst.5

ergogene, dat wil zeggen prestatiebevorderende effecten van enkele dopingmiddelen

Uit cijfers van het Wereldantidopingagentschap (WADA) blijkt dat de meest gevonden dopingmiddelen androgene anabole steroïden en epoëtine zijn (www.wada-ama.org). Omdat niet alle verboden stoffen goed op te sporen zijn, worden er naast deze middelen waarschijnlijk nog groeihormoon, insuline en bloeddoping gebruikt.

Androgene anabole steroïden

Het gebruik van androgene anabole steroïden leidt bij krachtsporters tot betere prestaties dan toediening van placebo.6 Daarom zijn anabole steroïden vooral populair bij sportdisciplines waar kracht en spiermassa een belangrijke factor vormen. Uit verschillende experimentele studies kan worden afgeleid dat het gebruik van androgene anabole steroïden bij mannelijke wielrenners weinig of niet bijdraagt aan het prestatievermogen.6 Ook voor een vermeend stimulerend effect op het herstel van atleten is weinig evidentie.6

Epoëtine of bloed

Een vorm van doping die de laatste tijd veel aandacht heeft gekregen, is het gebruik van epoëtine (‘epo’) en infusie van autoloog bloed (‘bloeddoping’). De gedachtegang daarbij is dat een verhoging van de hemoglobineconcentratie leidt tot een hogere maximale zuurstofopname en daarom een positief effect zal hebben op prestaties waarbij een hoge maximale zuurstofopname een belangrijke bepalende factor is. Deze veronderstelling wordt door experimentele studies ondersteund.7 8 In een dubbelblinde, placebogecontroleerde studie werd een stapsgewijs opklimmend protocol voor inspanning op een fietsergometer gebruikt en werd de volhoudtijd als uitkomstmaat gebruikt.8 In de placebogroep werd een statistisch niet significante toename van de volhoudtijd gevonden en in de epogroep een statistisch significante toename van 1 min. Vertaald naar een toename in maximaal vermogen is dit ongeveer 25 W, terwijl het maximale vermogen in de placebogroep met 17 W was toegenomen. In een andere, niet dubbelblinde studie bij atleten werd een vergelijkbare toename in maximaal vermogen (24 W) gevonden.9 Ofschoon deze toenamen gering zijn en binnen de normale spreiding vallen,10 heerst in de sportwereld het diepgewortelde idee dat iedere verhoging van het Hb tot aanzienlijk betere sportprestaties leidt. Een studie bij langlaufers lijkt dit te ondersteunen, omdat men bij ‘toppers’ hogere hemoglobinewaarden vond dan bij atleten met een lagere klassering.11 Daarentegen werd in een studie bij topschaatsers geen enkel verband gevonden tussen klassering en hemoglobineconcentratie,12 terwijl juist bij schaatsen een sterk beroep op de maximale zuurstofopname wordt gedaan13 en een positief verband tussen Hb en prestatie mag worden verwacht. De resultaten bij de schaatsers stemmen overeen met een studie waarbij werd gevonden dat de totale massa van hemoglobine niet samenhing met de maximale zuurstofopname bij atleten, onder wie wielrenners.14 Deze gegevens lijken het idee dat hogere Hb-waarden tot betere sportprestaties leiden, niet te steunen.

Een vraag die dan opkomt, is wat de optimale hemoglobineconcentratie bij atleten is.15 Een toename van het hematocriet leidt tot een toename van de viscositeit en een verminderde capillaire doorstroming. De berekende hematocrietwaarde voor een optimaal compromis tussen hematocriet en capillaire doorstroming ligt rond het gemiddelde van de normale, gezonde populatie.16 Een diersoort zoals het paard kan het hematocriet door miltcontractie verhogen van 0,45 in rust naar 0,64 tijdens inspanning. Echter, de erytrocyten van het paard zijn niet alleen de helft kleiner dan die bij de mens, ze zijn bovendien flexibeler, waardoor de viscositeit bij dit dier bij een hogere hematocriet minder toeneemt dan bij de mens.17 Al met al lijken de beschikbare gegevens erop te wijzen dat de relatie tussen toename in hematocriet of hemoglobine minder eenduidig is dan veelal wordt gedacht.

Groeihormoon

Een andere stof die naar alle waarschijnlijkheid ook in het wielerpeloton wordt gebruikt, is menselijk groeihormoon (hGH). Omdat detectie nog problematisch is, verhoogt dit waarschijnlijk de aantrekkelijkheid. Ofschoon hGH volgens de geruchten een prestatie- en herstelbevorderend effect zou hebben, wijzen experimentele studies eerder op het tegendeel.18 19 Dit sluit aan bij klinische waarnemingen bij patiënten met acromegalie, die hebben namelijk een verhoogde productie van groeihormoon en onder andere een gestoorde spierfunctie.

epiloog

Voor de bewering dat het succesvol deelnemen aan de Tour de France alleen maar met farmacologische ondersteuning mogelijk is, is weinig wetenschappelijke onderbouwing. Een groot deel van de vermeende effecten van doping berust op placebo-effect en uitspraken als zou de Tour niet zonder doping mogelijk zijn, zijn voor een groot deel gebaseerd op geruchten, traditie en eigen interpretatie. Dergelijke diepgewortelde opvattingen zijn moeilijk uit te roeien, zeker wanneer werkers in de sport, die als autoriteit worden gezien, dergelijke opvattingen blijven herhalen. Ook bij de atleten zelf ontstaat snel argwaan wanneer een andere atleet opeens beter presteert.

Zolang dergelijke, weinig onderbouwde opvattingen in de sport bestaan, zal de cultuur niet veranderen en zal doping in sommige sporten een moeilijk beheersbaar probleem blijven. Artsen die werkzaam zijn in de sport kunnen een belangrijke rol spelen, want zij worden door de sportwereld als autoriteit gezien, ook al zijn de meesten daarvoor niet specifiek opgeleid. Omdat er in de sport geen kwaliteitsbewaking van artsen en begeleiders is, verdient professionalisering van de sportmedische begeleiding aandacht. Vermeld dient te worden dat het voor bonafide artsen niet altijd eenvoudig is om in de sport te werken. Allereerst wordt in de medische opleiding, met uitzondering van de opleiding tot sportarts, weinig of geen aandacht besteed aan sportmedische begeleiding en gebruik en effecten van stimulerende middelen. Daarnaast kan een arts die in de sport werkzaam is gemakkelijk door de omgeving onder druk worden gezet, omdat men van de arts verwacht dat deze de atleten begeleidt volgens de heersende opvattingen over wat wel en niet nodig en gebruikelijk is in de betreffende sport. De praktijk leert dat de medisch-ethische normen in de sport nogal eens rekbaar worden gehanteerd. Uit verklaringen van wielrenners en andere atleten blijkt dat er soms medische handelingen worden verricht, ook door niet-artsen, die als kwakzalverij moeten worden aangeduid (www.cyclingnews.com/features/chain2.shtml).

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Lucia A, Earnest C, Arribas C. The Tour de France: a physiological review. Scand J Med Sci Sports. 2003;13:275-83.

  2. Saris WHM. Limits of human endurance: lessons from the Tour de France. In: Kinney JM, Tucker HN, editors. Physiology, stress and malnutrition: functional correlates, nutritional interventions. New York: Lippincott; 1997. p. 451-62.

  3. Loon LJC van, Saris WHM, Kruijshoop M, Wagenmakers AJM. Maximizing postexercise muscle glycogen synthesis: carbohydrate supplementation and the application of amino acid or protein hydrolysate mixtures. Am J Clin Nutr. 2000;72:106-11.

  4. Koopman R, Pannemans DL, Jeukendrup AE, Gijsen AP, Senden JM, Halliday D, et al. Combined ingestion of protein and carbohydrate improves protein balance during ultra-endurance exercise. Am J Physiol Endocrinol Metab. 2004;287:E712-20.

  5. Ivy JL, Katz AL, Cutler CL, Sherman WM, Coyle EF. Muscle glycogen synthesis after exercise: effect of time of carbohydrate ingestion. J Appl Physiol. 1988;64:1480-5.

  6. Hartgens F, Kuipers H. Effects of androgenic-anabolic steroids in athletes. Sports Med. 2004;34:513-54.

  7. Ekblom B, Berglund B. Effect of erythropoietin administration on maximal aerobic power. Scand J Med Sci Sports. 1991;1:88-93.

  8. Birkeland KI, Stray-Gundersen J, Hemmersbach P, Hallen J, Haug E, Bahr R. Effect of rhEPO administration on serum levels of sTfR and cycling performance. Med Sci Sports Exerc. 2000;32:1238-43.

  9. Audran M, Gareau R, Matecki S, Durand F, Chenard C, Sicart MT, et al. Effect of erythropoietin administration in training athletes and possible indirect detection in doping control. Med Sci Sports Exerc. 1999;31:639-45.

  10. Kuipers H, Verstappen FT, Keizer HA, Geurten P, Kranenburg G van. Variability of aerobic performance in the laboratory and its physiologic correlates. Int J Sports Med. 1985;6:197-201.

  11. Stray-Gundersen J, Videman T, Penttilä I, Lereim I. Abnormal hematologic profiles in elite cross-country skiers: blood doping or? Clin J Sport Med. 2003;13:132-7.

  12. Kuipers H, Moran J, Dubravcic-Simunjak S, Mitchell DW, Shobe J, Sakai H, et al. Hemoglobin level in elite speed skaters from 2000 up to 2005, and its relationship with competitive results. Int J Sports Med. ter perse.

  13. Foster C, Koning J de. Physiological perspectives of speed skating. In: Gemser H, Koning J de, Ingen Schenau GJ van, editors. Handbook of competitive speed skating. Lausanne: International Skating Union; 1999. p. 117-37.

  14. Robinson Y, Cristancho E, Böning D. Intravascular hemolysis and mean red blood cell age in athletes. Med Sci Sports Exerc. 2006;38:480-3.

  15. Schmidt W, Biermann B, Winchenbach P, Lison S, Böning D. How valid is the determination of hematocrit values to detect blood manipulations? Int J Sports Med. 2000;21:133-8.

  16. Villafuerte FC, Cardenas R, Monge-C C. Optimal hemoglobin concentration and high altitude: a theoretical approach for Andean men at rest. J Appl Physiol. 2004;96:1581-8.

  17. Wood SC, Fedde MR. Effects of racing and gender on viscoelastic properties of horse blood. Respir Physiol. 1997;107:165-72.

  18. Kraemer WJ, Bradley C, Nidl C, Rubin MR. Growth hormone: physiological effects of exogenous administration. In: Bahrke MS, Yesalis CE, editors. Performance enhancing substances in sport and exercise. Champaign: Human Kinetics; 2002. p. 65-78.

  19. Dean H. Does exogenous growth hormone improve athletic performance? Clin J Sport Med. 2002;12:250-3.

Auteursinformatie

Universiteit Maastricht, vakgroep Bewegingswetenschappen, Postbus 616, 6200 MD Maastricht.

Contact Hr.prof.dr.H.Kuipers, arts-fysioloog (harm.kuipers@bw.unimaas.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties