Vaccinaties op de kinderleeftijd anno 2004. II. Echte en vermeende bijwerkingen

Klinische praktijk
H.C. Rümke
H.K.A. Visser
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:364-71
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Vaccinaties beschermen in hoge mate tegen infectieziekten, maar kunnen soms bijwerkingen geven. Sinds 1962 worden vermoede bijwerkingen van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in ons land centraal geregistreerd door het RIVM en sinds 1983 toetst een Commissie van de Gezondheidsraad de bevindingen.

- Het gaat bij de ‘dode’ vaccins vooral om lokale (roodheid, zwelling en pijn) en algemene verschijnselen (lusteloosheid, prikkelbaarheid, onrustig slapen en minder goed eten). Ze worden met name gezien na vaccinatie tegen difterie, kinkhoest, tetanus en poliomyelitis (DKTP). Een aantal bijwerkingen treedt zelden op (collapsreacties, ‘persistent screaming’, verkleurde benen en convulsies). Zeer zelden worden ernstige neurologische complicaties gemeld. Na vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR) worden sporadisch algemene verschijnselen gezien (artritis, trombocytopenie, ataxie), met vrijwel steeds een spontaan herstel.

- Gedurende de afgelopen jaren zijn veel ziekten of ziektebeelden in verband gebracht met vaccinaties (vermeende bijwerkingen). Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat zulke hypothesen onjuist waren. Het gaat onder andere om allergische aandoeningen, zoals astma, diabetes mellitus, multiple sclerose (na hepatitis-B-vaccinatie), autisme en inflammatoire darmziekten (na BMR-vaccinatie) en wiegendood.

- Het aantal gevallen waarin tenminste een mogelijk verband bestaat tussen vaccinatie en ziekteverschijnselen – afgezien van de lokale reacties en lichte algemene verschijnselen – is gering (ongeveer 0,25 per 1000 vaccinaties) en weegt niet op tegen de baten van vaccinatie.

- Er is bij het publiek toenemende twijfel over het nut en de veiligheid van vaccinaties. Meer onderzoek is nodig naar de redenen waarom mensen wel of niet voor vaccinatie kiezen.

- De voorlichting over vaccinaties aan ouders en beroepsgroepen die zich bezighouden met vaccinatie moet verbeterd worden. Het internet kan hierbij een belangrijke rol spelen.

Zie ook het artikel op bl. 356.

Een van de grootste successen op het gebied van de gezondheidszorg is het wereldwijd terugdringen van de morbiditeit en de sterfte van infectieziekten door middel van vaccinaties. De effectiviteit en de acceptatie van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in Nederland bespraken wij elders in dit nummer.1 Vaccinaties beschermen effectief tegen infectieziekten, maar kunnen, evenals geneesmiddelen, soms bijwerkingen veroorzaken. De echte bijwerkingen, lokale (zoals ontstekingsreacties) en algemene (zoals koorts en koortsconvulsies), zijn al decennialang bekend.2 Er is een goed systeem om ernstige en minder frequente gebeurtenissen te bewaken.3 4 De laatste jaren echter worden vele ziekten in verband gebracht met vaccinaties zonder dat hiervoor epidemiologisch valide argumenten zijn. Sommigen maken helaas geen onderscheid tussen klachten die optreden na dan wel door vaccinatie. Er is een georganiseerde antivaccinatiebeweging, ook in Nederland. Vooral de vermeende bijwerkingen geven aanleiding voor onrust en negatieve stemming ten opzichte van vaccinatie. Velen, soms ook medische professionals, blijken onvoldoende geïnformeerd over de gebruikte argumenten. Zij weten vaak niet dat wetenschappelijke studies aantonen dat deze argumenten onjuist zijn. Daarom gaan wij in dit tweede artikel in op de bijwerkingen van vaccinaties en op de vermeende bijwerkingen.

bijwerkingen

Voor een uitgebreid overzicht van de echte bijwerkingen wordt naar elders verwezen.2 Gangbare verschijnselen die na vaccinatie worden gezien zijn samengevat in tabel 1. De aard van het vaccin is belangrijk: dode vaccins geven een ander bijwerkingenpatroon dan verzwakte, levende vaccins. Dode vaccins worden gebruikt in het bestrijden van difterie, (kinkhoest,) tetanus en poliomyelitis (D(K)TP), Haemophilus influenzae type b (Hib), meningokokken-C-ziekte en hepatitis B; ook het acellulaire vaccin tegen kinkhoest valt hieronder. Een verzwakt, levend vaccin wordt gebruikt tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). Ernstige anafylactische reacties worden in de dagelijkse praktijk van ruim twee miljoen vaccinaties per jaar niet gezien.

De vraag of neurologische complicaties met mogelijk blijvende hersenbeschadiging (encefalopathie) na kinkhoestvaccinatie voorkomen, heeft tot veel discussie geleid. De huidige internationale wetenschappelijke mening is dat het onwaarschijnlijk is dat kinkhoestvaccinatie kan leiden tot blijvende hersenbeschadiging.7 Wij onderkennen oorzaken van encefalopathie bij jonge kinderen tegenwoordig beter, mede door ontwikkelingen in de diagnostiek van chromosoomafwijkingen, stofwisselingsziekten, intoxicaties en infecties. In Nederland werd vroeger een verband tussen encefalopathie en kinkhoestvaccinatie niet uitgesloten geacht, maar sinds 1987 is bij geen enkele patiënt met encefalopathie na DKTP-vaccinatie een mogelijke oorzakelijke relatie met kinkhoestvaccinatie vastgesteld.

Bijwerkingen treden vooral op na DKTP-vaccinatie, meestal door de kinkhoestcomponent. In Nederland wordt van oudsher het cellulaire kinkhoestvaccin gebruikt, dat uit een homogenaat van bacteriecultuur bestaat. Het bacterieel endotoxine is waarschijnlijk de meest reactogene component. Er zijn inmiddels vaccins ontwikkeld die bestaan uit één of meer eiwitcomponenten van de bacterie. Deze acellulaire vaccins zijn effectief en hebben minder bijwerkingen dan de cellulaire.8 Na een advies van de Gezondheidsraad in 2000 is nu een vaccinatie met acellulair kinkhoestvaccin op 4-jarige leeftijd in het RVP opgenomen. Kinderen (en ook hun ouders) blijken de extra enting hiermee goed te verdragen.9 Verwacht mag worden dat in de nabije toekomst ook voor de primaire DKTP-vaccinatie een acellulair vaccin beschikbaar komt.8

registratie van bijwerkingen

Sinds 1962 worden vermoede bijwerkingen van het RVP in ons land centraal geregistreerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De telefonische informatiedienst van het RIVM speelt hierbij een belangrijke rol. Artsen van het RIVM verzamelen aanvullende gegevens van ouders, huisarts en ziekenhuis; zij stellen een diagnose en beoordelen de eventuele samenhang met de vaccinatie. Sinds 1983 toetst een commissie van de Gezondheidsraad hun bevindingen. De commissie beoordeelt de werkwijze en meldingen van het RIVM. Wij bespreken hier de laatste jaarrapporten van het RIVM3 en de Gezondheidsraad.4

In 2000 ontving het RIVM 1142 meldingen, betreffende 1088 kinderen op een totaal van bijna 2,5 miljoen vaccinaties (circa 0,5 per 1000). Hiervan waren 18 meldingen niet te beoordelen wegens gebrek aan informatie. 884 (79) meldingen werden beoordeeld als bijwerking met een mogelijk, waarschijnlijk of zeker verband. De meeste meldingen betroffen gelijktijdige DKTP- en Hib-vaccinaties (903 keer). In 2000 werden 3 sterfgevallen gemeld. Na uitgebreide evaluatie werden 2 ervan als toevallige samenloop beoordeeld, hoewel in beide gevallen geen doodsoorzaak kon worden vastgesteld. Een kind overleed na DKTP-Hib-vaccinatie; er was mogelijk een indirect verband met de vaccinatie. Het kind had een ernstig hartgebrek.3

De Gezondheidsraadscommissie bespreekt in haar laatste rapport 142 meldingen die bijna alle in de periode 1996-2000 bij het RIVM zijn binnengekomen. Hiervan zijn 115 meldingen over ziekteverschijnselen (tabel 2) en 27 over sterfgevallen. De commissie heeft deze sterfgevallen minutieus herbeoordeeld. Bij één kind met een ernstige, complexe aangeboren hartafwijking, waarvoor het al twee keer was geopereerd, acht de commissie het mogelijk dat de vaccinatie een te zware belasting was. De commissie stelt vast dat het aantal gevallen waarin gesproken kan worden van tenminste een mogelijk verband tussen vaccinatie en ziekteverschijnselen relatief gering is en niet opweegt tegen de baten van het RVP: het op grote schaal voorkómen van ernstige ziekte en complicaties.4 Melden van vermoede bijwerkingen is niet verplicht. Lichte bijwerkingen worden zeker niet altijd gemeld. Wij vermoeden echter dat ernstige postvaccinale ziektebeelden over het algemeen wel gemeld worden, waardoor toch een evenwichtig beeld kan ontstaan.

vermeende bijwerkingen

De afgelopen jaren zijn vele ziekten in verband gebracht met vaccinatie. Publicatie van hypothesen over een mogelijke oorzakelijke relatie tussen vaccinatie en ziekte in medisch-wetenschappelijke tijdschriften leidde vaak tot ophef in de lekenpers.10 11 Meestal werden later zulke theorieën ontzenuwd, maar inmiddels was dan al veel onrust ontstaan. Antivaccinatiegroepen hebben zulke publicaties aangegrepen om hun argumenten te ondersteunen en dragen dit op het internet uit.12 13 Davies et al. hebben op internet via 7 bekende zoekmachines de eerste 10 beschikbare sites over vaccinatie geanalyseerd. Van 70 websites bleek 43 duidelijk antivaccinatie. Op de Google-zoekmachine waren bovendien alle 100 verder nog gevonden sites tegen vaccinatie.12 In ons land heeft de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (NVKP) ook een website (www.nvkp.nl), die naar onze mening overwegend tegen vaccinatie ageert, en waar vele van de vermeende bijwerkingen van vaccinatie worden beschreven. Onlangs is deze site gewijzigd; de toon blijft echter hetzelfde (figuur 1). Wij zullen nu de belangrijkste vermeende bijwerkingen kort bespreken. Elders heeft één van ons hierover bericht.14

Allergische aandoeningen

Allergische aandoeningen zoals astma, hooikoorts en eczeem blijken in de geïndustrialiseerde landen de laatste decennia vaker voor te komen. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam de suggestie dat vaccinatie op jonge leeftijd het risico op allergische ziekten zou verhogen.15 In adequaat gecontroleerde epidemiologische studies16 17 en in overzichten18-20 werden geen aanwijzingen gevonden dat vaccinatie met DKT en BMR het ontstaan van allergische ziekten bevordert.

BMR-vaccinatie, autisme en inflammatoire darmziekten

In 1998 postuleerden de Engelse arts Wakefield en zijn medeauteurs in de Lancet dat infectie met mazelenvirus – en dus ook mazelenvaccinatie – een inflammatoire darminfectie en autisme kan veroorzaken.21 Als gevolg van de darmontsteking zou de darm verhoogd doorlaatbaar zijn voor kleine eiwitten die vervolgens inwerken op de hersenen en autisme kunnen doen ontstaan. Kort daarna werd een Fins onderzoek gepubliceerd dat deze hypothese weerlegde.22 Daar was landelijke vaccinatie met BMR-vaccin in 1982 gestart. In 1998 waren 3 miljoen vaccinaties verricht en alle kinderen in een 14-jarige prospectieve studie gevolgd. Slechts 31 kinderen hadden na de vaccinatie voorbijgaande maag-darmverschijnselen. Er was geen enkele aanwijzing voor een met de vaccinatie verband houdende inflammatoire darmziekte en autisme.

Tal van epidemiologische studies in verschillende landen hebben sindsdien aangetoond dat er geen verband is tussen BMR-vaccinatie en autisme of darmproblemen.23 24 De publicatie van Wakefield et al. in 1998 heeft tot grote onrust bij het publiek geleid, die met name in het Verenigd Koninkrijk tot nu voortduurt, en daar leidde tot een daling van de vaccinatiegraad. De media hebben het publiek daarbij niet evenwichtig geïnformeerd.11

Auto-immuunziekten: diabetes mellitus type 1, multiple sclerose

In de afgelopen decennia is in de meeste westerse landen de incidentie van type-1-diabetes mellitus toegenomen, ook in Nederland. Omdat naast genetische factoren mogelijk omgevingsfactoren zoals infecties met verschillende virussen (met name Coxsackie-B4- en bofvirus) een rol spelen, werd een mogelijk verband met vaccinaties gesuggereerd. In 1997 kregen enkele publicaties van Classen en Classen veel aandacht, met name in de media. Hun hypothese – gestoeld op ongecontroleerde observationale studies – hield in dat het tijdstip van vaccinatie belangrijk was, zowel wat betreft het ontstaan als het voorkómen van diabetes.25 Latere studies ondersteunden de hypothese niet.26 27 In een groot onderzoek in de Verenigde Staten werden twee groepen van meer dan 20.000 kinderen die in de jaren 1988/'90 al of niet waren gevaccineerd tegen Hib 10 jaar gevolgd: er was geen verschil in risico voor diabetes mellitus.28 In vier goede gecontroleerde retrospectieve studies bleek evenmin een verband.29 30

In de jaren negentig ontstond in Frankrijk onrust over een mogelijk verband tussen hepatitis-B-vaccinatie en multiple sclerose. Het vaccinatieprogramma werd tijdelijk gestopt. De pathogenese van multiple sclerose is niet bekend, er zijn genetische factoren en men neemt aan dat het een auto-immuunziekte is. Er is geen verband gevonden tussen de ziekte hepatitis B en multiple sclerose. Er lijkt ook geen duidelijk verband met vaccinatie te zijn; twee grote epidemiologische studies in de Verenigde Staten bevestigen dit.31 32

De vraag of er een verband is tussen vaccinatie en het optreden van auto-immuunziekten, zoals diabetes mellitus en multiple sclerose, wordt op grond van de huidige wetenschappelijke kennis ontkennend beantwoord.19 33

Wiegendood

Wiegendood is de plotselinge en onverklaarde dood van een zuigeling. In de jaren tachtig verschenen enkele publicaties in medische tijdschriften, waarin een mogelijk verband tussen vaccinatie tegen difterie-tetanus-kinkhoest en wiegendood werd gesuggereerd.34 In 1993 publiceerde de micropaleontologe Viera Scheibner een boek waarin zij poneerde dat kinkhoestvaccinatie depressie van de ademhaling gaf, met een verhoogde kans op wiegendood.35 Zij voert een kruistocht tegen vaccinaties en is het boegbeeld van de wereldwijde antivaccinatiebeweging. Haar uitspraken missen een wetenschappelijke basis en zijn misleidend. De Australian Skeptics Inc. heeft veel moeite gedaan om haar opvattingen te bestrijden (www.skeptics.com.au/journal/anti-immune.htm), en heeft haar in 1997 de ‘Bent Spoon Award’ toegekend voor het meest dwaze voorbeeld van pseudo-wetenschappelijk gebazel (www.skeptics.com.au/features/spoon/bs-win97.htm).

De incidentie van wiegendood is in de meeste landen sterk afgenomen. In Nederland overleden in de jaren tachtig jaarlijks ongeveer 220 zuigelingen aan wiegendood, nu ongeveer 25. Wij weten nu namelijk meer over de risicofactoren voor wiegendood, onder andere buikligging van de zuigeling, en wij besteden veel aandacht aan het voorkómen hiervan. Ook worden nu vaker duidelijke oorzaken van de plotselinge dood gevonden. Deze daling van de incidentie van wiegendood is opgetreden bij een toename van het aantal vaccinaties. Zorgvuldig epidemiologisch onderzoek heeft laten zien dat er geen verband is tussen vaccinaties en wiegendood.36

Postvaccinaal syndroom

Vanaf de jaren negentig publiceerde de Eindhovense homeopathische arts Smits voor artsen en ouders over het postvaccinaal syndroom (www.tinussmits.nl) (figuur 2).37 38 Hij stelt dat een groot aantal klachten, symptomen en ziekten het gevolg zijn van vaccinatie. Het gaat hierbij om uiteenlopende verschijnselen, onder meer: verkoudheid, otitis media, bronchitis, obstipatie, slaapstoornissen, gedragsproblemen en ontwikkelingsstoornissen. Smits behandelt deze verschijnselen op homeopathische wijze met oplopende verdunningen van vaccins en beschrijft in casuïstische mededelingen wonderbaarlijke genezingen. Hij is niet zonder meer tegenstander van vaccinaties, maar pleit ervoor op de leeftijd van tien maanden te beginnen en preventief ook verdund homeopathisch vaccin te geven. Hij geeft ouders in overweging niet tegen kinkhoest te vaccineren, omdat hij meent dat de ziekte kinkhoest goed homeopathisch behandelbaar is, het kinkhoestvaccin van alle vaccins de meeste bijwerkingen heeft en niet erg effectief is, en adviseert om bij kinkhoest de homeopathische arts en niet de allopathische arts te raadplegen.38 Wij vinden dit advies onverantwoord. Onzes inziens dienen zijn theorieën eerst te worden getoetst in dubbelblind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd onderzoek.

beschouwing

Vaccinaties zijn effectief gebleken in het terugdringen van de morbiditeit en sterfte ten gevolge van infectieziekten, maar vaccinaties kunnen soms bijwerkingen veroorzaken. In Nederland worden sinds 1962 vermoede bijwerkingen centraal geregistreerd en geanalyseerd door het RIVM en sinds 1983 herbeoordeeld door de Gezondheidsraad. De bevindingen worden regelmatig gepubliceerd.3 4 Wij zijn van mening dat dit op een adequate, zorgvuldige en onafhankelijke wijze gebeurt. Het aantal gevallen waarin er tenminste een mogelijk verband is tussen vaccinatie en ziekteverschijnselen – afgezien van lokale reacties en lichte algemene verschijnselen – is gering (wij schatten deze op maximaal ongeveer 0,25 per 1000 vaccinaties) en weegt niet op tegen de baten van de vaccinatie. Dat neemt niet weg dat voor betrokkenen belastende en soms ingrijpende gebeurtenissen na vaccinatie kunnen optreden.

Een toenemend probleem vormen de vermeende bijwerkingen van vaccinaties. Geruchten en publicaties van vermeende bijwerkingen ontstaan veelal nadat één of meer kinderen na vaccinatie soms ernstige ziekteverschijnselen hebben die niet duidelijk verklaard kunnen worden, waardoor men de vaccinatie als oorzaak aanwijst. Vervolgens gebeurt het dan regelmatig dat de antivaccinatiebeweging – in ons land de NVKP – een theorie formuleert, die bestaat uit een keten van soms onnavolgbare vooronderstellingen en gevolgtrekkingen, waarbij consequent de richting van negatieve effecten van vaccinaties wordt gekozen. Zo'n redenering gaat vaak voorbij aan de elementaire epidemiologische regels over oorzaak-effectrelaties. De argumenten zijn meestal gebaseerd op anekdotisch materiaal, fragmentarisch, onvoldoende onderbouwd en gepubliceerd in onvindbare tijdschriften die niet behoren tot het domein van wetenschappelijke literatuur. Enkele ouders die voorheen waren verbonden met de NVKP, hebben zich dit gerealiseerd en een eigen website geopend waar ze de ‘mythen’ van de NVKP aantonen (www.geocities.com/vaccinatie).

Het is duidelijk dat intensievere voorlichting nodig is, niet alleen aan ouders, maar ook aan medische professionals die zich bezighouden met vaccinatie. In de moderne tijd is de informatie via het internet onmisbaar, maar betrouwbare informatie blijkt schaars. Artsen en andere hulpverleners moeten de tijd nemen met begrip en sympathie te luisteren naar bezorgde ouders die menen dat hun kind ziek is ten gevolge van vaccinatie. Ouders dienen hun kinderen te laten vaccineren op basis van objectieve voorlichting en kennis die op wetenschappelijk onderzoek berust. Dat er op het gebied van voorlichting en begeleiding veel wensen zijn, wordt duidelijk als men de uitgebreide en informatieve website leest die een groep verontruste ouders in 2003 heeft geopend (www.vaccinatieschade.nl). De overheid heeft de taak deze objectieve voorlichting te stimuleren en beschikbaar te stellen. Recent heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het RIVM gevraagd deze taak op zich te nemen.

De behoefte aan kennis varieert. Sommige ouders hebben alleen behoefte aan een aanmoediging om hun kind te laten vaccineren; anderen laten zich pas overtuigen na het kennisnemen van feiten of het expliciet maken van gevoelens. Vaak berust weerstand tegen vaccinatie meer op een gevoel van onzekerheid dan op feiten. De voortdurende stroom van negatieve geruchten vergroot het gevoel van onzekerheid (waar rook is, moet vuur zijn).

Er is nog weinig onderzoek verricht naar de beweegredenen van mensen wel of niet voor vaccinatie te kiezen39-41 en naar de wijze waarop men goede voorlichting kan geven.42 43 Mensen willen zelf beslissingen nemen op basis van onafhankelijke, objectieve informatie. Het is van belang inzicht te geven in de ziektelast, complicaties en sterftekans van de infectieziekten waartegen wordt gevaccineerd. Men moet weten dat een daling van de vaccinatiegraad betekent dat de ziekten, met hun complicaties, terugkomen. Dit kan worden toegelicht met voorbeelden uit het buitenland. In eigen land zijn er de epidemieën van poliomyelitis en mazelen bij niet-gevaccineerden.1 Natuurlijk moeten bijwerkingen van de vaccinatie ook worden besproken. Een probleem hierbij is dat veel mensen moeite hebben met risicoperceptie. Degenen die het RVP uitvoeren, dienen hiermee adequaat om te gaan. De lichte daling van de vaccinatiegraad en de grotere spreiding van gebieden met een onvoldoende vaccinatiegraad, geven reden tot ongerustheid. Het is een uitdaging ervoor te zorgen dat de huidige vaccinatietoestand in ons land, die met grote inspanning van velen is opgebouwd, ook in de toekomst zal blijven bestaan.

Belangenconflict: hr.dr.H.C.Rümke was tot 2000 werkzaam bij het RIVM en was toen medeverantwoordelijk voor registratie en analyse van mogelijke bijwerkingen van RVP-vaccins. Hr. dr.H.C.Rümke is lid van de Commissie Bijwerkingen Vaccins RVP van de Gezondheidsraad. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Rümke HC, Visser HKA. Vaccinaties op dekinderleeftijd anno 2004. I. Effectiviteit en acceptatie van hetRijksvaccinatieprogramma. NedTijdschr Geneeskd 2004;148:356-63.

  2. Vermeer-de Bondt PE. Bijwerkingen. In: Burgmeijer RJF,Bolscher DJA, redacteuren. Vaccinaties bij kinderen. Hfdst 12. 4e dr. Assen:Van Gorcum; 2002.

  3. Vermeer-de Bondt PE, Wesselo C, Dzaferagic A, Phaff TAJ.Adverse events following immunization under the national vaccinationprogramme of the Netherlands. Number VII-Reports in 2000. RIVM reportnr000001006/2002. Bilthoven: RIVM; 2002.

  4. Gezondheidsraad. Bijwerkingen vaccinaties.Rijksvaccinatieprogramma 1997-2001. Publicatienr 2002/16. Den Haag:Gezondheidsraad; 2002.

  5. Vermeer-de Bondt PE, Labadie J, Rümke HC. Rate ofrecurrent collapse after vaccination with whole cell pertussis vaccine:follow up study. BMJ 1998;316:902-3.

  6. Barlow WE, Davis RL, Glasser JW, Rhodes PH, Thompson RS,Mullooly JP, et al. The risk of seizures after receipt of whole-cellpertussis or measles, mumps, and rubella vaccine. N Engl J Med2001;345:656-61.

  7. Howson CP, Fineberg HV. Adverse events following pertussisand rubella vaccinations. Summary of a report of the Institute of Medicine.JAMA 1992;267:392-6.

  8. Wijngaarden JK van, Huisman J, Meer JWM van der, VisserHKA. Pertussis: huidige epidemiologische situatie en aanbevelingen van deGezondheidsraad voor het vaccinatiebeleid.Ned Tijdschr Geneeskd2000;144:2297-301.

  9. Keijzer-Veen MG, Holty-van der Wekken L, Juttman RE, GrootR de, Rümke HC. Reactogenicity of acellular pertussis vaccine infour-year-olds in the Netherlands. Vaccine ter perse.

  10. Leask JA, Chapman S. ‘The cold hard facts’immunisation and vaccine preventable diseases in Australia's newsprintmedia 1993-1998. Soc Sci Med 2002;54:445-57.

  11. Dobson R. Media misled the public over the MMR vaccine,study says. BMJ 2003;326:1107.

  12. Davies P, Chapman S, Leask JA. Antivaccination activistson the world wide web. Arch Dis Child 2002;87:22-5.

  13. Wolfe RM, Sharp LK, Lipsky MS. Content and designattributes of antivaccination web sites. JAMA 2002;287:3245-8.

  14. Rümke HC. Vermeende bijwerkingen vankindervaccinaties. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg2003;35:98-101.

  15. Kemp T, Pearce N, Fitzharris P, Crane J, Fergusson D, StGeorge I, et al. Is infant immunization a risk factor for childhood asthma orallergy? Epidemiology 1997;8:678-80.

  16. Nilsson L, Kjellman NI, Björksten B. A randomizedcontrolled trial of the effect of pertussis vaccines on atopic disease. ArchPediatr Adolesc Med 1998;152:734-8.

  17. DeStefano F, Gu D, Kramarz P, Truman BI, Iademarco MF,Mullooly JP, et al. Childhood vaccinations and risk of asthma. Pediatr InfectDis J 2002;21:498-504.

  18. Grüber C, Nilsson L, Björksten B. Do earlychildhood immunizations influence the development of atopy and do they causeallergic reactions? Pediatr Allergy Immunol 2001;12:296-311.

  19. Offit PA, Hackett CJ. Addressing parents’ concerns:do vaccines cause allergic or autoimmune diseases? Pediatrics2003;111:653-9.

  20. Koppen S, Groot R de, Neijens HJ, Nagelkerke N, Eden Wvan, Rümke HC. No epidemiological evidence for infants vaccinations tocause allergic disease. Vaccine ter perse.

  21. Wakefield AJ, Murch SH, Anthony A, Linnell J, Casson DM,Malik M, et al. Ileal-lymphoid-nodular hyperplasia, non-specific colitis, andpervasive developmental disorder in children. Lancet1998;351:637-41.

  22. Peltola H, Patja A, Leinikki P, Valle M, Davidkin I,Paunio M. No evidence for measles, mumps, and rubella vaccine-associatedinflammatory bowel disease or autism in a 14-year prospective study. Lancet1998;351:1327-8.

  23. Taylor B, Miller E, Lingam R, Andrews N, Simmons A, StoweJ. Measles, mumps, and rubella vaccination and bowel problems ordevelopmental regression in children with autism: population study. BMJ2002;324:393-6.

  24. Madsen KM, Hviid A, Vestergaard M, Schendel D, WohlfahrtJ, Thorsen P, et al. A population-based study of measles, mumps, and rubellavaccination and autism. N Engl J Med 2002;347:1477-82.

  25. Classen DC, Classen JB. The timing of pediatricimmunization and the risk of insulin-dependent diabetes mellitus. Infect DisClin Pract 1997;6:449-54.

  26. Allen HF, Klingensmith GJ, Jensen P, Simoes E, Hayward A,Chase HP. Effect of Bacillus Calmette-Guerin vaccination on new-onset type 1diabetes. A randomized clinical study. Diabetes Care1999;22:1703-7.

  27. Karvonen M, Cepaitis Z, Tuomilehto J. Association betweentype 1 diabetes and Haemophilus influenzae type b vaccination: birth cohortstudy. BMJ 1999;318:1169-72.

  28. Black SB, Lewis E, Shinefield HR, Fireman B, Ray P,DeStefano F, et al. Lack of association between receipt of conjugateHaemophilus influenzae type B vaccine (HbOC) in infancy and risk of type 1(juvenile onset) diabetes: long term follow-up of the HbOC efficacy trialcohort. Pediatr Infect Dis J 2002;21:568-9.

  29. Hummel M, Fuchtenbusch M, Schenker M, Ziegler AG. Nomajor association of breast-feeding, vaccinations, and childhood viraldiseases with early islet autoimmunity in the German BABYDIAB Study. DiabetesCare 2000;23:969-74.

  30. DeStefano F, Mullooly JP, Okoro CA, Chen RT, Marcy SM,Ward JI, et al. Childhood vaccinations, vaccination timing, and risk of type1 diabetes mellitus. Pediatrics 2001;108:E112.

  31. Ascherio A, Zhang SM, Hernan MA, Olek MJ, Coplan PM,Brodovicz K, et al. Hepatitis B vaccination and the risk of multiplesclerosis. N Engl J Med 2001;344:327-32.

  32. Confavreux C, Suissa S, Saddier P, Bourdès V,Vukusic S. Vaccinations and the risk of relapse in multiple sclerosis.Vaccines in Multiple Sclerosis Study Group. N Engl J Med2001;344:319-26.

  33. Wraith DC, Goldman M, Lambert PH. Vaccination andautoimmune disease: what is the evidence? Lancet 2003;362:1659-66.

  34. Roberts SC. Vaccination and cot deaths in perspective.Arch Dis Child 1987;62:754-9.

  35. Scheibner V. Vaccination. 100 years of orthodox researchshows that vaccines represent a medical assault on the immune system.Blackheath: Scheibner; 1993.

  36. Fleming PJ, Blair PS, Platt MW, Tripp J, Smith IJ,Golding J. The UK accelerated immunisation programme and sudden unexpecteddeath in infancy: case-control study. BMJ 2001;322:822-5.

  37. Smits T. Het post-vaccinaal syndroom. Waalre:Smits-Vanhove; 1996.

  38. Smits T, Pernet Y. De behandeling en preventie vanpost-vaccinale ziekteverschijnselen. Similia Similibus Curentur1994;24/3:2-7.

  39. Poland GA, Jacobson RM. Understanding those who do notunderstand: a brief review of the anti-vaccine movement. Vaccine 2001;19:2440-5.

  40. Ball LK, Evans G, Bostrom A. Risky business: challengesin vaccine risk communication. Pediatrics 1998;101(3 Pt 1):453-8.

  41. Paulussen TGW, Lanting CI, Hirasing RA. Ouders over hetRijksvaccinatieprogramma: tevredenheid en vaccinatiebereidheid van ouders vanjonge kinderen in Nederland. Rapport TNO Preventie en Gezondheid (TNO-PG).Leiden: TNO-PG; 2000.

  42. Leask JA, McIntyre P. Public opponents of vaccination: acase study. Vaccine 2003;21:4700-3.

  43. Offit PA, Coffin SE. Communicating science to the public:MMR vaccine and autism. Vaccine 2003;22:1-6.

Auteursinformatie

Vaxinostics BV, Rotterdam, p/a Erasmus Medisch Centrum, locatie Sophia, Postbus 2060, 3000 CB Rotterdam.

Hr.dr.H.C.Rümke, kinderarts n.p.-epidemioloog.

Hr.prof.dr.H.K.A.Visser, emeritus hoogleraar Kindergeneeskunde, Rotterdam.

Contact hr.dr.H.C.Rümke

Reacties