Trends in kankerincidentie en sterfte door kanker in Nederland: goed en slecht nieuws
Open

Stand van zaken
22-07-1999
E.M. van Leer, J.W.W. Coebergh en F.E. van Leeuwen

- Sinds 1990 daalt de voor leeftijdsopbouw gecorrigeerde kankersterfte bij mannen met ongeveer 1 per jaar. Deze afname kan worden toegeschreven aan een daling in de sterfte aan long-, maag-, alvleesklier- en blaaskanker.

- De sterfte aan melanoom, prostaat- en slokdarmkanker is bij mannen gestegen.

- Sinds 1990 is de sterfte bij vrouwen niet verder toegenomen, ondanks de sterke toename van de longkankersterfte. De sterfte aan maag-, alvleesklier-, baarmoederhals- en eierstokkanker is gedaald.

- De totale landelijke incidentie is voor mannen en vrouwen ongeveer gelijk gebleven gedurende de periode 1989-1994. Bij mannen neemt de incidentie van prostaatkanker sterk toe en bij vrouwen die van borst- en longkanker.

- In Zuidoost-Nederland zijn incidentiecijfers beschikbaar vanaf 1973. In deze regio is de incidentie in de periode voor 1989 gestegen. Het is derhalve waarschijnlijk dat ook de landelijke incidentie van kanker in de periode voor 1989 is gestegen.

- Ondanks deze toename van de landelijke incidentie is de voor leeftijdsopbouw gecorrigeerde kankersterfte in Nederland de laatste jaren niet verder toegenomen.

Zie ook het artikel op bl. 1499.

Kanker is na hart- en vaatziekten in Nederland de belangrijkste doodsoorzaak. Het is dan ook van groot belang de trends in het vóórkomen van de verschillende vormen van kanker nauwlettend te volgen. In dit tijdschrift is hieraan regelmatig aandacht besteed.1-4 Hier bespreken wij alleen de incidentie en de sterfte voor de tumorlokalisaties waarvan de trends in de laatste 5 tot 10 jaar zijn veranderd. Deze informatie is ontleend aan het onlangs verschenen ‘Signaleringsrapport kanker 1999’; 56 daarin worden ook de andere vormen van kanker besproken.

gegevensbronnen

De gebruikte sterftecijfers (1950-1995) zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de landelijke incidentiecijfers (1989-1994) van de Nederlandse Kankerregistratie.7 De trends in de landelijke incidentie zijn echter gebaseerd op een kortere periode dan de sterftecijfers. Dit betekent dat alleen grote veranderingen zichtbaar zijn. Incidentiecijfers over een langere periode (vanaf 1973) zijn voor Nederland alleen beschikbaar voor de regio Zuidoost-Noord-Brabant en Noord-Limburg (de regio van het Integraal Kankercentrum Zuid en Samenwerkingsorgaan Oncologie Ziekenhuizen (IKZ/SOOZ-regio)).

Om uitspraken te kunnen doen over trends in het risico op kanker zijn eigenlijk incidentiecijfers nodig. Immers, sterftecijfers worden niet alleen door de hoogte van de incidentie beïnvloed, maar ook in belangrijke mate door de behandelingsresultaten (overlevingsduur). Een ander belang van de incidentiecijfers is dat veranderingen in het vóórkomen van kanker in de loop van de tijd daarmee eerder gesignaleerd kunnen worden dan met sterftecijfers. Trends in sterfte en incidentie worden bovendien grotendeels bepaald door veranderingen in het vóórkomen van risicofactoren in het verleden.

Omdat landelijke incidentiecijfers pas sinds kort beschikbaar zijn, is men bij de bespreking van de trends in eerste instantie uitgegaan van de landelijke sterftecijfers. Bij de interpretatie van deze trends worden echter landelijke incidentiecijfers, incidentiecijfers in Zuidoost-Nederland en trends in overleving bij van kanker betrokken.

Bij tumoren met een slechte prognose vertonen de trends in incidentie en sterfte eenzelfde beeld. De recente trend in sterfte aan deze tumoren kan men daarom afzetten tegen recente landelijke incidentiecijfers. Voor de interpretatie van trends in de sterfte aan tumoren met een goede prognose zijn incidentiecijfers over een langere periode nodig, die zijn er zoals gezegd uit Zuidoost-Nederland.

Voor de presentatie van het beloop van de landelijke sterfte en de incidentie worden de voor leeftijdsopbouw gecorrigeerde cijfers gebruikt. Deze cijfers worden weergegeven als voortschrijdende 3-jaarsgemiddelden. Wij spreken van een wezenlijke verandering in de kankersterfte wanneer de gemiddelde toe- of afname groter is dan of gelijk is aan 1 per jaar en van een verandering in kankerincidentie wanneer de toe- of afname groter is dan of gelijk is aan 2 per jaar.

trends voor de belangrijkste vormen van kanker

In figuur 1 is het beloop van de landelijke sterfte sinds 1950 en het beloop van de incidentie in Zuidoost-Nederland sinds 1973 weergegeven.

Longkanker.

De afname van de sterfte aan longkanker onder mannen zet zich voort; vanaf 1990 met ongeveer 2 per jaar. Bij mannen van 30-44 jaar is de sterfte sinds 1990 niet verder afgenomen. De landelijke incidentie neemt nauwelijks meer af.

Bij vrouwen neemt de longkankersterfte nog steeds toe; vanaf 1990 met ongeveer 6 per jaar. Deze toename wordt in alle leeftijdsgroepen waargenomen. De incidentie neemt met 5 per jaar toe, eveneens in alle leeftijdsgroepen.

De trends in de incidentie van en sterfte aan longkanker zijn grotendeels te verklaren door veranderde rookgewoonten in de afgelopen 30 jaar. Van 1958 tot 1990 is het percentage mannelijke rokers sterk afgenomen; in de periode daarna is een stabilisatie opgetreden. Door de toename van het percentage vrouwelijke rokers in de jaren zestig en zeventig zijn de incidentie- en sterftecijfers van longkanker in de afgelopen jaren gaan stijgen. Aangezien het percentage rokende vrouwen altijd lager is gebleven dan het percentage rokende mannen, is te verwachten dat de incidentie van en de sterfte aan longkanker bij vrouwen op een lager niveau zullen blijven dan bij mannen. Het percentage mannen dat rookt, is nog altijd hoog: ongeveer 40. Dit kan een verklaring zijn voor het feit dat de daling in sterfte en incidentie wat lijkt af te vlakken.

Borstkanker.

Na een lichte stijgende trend in de jaren zeventig heeft de sterfte aan borstkanker zich sinds 1988 gestabiliseerd. Bij vrouwen van 45-59 jaar wordt een lichte daling waargenomen. De landelijke incidentie van borstkanker is van 100 per 100.000 in 1989 tot 120 per 100.000 in 1994 gestegen. Een toename wordt vooral gezien bij vrouwen van 45 jaar en ouder. Tussen 1975 en het midden van de jaren tachtig is de incidentie in Zuidoost-Nederland toegenomen.

De stijging in de incidentie heeft waarschijnlijk twee oorzaken. Een deel kan worden toegeschreven aan veranderingen in blootstelling aan risicofactoren, zoals de gestegen leeftijd bij de geboorte van het eerste kind, de afname van het kindertal, het minder en korter borstvoeding geven en het eerder optreden van de menarche. Voorts is een deel van de recente toename te verklaren door de introductie van de landelijke borstkankerscreening, waardoor een groot aantal borsttumoren eerder ontdekt is dan anders het geval was geweest. Het feit dat vrouwen zelf eerder een knobbeltje in de borst herkennen en alert zijn op signalen die met borstkanker te maken zouden kunnen hebben, speelt hierbij ook een rol. Hoewel de incidentie is gestegen, is de sterfte constant gebleven; hieruit kan geconcludeerd worden dat de overlevingskansen zijn toegenomen.

Prostaatkanker.

De sterfte aan prostaatkanker neemt nog steeds toe, met ongeveer 2 per jaar. Deze toename wordt vooral gezien in de leeftijdsgroep van 80-84 jaar en bij mannen van 85 jaar en ouder. De landelijke incidentie neemt ook sterk toe, met ongeveer 8 per jaar. Deze toename wordt in alle leeftijdsgroepen waargenomen. Ook de incidentie in Zuidoost-Nederland neemt sinds 1990 sterk toe, veel sterker dan in de periode 1975-1990. De sterke stijging van de incidentiegetallen is waarschijnlijk voor een belangrijk deel te verklaren door de toegenomen vroege diagnostiek als gevolg van het ‘prostaatbewustzijn’ bij de mannelijke bevolking en de medische beroepsgroep. Bij deze vroege diagnostiek komen ook relatief goedaardige tumoren aan het licht die vroeger niet klinisch manifest werden. De toegenomen sterfte aan prostaatkanker en een deel van de stijgende incidentie kunnen mogelijk het gevolg zijn van een toename in het vóórkomen van vooralsnog onbekende risicofactoren. De etiologie van prostaatkanker is nog steeds grotendeels onopgehelderd.

Slokdarmkanker.

De sterfte aan slokdarmkanker onder mannen neemt nog steeds toe, vooral na 1990. De landelijke incidentie steeg in de periode 1989-1994 van 7 per 100.000 tot 9 per 100.000. Dit is een stijging van ongeveer 6 per jaar. In alle leeftijdsklassen wordt een toename in de landelijke incidentie en sterfte waargenomen.

Bij vrouwen is de sterfte aan slokdarmkanker nauwelijks toegenomen. Wel wordt bij vrouwen van 45-74 jaar een toename gezien. De landelijke incidentie is ook nauwelijks toegenomen, hoewel bij vrouwen van 60 jaar en ouder een stijging wordt gezien.

De oorzaken van de veranderingen in de sterfte- en incidentiecijfers van slokdarmkanker zijn niet geheel duidelijk. Belangrijke risicofactoren voor slokdarmkanker zijn overmatig alcoholgebruik en roken, vooral in combinatie. De huidige trends in sterfte en incidentie worden grotendeels bepaald door veranderingen in het vóórkomen van deze risicofactoren in het verleden. In de periode 1958-1990 is het percentage mannelijke rokers afgenomen terwijl in 1958-1981 de alcoholconsumptie is toegenomen.8 De tegengestelde trends in het voorkomen van deze risicofactoren kunnen de stijging in slokdarmkanker bij mannen niet geheel verklaren. Ook bij vrouwen is moeilijk te verklaren dat de sterfte- en incidentiecijfers van slokdarmkanker in slechts geringe mate zijn veranderd, ondanks een toename in de prevalentie van de bekende risicofactoren gedurende de jaren zestig en zeventig.

Maagkanker.

De dalende trend in de sterfte aan maagkanker bij mannen en vrouwen zet zich voort, met ongeveer 3,5 per jaar. De landelijke incidentie daalt bij mannen ongeveer met 3 per jaar en bij vrouwen met iets meer dan 2 per jaar.

De daling in de sterfte en de incidentie is waarschijnlijk te verklaren door de afname van de consumptie van gerookt en gezouten voedsel sinds de jaren zestig. Daarnaast is de kans op besmetting met Helicobacter pylori in de loop van de jaren kleiner geworden en door behandeling met antibiotica is complete eliminatie van de infectie mogelijk geworden.9 Hierdoor zouden de sterfte aan en de incidentie van maagkanker nog verder kunnen dalen. Ook de toegenomen consumptie van groente en fruit in de afgelopen 50 jaar heeft mogelijk een beschermend effect gehad ten aanzien van het ontstaan van maagkanker. De laatste jaren is de consumptie van groente en fruit echter weer afgenomen. Omdat maagkanker een lange inductietijd heeft, kan deze afname nog geen invloed gehad hebben op de trends in de sterfte aan en de incidentie van maagkanker.

Alvleesklierkanker.

Na een stijging van 1950 tot ongeveer 1980 daalde de sterfte aan alvleesklierkanker bij zowel mannen als vrouwen sinds 1990 met ongeveer 2 per jaar. Bij mannen neemt ook de landelijke incidentie met ruim 2 per jaar af, vooral bij oudere mannen. Bij vrouwen bleef de landelijke incidentie gelijk.

Eén van de weinige bekende risicofactoren voor alvleesklierkanker is roken. Bij mannen komt de trend in de sterfte aan alvleesklierkanker overeen met de gunstige veranderingen in rookgewoonten in de jaren zeventig en tachtig. Bij vrouwen is de oorzaak van de dalende trend in de sterfte aan alvleesklierkanker onduidelijk, aangezien het percentage vrouwelijke rokers gedurende een lange periode is toegenomen. De waargenomen daling zou het gevolg kunnen zijn van een afnemende prevalentie van bepaalde risicofactoren die nog niet bekend zijn.

Baarmoederhalskanker.

De daling in de sterfte aan baarmoederhalskanker zet zich nog steeds langzaam voort, vooral bij vrouwen van 60 jaar en ouder. De daling kan verklaard worden doordat volgens cijfers van Zuidoost-Nederland de stadiumverdeling gunstiger is geworden in de periode 1975-1992.10 Waarschijnlijk hebben de vroege diagnostiek en screening hieraan bijgedragen. De landelijke incidentie is de afgelopen 6 jaar ongeveer gelijk gebleven.

Baarmoederkanker.

Sinds 1990 lijkt de dalende sterfte aan baarmoederlichaamkanker zich te hebben gestabiliseerd. De landelijke incidentie is ongeveer gelijk gebleven, evenals de incidentie in Zuidoost-Nederland. Vrouwen zijn in de afgelopen decennia steeds eerder met klachten naar de dokter gegaan, waardoor de behandeling in een vroeger stadium van de ziekte gestart kan worden. Dit heeft de afgelopen decennia geresulteerd in een betere overleving.

Eierstokkanker.

Sinds 1990 daalt de sterfte aan eierstokkanker met ongeveer 1 per jaar, vooral in de leeftijdsgroep van 45-74 jaar. Deze daling wordt vooral aan verbeteringen in de behandeling toegeschreven. Boven de 75 jaar wordt echter een stijging waargenomen. Mogelijk is de stijging van de sterfte in de oudste leeftijdsklasse een gevolg van ‘uitgestelde sterfte’ door verbetering van de overlevingskansen op jongere leeftijd zonder dat er sprake is van echte genezing.11 De landelijke incidentie is ongeveer gelijk gebleven.

Melanoom.

De stijging in de sterfte aan melanoom bij mannen bedraagt sinds 1990 ongeveer 3 per jaar, vooral waargenomen bij oudere mannen. Bij vrouwen lijkt de sterfte aan melanoom de laatste tijd niet meer toe te nemen. Sinds 1990 daalt de sterfte aan melanoom zelfs bij vrouwen van 60 jaar en ouder.

De landelijke incidentiecijfers vanaf 1989 vertonen een stabiel patroon. Echter, de incidentie in Zuidoost-Nederland is sinds 1975 toegenomen bij zowel mannen als vrouwen. Op basis van deze trend in Zuidoost-Nederland is het zeer wel mogelijk dat de landelijke incidentie in de periode voor 1989 gestegen is, waarna deze zich in recente jaren heeft gestabiliseerd. De stijging van de incidentie in het verleden zou een verklaring kunnen zijn voor de nog onlangs waargenomen toename van de sterfte.

Non-Hodgkin-lymfoom.

Sinds 1990 heeft de sterfte aan non-Hodgkin-lymfoom zich gestabiliseerd bij zowel mannen als vrouwen. Ook de landelijke incidentie is ongeveer gelijk gebleven. Na een langdurige stijging heeft de incidentie in Zuidoost-Nederland zich bij zowel mannen als vrouwen gestabiliseerd. Dat de sterfte niet verder toeneemt, kan komen door verbeterde behandeling en door de afvlakking van de incidentie tussen 1989 en 1994. Het is waarschijnlijk dat de landelijke incidentie in de jaren tachtig, net als die in Zuidoost-Nederland, gestegen is. Dat deze toename in incidentie niet heeft geleid tot een toename van de sterfte, komt waarschijnlijk doordat de overlevingskansen zijn verbeterd.

trends voor alle typen kanker

Na een sterke stijging van de totale, voor leeftijd gecorrigeerde, kankersterfte tussen 1950 en 1988, wordt bij mannen een lichte daling waargenomen en wel met ongeveer 1 per jaar (figuur 2). Deze afname bleek vooral op te treden bij long-, maag-, alvleesklier- en blaaskanker. Ondanks de toename van melanoom, prostaat- en slokdarmkanker is de totale voor leeftijd gecorrigeerde sterfte toch gedaald. Na een sterke stijging over een lange periode, is recentelijk, ondanks de vergrijzing, bij mannen het bruto sterftecijfer van kanker zeer licht gedaald. Bij mannen wordt in alle leeftijdsgroepen een daling van de sterfte waargenomen. Deze daling is voor een deel toe te schrijven aan een daling van de sterfte aan longkanker.

Bij vrouwen is de bruto kankersterfte ongeveer gelijk gebleven. De voor leeftijdsopbouw gecorrigeerde kankersterfte is sinds 1990 niet verder toegenomen, na een lichte stijging in de periode daarvoor. De toename van de sterfte aan longkanker wordt gecompenseerd door een afname van maag-, alvleesklier- en eierstokkanker. Bij vrouwen is sinds 1990 de sterfte in de meeste leeftijdsgroepen in recente jaren ongeveer gelijk gebleven, met uitzondering van een lichte daling in de leeftijdsgroep van 30-44 jaar.

De landelijke incidentie van alle vormen van kanker tezamen is voor zowel mannen als vrouwen in recente jaren stabiel. Op basis van de stijging van de incidentiecijfers in Zuidoost-Nederland is het aannemelijk dat de landelijke incidentie in de periode voor 1989 wel is gestegen.

conclusie

Mede op basis van de incidentiecijfers in Zuidoost-Nederland kunnen wij concluderen dat de landelijke incidentie van kanker zich na een stijging recentelijk heeft gestabiliseerd. Ondanks de toename van de incidentie voor 1989, is de landelijke sterfte in recente jaren niet verder toegenomen. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan verbeteringen in de overlevingskansen, hetzij door betere behandelingsmogelijkheden, hetzij doordat de diagnose van sommige tumoren vroeger gesteld wordt, waardoor vaker een curatieve behandeling kan worden gegeven.

In zijn totaliteit zijn de recente ontwikkelingen met betrekking tot het vóórkomen van kanker in Nederland dus gunstig. Een zorgwekkende ontwikkeling is echter dat de sterfte aan longkanker bij vrouwen sterk stijgt. Daarnaast is ook de sterfte aan andere met roken samenhangende vormen van kanker, zoals slokdarmkanker op middelbare leeftijd, toegenomen.

Literatuur

  1. Boer KT den, Kallewaard M, Peeters PHM, Verbeek ALM.Sterfte door longkanker daalt bij mannen en stijgt bij vrouwen. Ned TijdschrGeneeskd 1995;139:1493-7.

  2. Nab HW, Beek MWPM van, Crommelin MA, Heijden LH van der,Kluck HM, Coebergh JWW. Toegenomen incidentie van borstkanker inZuidoost-Nederland tussen 1960 en 1989. Ned Tijdschr Geneeskd1992;136:1765-70.

  3. Mackenbach JP. Ontwikkelingen in de sterfte aan kanker inNederland sinds 1950. Ned Tijdschr Geneeskd 1992;136:122-7.

  4. Hoogendoorn D. Trends in kankersterfte. Ned TijdschrGeneeskd 1983;127:1661-8.

  5. Leer EM van, Cleton FJ, Leeuwen FE van, redacteuren.Signaleringsrapport kanker 1999. Amsterdam: Signaleringscommissie Kanker vande Nederlandse Kankerbestrijding/Koningin Wilhelmina Fonds; 1999.

  6. Pinedo HM, Groeningen CJ van. Terecht aandacht voor hetkankerprobleem in Nederland gevraagd door de NederlandseKankerbestrijding/Koningin Wilhelmina Fonds. Ned Tijdschr Geneeskd1999;143:1499-502.

  7. Vereniging van Integrale Kankercentra/ Association ofComprehensive Cancer Centres. Incidence of cancer in the Netherlands 1994.Sixth report of the Netherlands Cancer Registry. Utrecht: Vereniging vanIntegrale Kankercentra; 1997.

  8. Smit HA, Hoeymans N, Bueno de Mesquita HB, Kromhout D.Alcoholgebruik. In: Ruwaard D, Kramers PGN, redacteuren. Volksgezondheidtoekomst verkenning. De gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking inde periode 1950-2010. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. DenHaag: Sdu; 1993. p. 573-9.

  9. Loffeld RJLF. De infectie met Helicobacter pylori, heteinde in zicht? Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:2440-1.

  10. Coebergh JWW, Heijden LH van der, Jansen-Heijnen MLG.Cancer incidence and survival in the south east of the Netherlands 1955-1994.Eindhoven: Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ); 1995.

  11. Stiggelbout AM, Leeuwen FE van, Dalesio OB. Kanker,signaleringsrapport 2. Rijswijk: Stuurgroep Toekomstscenario'sGezondheidszorg; 1990.