Uit de bibliotheek van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: een hygiënistische parel, het handboek van Ali Cohen (1872)

Perspectief
R.B.M. Rigter
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:195-8
Download PDF

artikel

Wie het Handboek der openbare gezondheidsregeling en der geneeskundige politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving van Nederland ter hand neemt (figuur 1), heeft enige informatie nodig over de auteur van dit lijvige werk, dr.L.Ali Cohen, en over de periode waarin het boek is geschreven, 1865-1872. In deze jaren ijverden de hygiënisten, een groep van artsen met een bijzondere belangstelling voor de openbare gezondheidszorg, voor een nieuwe opzet van het volksgezondheidsbeleid.1 Zij waren van mening dat de (lokale) autoriteiten het voortouw moesten nemen in de strijd tegen de gevaren die de gezondheid van de burgers bedreigden. De vóór 1865 gevoerde politiek van staatsonthouding op het terrein van de volksgezondheid moest worden beëindigd. De hygiënisten voelden zich gesterkt door de totstandkoming van 4 gezondheidswetten in 1865, waarin de nieuwe fase in het beleid voorzichtig was aangekondigd. De visie van de hygiënisten dat de overheid een actief aandeel moest hebben in de bescherming en bevordering van de volksgezondheid, vormt de rode draad door het Handboek. Niet alleen worden tal van ziekten, kwalen en misstanden besproken, maar ook worden oplossingen aangedragen om het leed te verzachten. Een van de pioniers van de hygiënistische beweging was Ali Cohen (figuur 2), die zijn opvattingen uitgebreid in het Handboek ventileerde. Reden genoeg om kort aandacht te besteden aan deze bijzondere persoonlijkheid.

Dr.l.ali cohen

Levy Ali Cohen aanschouwde het levenslicht in 1817.2 Na zijn promotie in 1840 tot doctor medicinae opende hij een praktijk in Groningen. Behalve geneesheer was Ali Cohen vooral hygiënist. Hij verzette zich tegen sanitaire en sociale misstanden en was van mening dat de overheid hiertegen moest optreden. Hij sloot zich rond het midden van de vorige eeuw aan bij de doctrinaire liberalen, die het politieke krachtenveld domineerden. De leider van deze beweging, J.R.Thorbecke (1798-1872), betrok de hygiënisten, onder wie Ali Cohen, bij zijn plannen om de geneeskundige wetgeving te hervormen.1 Dit overleg leidde in 1862 tot de indiening van 4 wetsontwerpen voor de regeling van medische aangelegenheden, die in 1865 werden verheven tot wet. Behalve de nieuwe regels voor de uitoefening van de geneeskunde en de artsenijbereidkunde (er kwam een eind aan de verdeeldheid aangaande bevoegdheden van de beroepsbeoefenaars), trok vooral de Wet regelende het Geneeskundig Staatstoezigt de aandacht. Door deze wet ontstond het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, toen nog Geneeskundig Staatstoezicht geheten, bestaande uit (adjunct-)inspecteurs en geneeskundige raden. De wetgever hoopte dat door de deskundige adviezen van de geneeskundige ambtenaren de (lokale) gezagdragers sneller bereid zouden zijn actief bij te dragen aan het volksgezondheidsbeleid.3 Ali Cohen was vanaf het begin bij deze wet betrokken. Nadat de regeling het Staatsblad had bereikt, werd Ali Cohen benoemd tot inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht in de provincies Drenthe en Overijssel. In 1869 maakte Ali Cohen de overstap naar de provincies Friesland en Groningen, waar hij tot zijn dood in 1889 werkzaam bleef.

Ali Cohen was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een van de gezaghebbendste medici in Nederland. In 1849 behoorde hij tot de oprichters van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, een gezelschap dat veel heeft bijgedragen tot de versterking van de positie van de medicus. Het voorzitter- en secretarisschap van de afdeling Groningen van de Maatschappij was jarenlang in handen van Ali Cohen. Belangrijke medische tijdschriften konden op zijn steun rekenen. Zo was hij in de jaren 1849-1856 redacteur van het Nieuw Practisch Tijdschrift voor de Geneeskunde. In 1857 was hij nauw betrokken bij de oprichting van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, dat mede door zijn tomeloze inzet snel wortel schoot. Van laatstgenoemd tijdschrift was hij tot in de jaren zeventig redacteur voor de onderwerpen ‘medicina politica’, ‘hygiena publica’ en ‘binnenlandse berichten’.

Evenals zijn hygiënistische vakbroeders was Ali Cohen een enthousiast pleitbezorger voor het gebruik van statistische gegevens bij het onderzoek naar de gezondheidstoestand van de bevolking.1 Met de uitgave van het Statistisch geneeskundig jaarboek droeg Ali Cohen bij aan deze nieuwe tak van de medische wetenschap. Tot slot mag niet onvermeld blijven dat de meeste hygiënisten in dit prebacteriologische tijdperk (de jaren vóór 1880) de denkbeelden verdedigden van de zogenaamde miasmatici (vooral de bodemtheorie van de Duitse hoogleraar Max von Pettenkofer (1818-1901) was populair). Volgens de miasmatici werden epidemische ziekten veroorzaakt door de slechte kwaliteit van de omgeving waarin men leefde. Door bijvoorbeeld niet in de nabijheid van moerassen te vertoeven konden mensen voorkomen dat bedorven lucht vat op hen kreeg. Het ‘rottingsproces’ moest men, aldus de hygiënisten, onder meer bestrijden door vuilnis niet op straat te laten slingeren en door de levensomstandigheden te verbeteren. Ook in het Handboek van Ali Cohen werd niet uitgegaan van de besmettelijkheid van sommige ziekten. Integendeel, zijn anticontagionistische opstelling vormde het uitgangspunt van menige analyse.

Het handboek

Het eerste oorspronkelijke Nederlandstalige overzichtswerk over de openbare gezondheidszorg verscheen in 1872.4 Een exemplaar van dit uit 2 delen bestaande en ruim 1200 pagina's tellende Handboek der openbare gezondsheidsregeling en der geneeskundige politie is in goede staat aanwezig in de bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Om zijn levenswerk te voltooien, riep Ali Cohen de hulp in van een groot aantal vooraanstaande hygiënisten. Zij schreven over uiteenlopende onderwerpen als voedingshygiëne, woonomstandigheden, arbeidsgeneeskunde, de hygiënische omstandigheden in steden, ziekenhuizen en scholen, volksziekten en de zorg voor een gezond nageslacht. Door de bespreking van de belangrijkste binnen- en buitenlandse literatuur bevat het Handboek een schat aan gegevens over de openbare hygiëne. Bovendien geeft het een overzicht van de toentertijd onder medici bestaande opvattingen over de preventie en bestrijding van ziekten. Door de veelheid van gegevens bleef het Handboek enkele decennia het belangrijkste naslagwerk op het gebied van de openbare gezondheidszorg. Het boek was in de eerste plaats bedoeld voor ‘geneeskundigen, regtsgeleerden en de leden van besturen, aan welke de zorg voor de volksgezondheid is opgedragen’. Daarmee werden de medewerkers van het sinds 1865 bestaande Geneeskundig Staatstoezicht bedoeld, die bij wijze van spreken met het leerboek in de hand de problemen op het terrein van de volksgezondheid te lijf gingen. Overigens leverde deze arbeid in de resterende decennia van de 19e eeuw weinig op, omdat de overheid een afwachtende houding aannam en geen afscheid nam van de ‘laissez-faire’-politiek.5

In zijn magnum opus benadrukte Ali Cohen dat de bestrijding van sociale en sanitaire misstanden de hoofdmoot moest gaan vormen van het volksgezondheidsbeleid. Hij wees onder meer op het belang van de instelling van een keuringsdienst van waren, bescherming van het milieu, afschaffing van de kinderarbeid, bevordering van de hygiëne in openbare gebouwen, aanleg van rioleringen en drinkwaterleidingen, de organisatie van een vuilophaaldienst, het ontmoedigen van huwelijken tussen zieke mensen, en het bouwen van gezonde woningen. Door deze maatregelen zou de kwaliteit van de leefomgeving toenemen en zouden ziekten effectief worden bestreden. Hoewel Ali Cohen met veel van zijn voorstellen zijn tijd ver vooruit was, boekte hij aan het politieke front, zij het op bescheiden wijze, ook succes. Zo werd in 1874 het Kinderwetje van Samuel van Houten (1837-1930) door het parlement aangenomen. Deze regeling behelsde dat kinderen beneden de 12 jaar niet langer in fabrieken te werk mochten worden gesteld. Deze maatregel kwam uit de koker van de hygiënisten en werd in het Handboek nadrukkelijk aanbevolen. Het Kinderwetje werd echter geen groot succes, omdat het nog jaren duurde voordat het verbod op kinderarbeid doeltreffend werd gecontroleerd.

De verschillende onderwerpen die in het Handboek de revue passeren, worden door Ali Cohen op een overzichtelijke wijze gepresenteerd, waarbij hij nadrukkelijk oog heeft voor het detail. De veelheid van thema's in het boek noopt mij een keuze te maken. Zo schrijft hij op bl. 91 en 92 van deel 1 over brood: ‘De gewoonte, die vooral Fransche, maar ook wel andere bakkers volgen, om het deeg op koperen schalen af te wegen, blijft niet altijd zonder nadeelige gevolgen. Daar deze schalen zich bevinden in de warme lokaliteit waar gebakken wordt, voortdurend met het deeg in aanraking zijn en bij het schoonmaken gewoonlijk eenvoudig afgewreven worden, zoo kunnen in zulke gevallen ligtelijk eenige koperdeeltjes (in den vorm van koolzuur-, melkzuur- of azijnzuur-koper) met het deeg zich vermengen. De eenvoudige raad van Pappenheim, om die schalen onschadelijk te maken, nl. door het leggen van een met eene dunne laag meel bedekt stuk papier op den bodem der schalen, kan door elken bakker te spoedig en te gemakkelijk (en tevens zonder zijne schade) opgevolgd worden, dan dat hij door het nalaten daarvan zijne klanten schadelijk brood zou willen leveren.’

Als volgend voorbeeld neem ik het pleidooi om gezonde woningen te bouwen onder de loep. Uitbreiding van de mogelijkheden tot ventilatie, waardoor voldoende ‘zuivere lucht’ de woningen kon binnenstromen, vormde de kern van het betoog: ‘Daar de mensch tot zijn gezond bestaan in zijne longen een voldoende hoeveelheid zuivere lucht moet hebben, zoo is het ook noodig, dat de omgeving waarin hij ademhaalt en een groot deel van zijn leven verblijft, die hoeveelheid zuivere lucht bevatte: – want dáaruit moet hij die levensbron putten. Is de ruimte waarin hij leeft van de buitenlucht afgesloten en te klein of te overbevolkt, dan teert hij voor een deel op de verbruikte lucht van zich zelven of van zijne medgezellen. Doch deze ten laatste van zuurstof beroofde lucht wordt allengs ten eenenmale ongeschikt ter ademhaling, met andere woorden tot bloedzuivering en alzoo tot onderhoud des levens’, aldus Ali Cohen (deel 1, bl. 197). Zoals te verwachten was, moesten volgens de hygiënisten de kelderwoningen, die vooral aan arbeiders onderdak boden, verdwijnen. Ali Cohen drong bij de bouw van woningen niet alleen aan op het creëren van hygiënische voorzieningen, zoals privaten (toiletten), maar hij besteedde ook ruimschoots aandacht aan het geestelijke aspect van het gezinsleven. Zo spoorde hij ertoe aan bij de bouw van woningen rekening te houden met het privé-leven van de bewoners. Zogenaamde blokhuizen of ‘Sammelwohnungen’ achtte hij niet geschikt (deel 1, bl. 250 en 251): ‘Vooral bij de Germaansche volken toch bestaat eene voorliefde voor den eigen haard, waardoor het kalme, afgeslotene familieleven, het ware huwelijksgeluk bevorderd wordt. De woning wint aan reinheid en orde en de huwelijksdeugden worden daar beter aangekweekt, de opvoeding der kinderen, hun ligchamelijk en zedelijk welzijn kan daar beter in acht genomen worden, zij worden voor verleiding en slecht gezelschap beter behoed. Het gevoel van eigenwaarde wordt in eene geheele afgeslotene woning ... verhoogd. Eene kleine, doch afgeslotene woning omvat toch eerst het denkbeeld van een “te huis”. Betreedt de werkman 's avonds, vermoeid van zijn dagwerk, zijne stille woning, dan kan hij daar ongestoord zich aan het huiselijk genot overgeven. Geen luisterende ooren of bespiedende oogen omgeven hem, geene lastige buren van boven of beneden storen zijne rust. Hij is vrij en kan naar hartelust zijne rust smaken.’ Het is zonneklaar: de zorg van de hygiënisten strekte zich aanzienlijk verder uit dan tot de aanwezigheid van medische voorzieningen.

Wie zich een beeld wil vormen van de medische wetenschap rond 1870 moet zeker het lezenswaardige en informatieve Handboek van Ali Cohen bestuderen. De problemen die hij ruim 100 jaar geleden aankaartte, behoren nu vrijwel allemaal tot het verleden. De opmerking waarmee Ali Cohen zijn meesterwerk beëindigde, was daarom zeker niet uit de lucht gegrepen: ‘Ik sluit dezen arbeid met den innigen wensch, dat hij voor ons land de vruchten moge dragen, die daarvan vroeger of later, naar ik hoop, het gevolg kunnen zijn’ (deel 2, bl. 652).

Literatuur
  1. Houwaart ES. De hygiënisten. Artsen, staat &volksgezondheid in Nederland 1840-1890. Groningen: Historische UitgeverijGroningen, 1991.

  2. Lindeboom GA. Dutch medical biography. A biographicalDictionary of Dutch physicians and surgeons 1475-1975. Amsterdam: Rodopi,1984:kolom 357-8.

  3. Rigter H, Rigter RBM. Volksgezondheid: een assepoester inde Nederlandse politiek. Een analyse toegespitst op de sociaal-democratie.Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde,Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 1993;16:1-17.

  4. Ali Cohen L. Handboek der openbare gezondheidsregeling ender geneeskundige politie, met het oog op de behoeften en de wetgeving vanNederland. Twee delen. Groningen: Wolters, 1872.

  5. Rigter RBM. Met raad en daad. De geschiedenis van deGezondheidsraad 1902-1985. Rotterdam: Erasmus Publishing,1992.

Auteursinformatie

Vrije Universiteit, vakgroep Metamedica, sectie Medische Geschiedenis, Van der Boechorststraat 7, 1081 BT Amsterdam.

Dr.R.B.M.Rigter, historicus.

Gerelateerde artikelen

Reacties