Toegenomen incidentie van gonorroe en van infectie met Chlamydia trachomatis in een huisartsenpraktijk in Amsterdam-Zuidoost, 1996-2000
Open

Onderzoek
02-09-2001
J.E.A.M. van Bergen

Doel.

Inzicht verkrijgen in de incidentie van gonorroe en van infectie met Chlamydia trachomatis (CT-infectie) en in een eventuele toename ervan in een huisartsenpraktijk in Amsterdam.

Opzet.

Beschrijvend.

Methode.

Uit het geautomatiseerd registratiesysteem werden gegevens verkregen over alle geregistreerde episoden van gonorroe (code volgens de ‘International classification of primary care’ (ICPC): Y71 voor mannen en X71 voor vrouwen) en CT-infectie (code Y99 voor mannen en X85 voor vrouwen) in 1996-2000.

Resultaten.

In totaal werd 26 keer de diagnose ‘gonorroe’ gesteld (15 keer bij mannen en 11 keer bij vrouwen) en 79 keer de diagnose ‘CT-infectie’ (21 keer bij mannen en 58 keer bij vrouwen). Het jaarlijkse aantal gevallen van gonorroe nam toe van 4 in 1996 naar 14 in 2000. Het aantal gevallen van CT-infectie nam toe van 7 naar 29 per jaar. De toenamen deden zich bij zowel mannen als vrouwen voor.

Conclusie.

In de praktijkpopulatie van een gezondheidscentrum in een multiculturele wijk in Amsterdam-Zuidoost werd in 1996-2000 een toename van gonorroe en van CT-infecties vastgesteld.

Inleiding

Na een gestage daling van het aantal patiënten met seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA's) in het afgelopen decennium is er de laatste jaren in Amsterdam door de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) weer een toename geconstateerd, met name van het aantal gonorroepatiënten.1 2 De toename doet zich vooral voor onder homoseksuele mannen. Ook elders in Europa en Amerika worden verontrustende signalen opgevangen van een duidelijke toename.3 4 Deze zou samenhangen met een terugval in onveilig vrijgedrag mede als gevolg van de verbeterde behandelingsmogelijkheden voor HIV-infectie, waardoor aids als minder bedreigend wordt ervaren.

Het is bekend dat bij bezoekers van de SOA-poli van de GG&GD de groepen homoseksuele mannen en prostituees/prostituanten oververtegenwoordigd zijn. Wij vroegen ons af of gonorroe-infecties ook vaker voorkomen in de huisartsenpraktijk van ons gezondheidscentrum. Het centrum verleent zorg aan een populatie van 7000 personen in Amsterdam-Zuidoost. Er werken 7 huisartsen parttime. Van de populatie bestaat 50 uit Surinamers en Antillianen, 25 uit autochtone Nederlanders en 25 uit mensen van andere culturen, voor een belangrijk deel uit West-Afrika. De populatie kenmerkt zich door een grote mobiliteit: er is een sterk verloop onder een gedeelte van de patiëntenpopulatie, veel nieuwe instroom uit Suriname en de Nederlandse Antillen en frequent reizigersverkeer naar landen van herkomst.

Inzicht in een eventuele toename van SOA's is mede relevant vanwege de relatief hoge achtergrondprevalentie van HIV in de gebieden van herkomst en de bestaande synergie tussen SOA's en HIV: het gelijktijdig bestaan van een andere SOA doet het transmissierisico van HIV aanzienlijk toenemen. Epidemiologisch gezien zou in dat geval van een risicosituatie kunnen worden gesproken.5

methode

Het gezondheidscentrum werkt met een geautomatiseerd registratiesysteem (ARCOS). Consulten worden geregistreerd via het ‘Subjectief, objectief, evaluatie, plan’(SOEP)-systeem. De subjectieve hulpvraag - de reden voor het consult - wordt niet apart gecodeerd. Op de evaluatieregel wordt de diagnose volgens de ‘International classification of primary care’(ICPC)-code vastgelegd.

Over de periode 1996-2000 selecteerden wij alle geregistreerde episoden per jaar van gonorroe (ICPC-code Y71 voor mannen en X71 voor vrouwen) en infectie met Chlamydia trachomatis (CT-infectie; code Y99 voor mannen en X85 voor vrouwen).

Omdat naar onze indruk in onze praktijk vaak nadere diagnostiek plaatsvond, werd deze bij alle met SOA's samenhangende consulten van mannen in 2000 nader geanalyseerd.

resultaten

In totaal werd 26 keer de diagnose ‘gonorroe’ gesteld, 15 keer bij mannen en 11 keer bij vrouwen. In totaal werden 79 CT-infecties vastgesteld, waarvan 21 bij mannen en 58 bij vrouwen (tabel). Er was een stijging van het aantal gevallen van gonorroe in de onderzoeksperiode (van 4 naar 14 per jaar) en van het aantal CT-infecties (van 7 naar 29 per jaar), zowel bij mannen als bij vrouwen.

In 2000 waren er 40 met SOA's samenhangende consulten van mannen (figuur). Indien er klachten of verschijnselen waren, vond in 27/40 gevallen (68) microbiologisch onderzoek naar gonorroe en CT-infectie plaats, bij ongerustheid in de helft van de gevallen (7/13). Er werd 5 maal microbiologisch een gonorroïsche infectie vastgesteld. In 7 gevallen waarbij er wél klachten waren, werd ‘blind’ behandeld zonder dat de diagnose was bevestigd door nader onderzoek.

beschouwing

Het totale aantal in 2000 geregistreerde gevallen van gonorroe van 14/7000 inwoners (20/10.000) ligt ver boven de geschatte landelijke incidentie (0,8/10.000)6 en boven de onlangs in dit tijdschrift gerapporteerde incidentie van gonorroe volgens huisartsen in Limburg (0,6-2,6 per 10.000).7

Hierbij kunnen enkele kanttekeningen worden geplaatst. Conform de NHG-standaard ‘Urethritis bij mannen’ dient men bij klachten en verschijnselen meteen een behandeling te beginnen met doxycycline en ciprofloxacine, en hoeft microbiologisch onderzoek niet plaats te vinden.8 Een mannelijke patiënt met urethritis kan onder de ICPC-diagnose Y71 - ‘gonorroe’ - worden gecodeerd (niet alleen als microbiologisch onderzoek een positieve uitslag heeft opgeleverd, maar ook zonder laboratoriumonderzoek, bijvoorbeeld als er veel écoulement is). Urethritisklachten kunnen echter ook als ‘overige SOA's man’ (Y99-subcodes), als ‘niet-specifieke urethritis’ (U72) of op klachtenniveau in plaats van op diagnoseniveau (‘afscheiding penis’: Y03, of ‘dysurie’: U01) worden geregistreerd. Selectie op de diagnosecode ‘gonorroe’ geeft dus een beperkt beeld. Er zijn echter geen aanwijzingen dat het individuele patroon van registreren van de huisartsen in het centrum de afgelopen jaren is veranderd, zodat dit geen verklaring kan zijn voor de sterke toename van gonorroe in 2000.

Onlangs hebben wij geconstateerd dat er een aanzienlijke onderdiagnostiek plaatsvindt van CT-infecties in onze huisartsenpraktijk.9 De gevonden stijging van het aantal CT-infecties kan deels een registratieartefact zijn: meer aandacht in ons centrum voor CT-infectie heeft geleid tot beter toegankelijke zorg en betere detectie door een actiever opsporingsbeleid.

conclusie en aanbeveling

De stijging van het aantal patiënten met SOA's in Amsterdam deed zich behalve op de SOA-poli van de GG&GD ook voor in onze huisartsenpraktijk.

Nader onderzoek moet uitwijzen of een dergelijke toename ook elders, in andere huisartsenpraktijken, wordt gezien. Gezien het sterk verhoogde risico op transmissie van HIV bij gelijktijdig bestaan van andere SOA's is de toename zorgwekkend, zeker in multiculturele wijken met een hoog percentage bevolkingsgroepen afkomstig uit gebieden met een hoge en/of stijgende (Caribische gebied) HIV-prevalentie. Meer aandacht voor onderzoek, zorg en preventie is dan ook gewenst.

De andere huisartsen van de praktijk waarvan de gegevens werden onderzocht, zijn: mw.C.A.Aberson, mw.M.H.van Heerde, A.G.Overgoor, C.E.J.van der Post, E.J.Robberse en J.P.M. Stroucken.

Literatuur

  1. Fennema JSA, Cairo I, Coutinho RA. Sterke toename vangonorroe en syfilis onder bezoekers van de Amsterdamse SOA-polikliniek.Ned Tijdschr Geneeskd2000;144:602-3.

  2. Cairo I. Gegevens dermatologische SOA poliklinieken1991-2000. Soa Bulletin 2001:2.

  3. Hughes G, Fenton K. Recent trends in gonorrhoea - anemerging public health issue? Euro Surveillance 2000;5:1-2.

  4. Vastag B. CDC says rates are up for gonorrhea, down forsyphilis. JAMA 2001;285:155.

  5. Fleming DT, Wasserheit JN. From epidemiological synergy topublic health policy and practice: the contribution of other sexuallytransmitted diseases to sexual transmission of HIV infection. Sex TransmInfect 1999;75:3-17.

  6. Laar MJW van de, Duynhoven YTHP van, Beuker RJ,Rijlaarsdam J. SOA en AIDS in Nederland. RIVM rapportnr 441500011. Bilthoven:RIVM; 2000. p. 32.

  7. Henquet CJM, Jansen MWJ, Buwalda PJS, Neumann HAM.Seksueel overdraagbare aandoeningen in Limburg in 1997; prevalentie volgenseen enquête onder huisartsen en specialisten en volgens opgave vanmicrobiologische laboratoria. NedTijdschr Geneeskd 2000;144:608-12.

  8. Wigersma L, Fokke HE, Malenstein MM van, Bosch AJ,Dijkstra RH, Rosmalen CFH. NHG-standaard Urethritis bij mannen. In: Thomas S,Geijer R, Laan J van der, Wiersma Tj, redacteuren. NHG-standaarden voor dehuisarts. II. Utrecht: Bunge; 1996. p. 291.

  9. Bergen JEAM van, Stroucken J, Spanjaard L, Mulder D, HoekJAR van den. Urogenitale CT-infecties in een huisartspraktijk inAmsterdam-Zuidoost. De wenselijkheid van een actief opsporingsbeleid.Huisarts Wet 2000;43:210-2.