Van gen naar ziekte; een stoornis in de regulatie van de eiwitproductie leidend tot 'vanishing white matter'

Klinische praktijk
Abstract
J.C. Pronk
P.A.J. Leegwater
M.S. van der Knaap
Leestijd
6 minuten
Citeren

Artikel

Inleiding

de ziekte

Als groep zijn aandoeningen van de witte stof van de hersenen op de kinderleeftijd niet heel zeldzaam (1:2000 à 3000 kinderen). Vaak zijn deze ziekten erfelijk. Bij circa 50 van de kinderen blijft de oorzaak onbekend en kan er geen informatie, behandeling of prenatale diagnostiek worden geboden…

Auteursinformatie

Vrije Universiteit Medisch Centrum, Postbus 7057, 1007 MB Amsterdam.

Afd. Klinische en Humane Genetica: dr.J.C.Pronk, geneticus.

Afd. Kinderneurologie: dr.P.A.J.Leegwater, moleculair bioloog (tevens: afd. Klinische Chemie); prof.dr.M.S.van der Knaap, kinderneuroloog.

Contact prof.dr.M.S.van der Knaap (ms.vanderknaap@vumc.nl)

Reacties
J.W.P.
Marsman

Blaricum, oktober 2002,

Bij het artikel van Pronk et al. (2002:1933-6) kunnen de volgende kanttekeningen geplaatst worden.

De diagnose ‘vanishing white matter’ (VWM) wordt met MRI gesteld. Ter illustratie daarvan worden karakteristieke MRI-beelden van een VWM-patiënt vergeleken met die van een gezonde controlepersoon. Aangezien de signaalintensiteiten bij MRI sterk afhankelijk zijn van de gebruikte techniek, kunnen alleen beelden met identieke techniek goed worden vergeleken. Volgens het onderschrift van figuur 1 zou zowel ‘a’ als ‘c’ een T2-gewogen opname betreffen. Echter, de liquor in de zijventrikels is alleen in ‘c’ hyperintens, zoals verwacht wordt bij T2-weging. In ‘a’ daarentegen heeft de ventrikelliquor een intermediaire signaalintensiteit, hetgeen eerder bij ‘protondichtheidsweging’ past. De witte stof lijkt in afbeelding ‘a’ diffuus hyperintens, hetgeen bij ‘protondichtheidsweging’ wel pathologisch is, maar niet past bij liquor. Echter, naar analogie van de ‘fluid attenuated inversion recovery’(FLAIR)-opname (‘b’), is de regio van de in de tekening met groen aangegeven cysteuze witte stof mogelijk toch iets minder hyperintens in ‘a’ dan de overige witte stof en komt deze daarom wat dichter bij de intensiteit van liquor.

Tenslotte, bij de getoonde VWM-patiënt is er, behalve van genoemde wittestofafwijkingen, tevens een cavum septi pellucidi en cavum Vergae. Blijkens de gerefereerde literatuur is dat een frequente doch aspecifieke bevinding bij VWM.

J.W.P. Marsman
M.S.
van der Knaap

Amsterdam, oktober 2002,

Het is juist dat de diagnose ‘vanishing white matter’ met MRI wordt gesteld. Het is daarvoor niet nodig dat altijd eenzelfde techniek wordt gebruikt. Om de uitgebreidheid van de wittestofafwijkingen ten volle te kunnen beoordelen is het gebruik van een T2-gewogen opname belangrijk met meer of minder sterke T2-weging. Figuur 1a is minder sterk T2-gewogen dan figuur 1c, maar dat is niet essentieel. Daarnaast is het belangrijk dat een opnametechniek wordt gebruikt waarbij afwijkende witte stof een ander signaal heeft dan liquor. Hiervoor zijn protondichtheids- en FLAIR-opnamen (b en d) bruikbaar. Ook daarbij mogen de gebruikte technieken verschillen, als de liquor maar donker is en afwijkende witte stof licht.

M.S. van der Knaap

Gratis Ask NTVG uitproberen?

Maak met 2 klikken een gratis account aan

Account aanmaken

Heb je al een account of een abonnement? Inloggen

Altijd toegang tot alle publicaties van het NTVG?

Abonneer vandaag nog!

Online toegang tot alle artikelen
Gepersonaliseerde alerts voor artikelen en dossiers
Artikelen voor opleiding en nascholing mét geaccrediteerde toetsen
Onbeperkt luisteren naar de NTVG-podcast
Antwoorden op al je vragen via de AI-toepassing 'Ask NTVG'

Neem het digitaal ntvg abonnement

€ 15,93 per maand!

Ik wil digitaal
NTVG nummer 6 2026
NTVG nummer 7 2026
NTVG nummer 8 2026