Uitkomsten van een Nederlandse cohort van zeer vroeg geboren kinderen uit 1983
Open

Stand van zaken
27-05-2001
S.P. Verloove-Vanhorick, A.L. den Ouden en F.J. Walther

- In een samenwerkingsproject van de Nederlandse kinderartsen werden in 1983 perinatale gegevens bijeengebracht over 1338 kinderen, levend geboren na een zwangerschap van minder dan 32 weken en/of met een geboortegewicht onder 1500 g (‘Project on preterm and small for gestational age infants’, POPS).

- Hun toestand werd onderzocht na 2 jaar door hun kinderartsen, na 5 jaar door een team van onderzoekers en na 9, 10-11 en 14 jaar door middel van een vragenlijst ingevuld door ouders, leerkrachten en de kinderen zelf.

- Uit deze 14 jaar naonderzoek bleek dat een gering percentage van deze kinderen (10) een ernstige handicap of beperking had op de schoolleeftijd. Hoewel dus 90 op die leeftijd geen ernstige beperkingen had, ondervond de helft van hen aanzienlijke problemen in het dagelijkse leven.

- Lichte ontwikkelingsstoornissen en gedrags- en leerstoornissen namen toe naarmate deze kinderen ouder werden. Dergelijke stoornissen kunnen zelfstandig functioneren op volwassen leeftijd ernstig belemmeren. Afwijkingen vastgesteld tijdens gestandaardiseerd neurologisch onderzoek op jonge leeftijd hebben een hoge voorspellende waarde voor deze latere problemen.

- Vroege signalering van ontwikkelingsstoornissen bij te vroeg geboren kinderen en het vroeg starten van gerichte interventies zouden een belangrijk instrument kunnen zijn om de late gevolgen te beperken.