Variatie in beleid bij vermoeden op scafoïdfractuur

Onderzoek
Wouter H. Mallee
Ewout S. Veltman
Job N. Doornberg
Leendert Blankevoort
C. Niek van Dijk
J. Carel Goslings
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A4514
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Deze studie heeft het doel om het beleid bij patiënten met een vermoeden op een scafoïdfractuur in Nederlandse ziekenhuizen te evalueren en te vergelijken met de aanbevelingen uit de huidige literatuur.

Opzet

Enquête-onderzoek.

Methode

In Nederlandse ziekenhuizen werden artsen die werkzaam waren op de Spoedeisende Hulp gevraagd om een enquête in te vullen van 8 vragen over diagnostische strategieën, het type behandeling en de tijd tussen verschillende stappen van het beleid.

Resultaten

Van de 100 benaderde ziekenhuizen vulden artsen uit 90 ziekenhuizen de enquête in. Van deze 90 ziekenhuizen was bij 71 het beleid in een protocol vastgelegd. Bij de overige 19 was dat afhankelijk van de voorkeur van de behandelend arts. Bij 75 ziekenhuizen werd poliklinische controle binnen 10 dagen afgesproken. In 70 ziekenhuizen werden de röntgenfoto’s herhaald vóór aanvullend beeldvormend onderzoek. Als aanvullend onderzoek werd in 35 ziekenhuizen de CT het meest gebruikt, gevolgd door botscintigrafie (12) en MRI (2). In 11 ziekenhuizen werd geen aanvullend onderzoek verricht en werd de behandeling bij niet-afwijkende röntgenfoto’s voortgezet op basis van klinische evaluatie. In 72 ziekenhuizen werd de pols geïmmobiliseerd met een onderarmsgips met inclusie van de duim. Een onderarmsgips zonder inclusie van de duim werd door 1 ziekenhuis toegepast.

Conclusie

Er is een grote variatie tussen de Nederlandse ziekenhuizen in de diagnostiek en behandeling van patiënten met het vermoeden op een scafoïdfractuur. Daarnaast is het beleid in de meeste ziekenhuizen niet volgens de recentste aanbevelingen. Er is behoefte aan een evidence-based richtlijn zodat overdiagnostiek en onnodige immobilisatie beperkt kunnen worden.

Inleiding

Het os scaphoideum speelt een belangrijke rol bij alle bewegingen van de pols. Beperking van de bewegingscapaciteit van het os scaphoideum zal dan ook ernstige gevolgen hebben voor de functie van de hand. Bij trauma van de hand heeft 7% van de patiënten een scafoïdfractuur.1 Er rijst een klinisch vermoeden op een scafoïdfractuur wanneer palpatie van de tabatière anatomique en axiale druk op de 1e straal van de hand pijnlijk zijn.2 Op de eerste röntgenfoto’s van de pols kan de fractuur soms nog niet worden gezien. Bij het vermoeden op een scafoïdfractuur met röntgenfoto’s waarop geen fractuur te zien is, heeft 16% van de patiënten alsnog een fractuur.3,4

Adequate diagnose en behandeling van scafoïdfracturen zijn belangrijk voor een goede genezing en herstel van de polsfunctie en om het risico op ‘non-union’ te minimaliseren.5-7 Vanwege het risico op complicaties bij onderbehandeling en vanwege de lage sensitiviteit van de röntgenfoto’s wordt de hand ook geïmmobiliseerd wanneer er wel een vermoeden op een scafoïdfractuur bestaat, maar op de röntgenfoto’s geen fractuur zichtbaar is.8-10 Dit houdt in dat bij 5 van de 6 patiënten de hand onterecht geïmmobiliseerd wordt, met alle gevolgen van dien voor de dagelijkse activiteiten.11,12

Diagnostiek Er is bij dit probleem behoefte aan een structurele aanpak om overbehandeling te minimaliseren. Het gebrek aan consensus over diagnostiek en behandeling van scafoïdfracturen staat de ontwikkeling van een protocol echter in de weg. Een van de diagnostische problemen bij het vermoeden op een scafoïdfractuur is de keuze van het aanvullend beeldvormend onderzoek. In ziekenhuizen varieert de keuze van aanvullend onderzoek van botscintigrafie, MRI en CT tot het herhalen van de röntgenfoto’s. Al deze methodes zijn geëvalueerd als diagnostisch hulpmiddel bij het vermoeden op een scafoïdfractuur.13-20 Vanwege de uiteenlopende eigenschappen van deze modaliteiten is het moeilijk een definitieve keuze te maken. Daarnaast speelt de beschikbaarheid van de apparatuur ook een rol.

Behandeling De behandeling van scafoïdfracturen is ook onderwerp van discussie. Wanneer er het vermoeden bestaat op een scafoïdfractuur, moet het os scaphoideum geïmmobiliseerd worden totdat een definitieve diagnose is gesteld. Immobilisatie is mogelijk met een circulair onderarmsgips met of zonder inclusie van de duim (respectievelijk klassiek scafoïdgips en collesgips) of door middel van een spalk.21,22 Hoewel 1 niveau 1-studie en een niveau 4-studie suggereren dat een collesgips geschikt is voor de immobilisatie van een scafoïdfractuur, blijkt uit recente studies dat het klassieke gips nog steeds veel toegepast wordt. Dit gips geeft echter meer functiebeperkingen.21-23

Het aantal röntgenfoto’s dat bij eerste presentatie genomen wordt, de timing van aanvullend beeldvormend onderzoek en het moment van poliklinische controle staan ook ter discussie. Het meeste hiervan is nooit onderzocht in studieverband. Gezien het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing en consensus mag verwacht worden dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen ziekenhuizen. Eerdere studies lieten ook al variatie tussen behandelprotocollen zien, maar deze studies concentreerden zich vooral op het beeldvormend onderzoek bij occulte scafoïdfracturen.8-10

Het doel van deze studie was om de huidige dagelijkse praktijk van de diagnostiek en initiële behandeling van scafoïdfracturen binnen de Nederlandse gezondheidszorg te evalueren. Het huidige beleid in Nederland werd vergeleken met de recentste aanbevelingen uit de literatuur. Onze hypothese was dat er een grote variatie bestaat tussen de Nederlandse ziekenhuizen wat betreft de keuze van beeldvormend onderzoek, manier van immobilisatie en de tijd tussen de eerste presentatie en uiteindelijke diagnose.

Methode

Om te achterhalen wie verantwoordelijk was voor het diagnostisch en behandelprotocol van scafoïdfracturen, namen wij contact op met het medisch hoofd van de Spoedeisende Hulp (SEH) van alle ziekenhuizen in Nederland. Wanneer het hoofd van de SEH niet bereikbaar was, werd een orthopedisch chirurg, traumachirurg of SEH-arts gevraagd mee te werken aan het onderzoek mits zij voldoende kennis van het protocol hadden. We stelden een enquête samen van 8 vragen. De vragenlijst werd verstuurd via e-mail (tabel 1). Artsen die de vragenlijst niet terugstuurden, werden herhaaldelijk telefonisch benaderd met intervallen van 2 weken om een hoge respons te garanderen. In de periode februari-april 2010 werden 90 academische ziekenhuizen en regioziekenhuizen met een SEH geïncludeerd.

Figuur 1

Resultaten

Van de 100 benaderde ziekenhuizen werd de enquête door artsen uit 90 ziekenhuizen beantwoord. Traumachirurgen stonden het vaakst aan het hoofd van de SEH (30%) gevolgd door SEH-artsen (27%) en de orthopedisch chirurgen (14%) (tabel 2).

Figuur 2

In 71 van de 90 van de ziekenhuizen (79%) was een protocol voor diagnostiek en behandeling van scafoïdfracturen op de SEH aanwezig. In de overige 19 ziekenhuizen (21%) was het beleid afhankelijk van de dienstdoende arts.

Het aantal initiële röntgenfoto’s varieerde van 2-6. Dat gebeurde het meest in 4 richtingen (42 ziekenhuizen; 47%), en in 3 richtingen (32 ziekenhuizen; 36%) (tabel 3).

Figuur 3

Immobilisatie van het os scaphoïdeum gebeurde in 72 ziekenhuizen (80%) met een klassiek scafoïdgips (met inclusie van de duim). Slechts in 1 ziekenhuis (1%) werd gebruik gemaakt van het collesgips (tabel 4). Bij de overige 17 ziekenhuizen werd een spalk aangelegd.

Figuur 4

In 75 ziekenhuizen (83%) vond poliklinische controle 7-10 dagen na de SEH-presentatie plaats. Bij 9 ziekenhuizen (10%) gebeurde dit na 10-14 dagen. In 3 ziekenhuizen (3%) werd de patiënt poliklinisch teruggezien binnen 7 dagen na het trauma en in de andere 3 ziekenhuizen werden patiënten pas voor controle gezien nadat het os scaphoideum 6 weken geïmmobiliseerd was geweest.

In 70 ziekenhuizen (78%) werden de röntgenfoto’s herhaald voordat een ander soort beeldvormend onderzoek (CT, MRI of botscintigrafie) werd aangevraagd. Bij 65 ziekenhuizen (93%) werden de röntgenfoto’s herhaald binnen 2 weken na de eerste presentatie.

Van de verschillende modaliteiten was CT de eerste keuze in 35 ziekenhuizen (39%), gevolgd door botscintigrafie in 12 ziekenhuizen (13%). MRI was de eerste keus in 2 ziekenhuizen (2%). In de overige ziekenhuizen werd de methode van beeldvormend onderzoek bepaald door de beschikbaarheid van de radiologische faciliteiten en de voorkeur van de behandelend arts. De keuze van de behandeld arts was tussen CT en botscintigrafie in 15 ziekenhuizen (17%), tussen MRI en CT in 8 ziekenhuizen (9%), en tussen botscintigrafie en MRI in 3 ziekenhuizen (3%). Er was geen voorkeur voor CT, MRI of botscintigrafie in 4 ziekenhuizen (4%), terwijl in 11 ziekenhuizen (12%) nooit een andere vorm van beeldvormend onderzoek dan röntgenfoto’s werd ingezet (tabel 5).

Figuur 5

Beschouwing

Deze studie laat een grote variatie zien tussen de Nederlandse ziekenhuizen wat betreft diagnostiek en behandeling van een patiënt met het vermoeden op een scafoïdfractuur. Dit is in overeenstemming met vergelijkbare studies die in andere landen zijn uitgevoerd.8-10,24 In tegenstelling tot deze studies heeft 79% van Nederlandse ziekenhuizen een protocol voor het beleid bij het vermoeden op een scafoïdfractuur. In de overige ziekenhuizen is de keuze voor diagnostiek en behandeling van dit type fractuur afhankelijk van de voorkeur van de behandelend specialist. Deze voorkeur is onder andere afhankelijk van de beschikbaarheid van beeldvormende modaliteiten op het moment van presentatie van de patiënt. CT is over het algemeen ruimer beschikbaar dan botscintigrafie of MRI.

Beeldvormend onderzoek De grote diversiteit in het gekozen aanvullend beeldvormend onderzoek bij patiënten bij wie het vermoeden bestaat op een scafoïdfractuur, wordt mogelijk verklaard door het gebrek aan consensus tussen verschillende studies. Er zijn voorstanders van het gebruik van CT,18,25-28 maar ook mensen die pleiten voor het inzetten van MRI,28,29-31 en van botscintigrafie.14,29,31,32 Het gebrek aan consensus blijkt ook uit onze resultaten. CT is eerste keus voor aanvullend onderzoek in 39% van de ziekenhuizen. Daarnaast behoort CT in 30% van de ziekenhuizen tot een van de mogelijke modaliteiten; uiteindelijke keuze is afhankelijk van de behandeld arts.

Uit onze studie werd duidelijk dat de röntgenfoto’s in 78% van de ziekenhuizen werden herhaald voordat een ander type beeldvormend onderzoek werd aangevraagd. Eerdere onderzoeken naar kosteneffectiviteit bij dit type fractuur suggereren dat het snel inzetten van aanvullend beeldvormend onderzoek (binnen 5 dagen) niet gepaard gaat met hogere kosten voor de gezondheidszorg. Daarnaast wordt op deze manier onnodige immobilisatie beperkt, waardoor patiënten minder gehinderd worden in hun dagelijkse activiteiten. Zo kunnen uiteindelijk ook de maatschappelijke kosten verminderd worden.12,33,34 In geen van de Nederlandse ziekenhuizen wordt dit beleid echter toegepast. Mogelijk is het in de Nederlandse ziekenhuizen op micro-economisch niveau ongunstig om op dezelfde DBC meer aanvullende diagnostiek aan te vragen bij een klinisch vermoeden op een scafoïdfractuur. Macro-economisch blijkt snelle mobilisatie van de patiënt na uitsluiten van een scafoïdfractuur met duurder aanvullend beeldvormend onderzoek voordeliger.12

Een recente systematische review en meta-analyse heeft laten zien dat MRI en CT bij het vermoeden op een scafoïdfractuur een significant betere specificiteit hebben dan botscintigrafie.28 In 1 van de 2 prospectieve studies waar CT en MRI direct vergeleken waren, werd MRI geadviseerd in verband met een superieure accuratesse.35 Vergelijkbare buitenlandse studies naar de variëteit van beleid en diagnostiek van scafoïdfracturen laten zien dat MRI in 41-58% van de ziekenhuizen wordt toegepast in de Verenigde Staten, Engeland en Australië.8-10

In onze studie valt op dat MRI slechts in 2% van Nederlandse ziekenhuizen het onderzoek van eerste keus is en in 17% tot een van de opties behoort. Dit verschil kan worden verklaard door de beperktere beschikbaarheid en de hogere kosten van MRI in Nederland en door de voorkeur van Nederlandse artsen. Daarentegen heeft MRI wel het voordeel dat hiermee pathologische afwijkingen van de weke delen beter in beeld gebracht kunnen worden. De klinische relevantie in de acute fase is tot op heden nog onduidelijk.

Immobilisatie Verschillende studies laten zien dat een collesgips voldoende immobilisatie geeft voor de behandeling van scafoïdfracturen. Dit gips heeft als voordeel dat het de patiënt minder beperkt in zijn handelen gedurende de lange immobilisatie van de pols, doordat de duim niet geïncludeerd wordt.21,22 Traditionele biomechanische en klinische studies raden echter gipsimmobilisatie aan, waarbij de patiënt meer beperkt wordt.36,37 In overeenstemming met deze visie werd in nagenoeg alle responderende ziekenhuizen het klassieke gips toegepast om te immobiliseren. Gerandomiseerde gecontroleerde trials kunnen het antwoord geven op de beste methode van immobilisatie bij een fractuur van het os scaphoideum.

Bias Lage respons is een bekend nadeel van enquêteonderzoek en kan een aanzienlijke bias veroorzaken. Een van de sterke punten van ons onderzoek is de hoge respons van 90%, waar vergelijkbare studies slechts een respons haalden van 16-73%.8-10 Door de hoge respons geeft deze studie een waarheidsgetrouw overzicht van de variabiliteit van de huidige klinische praktijk in Nederland.

Aan de hand van onze onderzoeksresultaten en de recentste literatuur hebben wij een stroomdiagram gemaakt met een suggestie voor het beleid bij patiënten met het vermoeden op een scafoïdfractuur (figuur 1). Dit zou een opzet kunnen zijn voor het ontwikkelen van een landelijke richtlijn.

Figuur 6

Conclusie

Tussen Nederlandse ziekenhuizen bestaat een grote variatie in het beleid bij het vermoeden op scafoïdfractuur. Hoewel de diagnostiek in de Nederlandse praktijk altijd veel wetenschappelijke aandacht heeft genoten,13,16,18,19,20,38,39 ontbreekt tot op heden een landelijke richtlijn. Verder onderzoek moet niet alleen als doel hebben om een evidence-based consensus te bereiken over beeldvormend onderzoek, maar ook over immobilisatie. Het is belangrijk een richtlijn te ontwerpen waarin vroege diagnostiek en adequate behandeling van occulte scafoïdfracturen gebaseerd worden op de recentste literatuur. Dit zal onnodige immobilisatie van patiënten voorkomen en mogelijk de kosten reduceren.

Leerpunten

Bij een klinisch vermoeden op een scafoïdfractuur heeft tot 16% van de patiënten met niet-afwijkende röntgenfoto’s toch een fractuur.

In verband met inadequate röntgenfoto’s en het risico op complicaties, wordt de pols ook bij niet-afwijkende röntgenfoto’s geïmmobiliseerd met een gips; het is niet bekend welke methode hier het geschiktst voor is.

De keuze voor beeldvormend onderzoek bij een patiënt met een vermoeden op een scafoïdfractuur verschilt sterk tussen ziekenhuizen.

Immobilisatie gebeurt meestal met een klassiek scafoïdgips, dit is met inclusie van de duim.

Het ontbreekt tot op heden aan een richtlijn voor vroege diagnostiek en adequate behandeling bij het vermoeden op een scafoïdfractuur.

Literatuur
  1. Hove LM. Epidemiology of scaphoid fractures in Bergen, Norway. Scand J Plast Reconstr Surg Hand Surg. 1999;33:423-6 Medline. doi:10.1080/02844319950159145

  2. Kumar S, O’Connor A, Despois M, Galloway H. Use of early magnetic resonance imaging in the diagnosis of occult scaphoid fractures: the CAST Study (Canberra Area Scaphoid Trial). N Z Med J. 2005;118:U1296 Medline.

  3. Hunter JC, Escobedo EM, Wilson AJ, Hanel DP, Zink-Brody GC, Mann FA. MR imaging of clinically suspected scaphoid fractures. AJR Am J Roentgenol. 1997;168:1287-93 Medline.

  4. Jenkins PJ, Slade K, Huntley JS, Robinson CM. A comparative analysis of the accuracy, diagnostic uncertainty and cost of imaging modalities in suspected scaphoid fractures. Injury. 2008;39:768-74 Medline. doi:10.1016/j.injury.2008.01.003

  5. Arora R, Gschwentner M, Krappinger D, Lutz M, Blauth M, Gabl M. Fixation of nondisplaced scaphoid fractures: making treatment cost effective. Prospective controlled trial. Arch Orthop Trauma Surg. 2007;127:39-46 Medline. doi:10.1007/s00402-006-0229-z

  6. Dias JJ, Wildin CJ, Bhowal B, Thompson JR. Should acute scaphoid fractures be fixed? A randomized controlled trial. J Bone Joint Surg Am. 2005;87:2160-8 Medline. doi:10.2106/JBJS.D.02305

  7. Waitayawinyu T, McCallister WV, Katolik LI, Schlenker JD, Trumble TE. Outcome after vascularized bone grafting of scaphoid nonunions with avascular necrosis. J Hand Surg Am. 2009;34:387-94 Medline. doi:10.1016/j.jhsa.2008.11.023

  8. Brookes-Fazakerley SD, Kumar AJ, Oakley J. Survey of the initial management and imaging protocols for occult scaphoid fractures in UK hospitals. Skeletal Radiol. 2009;38:1045-8 Medline. doi:10.1007/s00256-008-0640-3

  9. Groves AM, Kayani I, Syed R, et al. An international survey of hospital practice in the imaging of acute scaphoid trauma. AJR Am J Roentgenol. 2006;187:1453-6 Medline. doi:10.2214/AJR.05.0686

  10. Kelly AM. Initial management of potential occult scaphoid fracture in Australasia. Int J Emerg Med. 2010;3:45-7 Medline. doi:10.1007/s12245-009-0138-3

  11. Bretlau T, Christensen OM, Edstrom P, Thomsen HS, Lausten GS. Diagnosis of scaphoid fracture and dedicated extremity MRI. Acta Orthop Scand. 1999;70:504-8 Medline. doi:10.3109/17453679909000989

  12. Dorsay TA, Major NM, Helms CA. Cost-effectiveness of immediate MR imaging versus traditional follow-up for revealing radiographically occult scaphoid fractures. AJR Am J Roentgenol. 2001;177:1257-63 Medline.

  13. Tiel-van Buul MM, Roolker W, Verbeeten BW, Broekhuizen AH. Magnetic resonance imaging versus bone scintigraphy in suspected scaphoid fracture. Eur J Nucl Med. 1996;23:971-5 Medline. doi:10.1007/BF01084373

  14. Beeres FJ, Hogervorst M, Rhemrev SJ. den HP, Jukema GN. A prospective comparison for suspected scaphoid fractures: bone scintigraphy versus clinical outcome. Injury. 2007;38:769-74 Medline. doi:10.1016/j.injury.2006.12.009

  15. Beeres FJ, Rhemrev SJ, den Hollander P et al. Early magnetic resonance imaging compared with bone scintigraphy in suspected scaphoid fractures. J Bone Joint Surg Br. 2008;90:1205-9 Medline. doi:10.1302/0301-620X.90B9.20341

  16. Rhemrev SJ, de Zwart AD, Kingma LM, et al. Early computed tomography compared with bone scintigraphy in suspected scaphoid fractures. Clin Nucl Med. 2010;35:931-4 Medline. doi:10.1097/RLU.0b013e3181f9de26

  17. Adey L, Souer JS, Lozano-Calderon S, Palmer W, Lee SG, Ring D. Computed tomography of suspected scaphoid fractures. J Hand Surg Am. 2007;32:61-6 Medline. doi:10.1016/j.jhsa.2006.10.009

  18. Mallee W, Doornberg JN, Ring D, van Dijk CN, Maas M, Goslings JC. Comparison of CT and MRI for diagnosis of suspected scaphoid fractures. J Bone Joint Surg Am. 2011;93:20-8 Medline. doi:10.2106/JBJS.I.01523

  19. Beeres FJ, Hogervorst M, Kingma LM, Le CS, Coerkamp EG, Rhemrev SJ. Observer variation in MRI for suspected scaphoid fractures. Br J Radiol. 2008;81:950-4 Medline. doi:10.1259/bjr/72567977

  20. Tiel-van Buul MM, Roolker W, Broekhuizen AH, van Beek EJ. The diagnostic management of suspected scaphoid fracture. Injury. 1997;28:1-8 Medline. doi:10.1016/S0020-1383(96)00127-1

  21. Clay NR, Dias JJ, Costigan PS, Gregg PJ, Barton NJ. Need the thumb be immobilised in scaphoid fractures? A randomised prospective trial. J Bone Joint Surg Br. 1991;73:828-32 Medline.

  22. Schramm JM, Nguyen M, Wongworawat MD, Kjellin I. Does thumb immobilization contribute to scaphoid fracture stability? Hand (N Y). 2008;3:41-3. doi:10.1007/s11552-007-9067-x

  23. Petheram TG, Garg S, Compson JP. Is the scaphoid cast still alive? A survey of current UK practice in conservative management of scaphoid fractures. J Hand Surg Eur Vol. 2009;34:281-2 Medline. doi:10.1177/1753193408098908

  24. Chechik O, Rosenblatt Y. Management of clinically suspected scaphoid fractures: a survey of current practice in Israel. Isr Med Assoc J. 2009;11:225-8 Medline.

  25. Cruickshank J, Meakin A, Breadmore R, et al. Early computerized tomography accurately determines the presence or absence of scaphoid and other fractures. Emerg Med Australas. 2007;19:223-8 Medline. doi:10.1111/j.1742-6723.2007.00959.x

  26. Querellou S, Moineau G, Le Duc-Pennec A, et al. Detection of occult wrist fractures by quantitative radioscintigraphy: a prospective study on selected patients. Nucl Med Commun. 2009;30:862-7 Medline. doi:10.1097/MNM.0b013e3283306f87

  27. Ty JM, Lozano-Calderon S, Ring D. Computed tomography for triage of suspected scaphoid fractures. Hand. 2008;3:155-8. doi:10.1007/s11552-007-9077-8

  28. Yin ZG, Zhang JB, Kan SL, Wang XG. Diagnosing suspected scaphoid fractures: a systematic review and meta-analysis. Clin Orthop Relat Res. 2010;468:723-34 Medline. doi:10.1007/s11999-009-1081-6

  29. Foex B, Speake P, Body R. Best evidence topic report. Magnetic resonance imaging or bone scintigraphy in the diagnosis of plain x ray occult scaphoid fractures. Emerg Med J. 2005;22:434-5 Medline. doi:10.1136/emj.2005.025700

  30. Kawamura K, Chung KC. Treatment of scaphoid fractures and nonunions. J Hand Surg Am. 2008;33:988-97 Medline. doi:10.1016/j.jhsa.2008.04.026

  31. Pillai A, Jain M. Management of clinical fractures of the scaphoid: results of an audit and literature review. Eur J Emerg Med. 2005;12:47-51 Medline. doi:10.1097/00063110-200504000-00002

  32. Querellou S, Moineau G, Le Duc-Pennec A, et al. Detection of occult wrist fractures by quantitative radioscintigraphy: a prospective study on selected patients. Nucl Med Commun. 2009;30:862-7 Medline. doi:10.1097/MNM.0b013e3283306f87

  33. Patel NK, Davies N, Mirza Z, Watson M. Cost and clinical effectiveness of MRI in occult scaphoid fractures: a randomised controlled trial. Emerg Med J. 2012. [epub ahead of print].

  34. Brooks S, Cicuttini FM, Lim S, Taylor D, Stuckey SL, Wluka AE. Cost effectiveness of adding magnetic resonance imaging to the usual management of suspected scaphoid fractures. Br J Sports Med. 2005;39:75-9.

  35. Memarsadeghi M, Breitenseher MJ, Schaefer-Prokop C, et al. Occult scaphoid fractures: comparison of multidetector CT and MR imaging--initial experience. Radiology. 2006;240:169-76 Medline. doi:10.1148/radiol.2401050412

  36. Kawamura K, Chung KC. Treatment of scaphoid fractures and nonunions. J Hand Surg Am. 2008;33:988-97 Medline. doi:10.1016/j.jhsa.2008.04.026

  37. Pillai A, Jain M. Management of clinical fractures of the scaphoid: results of an audit and literature review. Eur J Emerg Med. 2005;12:47-51 Medline. doi:10.1097/00063110-200504000-00002

  38. Beeres FJ, Rhemrev SJ, Hogervorst M. den HP, Jukema GN. Scafoïdfracturen: diagnose en behandeling. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:742-7 NTvG.

  39. Buijze GA, Mallee WH, Beeres FJ, Hanson TE, Johnson WO, Ring D. Diagnostic performance tests for suspected scaphoid fractures differ with conventional and latent class analysis. Clin Orthop Relat Res. 2011;469:3400-7 Medline. doi:10.1007/s11999-011-2074-9

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

Afd. Orthopedie: drs. W.H. Mallee, arts-onderzoeker; E.S. Veltman, onderzoeker; dr. J.N. Doornberg, aios orthopedie; dr.ir. L. Blankevoort, universitair hoofddocent; prof.dr. C.N. van Dijk, orthopedisch chirurg.

Afd. Chirurgie, Traumatologie: prof.dr. J.C. Goslings, traumachirurg.

Contact drs. W.H. Mallee (w.h.mallee@amc.uva.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: L. Blankevoort en C.N. van Dijk ontvingen voor hun onderzoeksinstituut beurzen van Medical vision, Factory CRO, DJO, ICON, Biomet, Boehringer Ingelheim, Zimmer, Arthrosurface, Carbylan Biosurgery, Astellas, Stryker en GlaxoSmithKline. Financiële ondersteuning voor dit artikel: geen gemeld.
Aanvaard op 19 april 2012

Auteur Belangenverstrengeling
Wouter H. Mallee ICMJE-formulier
Ewout S. Veltman ICMJE-formulier
Job N. Doornberg ICMJE-formulier
Leendert Blankevoort ICMJE-formulier
C. Niek van Dijk ICMJE-formulier
J. Carel Goslings ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties