Tatoeages

Perspectief
E. Stolz
J. van der Stek
V.D. Vuzevski
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:2380-5
Download PDF

artikel

Historische ontwikkeling

In de westerse wereld werd het aanbrengen van tatoeages pas populair na de reizen van de befaamde zeevaarder James Cook naar de Stille Zuidzee.1 In juli 1769 schreef hij na zijn eerste reis naar Polynesië: ‘Beide seksen beschilderen het lichaam. Zij noemen deze methode ’tattow‘. Hierbij wordt donker pigment op zo'n manier onder de huid aangebracht, dat dit niet meer verdwijnt.’ Het Engelse woord ‘tattoo’ is afkomstig van het Tahitiaanse woord ‘tatu’ dat merken betekent.2 De geschiedenis van het tatoeëren is echter veel ouder en gaat terug tot het stenen tijdperk.2 De techniek van het tatoeëren werd de laatste eeuwen veel toegepast, vooral in Polynesië, Micronesië, India, Burma en Japan. In dit laatste land ontwikkelde het maken van tatoeages zich in de tweede helft van de 18e eeuw tot een ware kunst.

Tot 1880 werden tatoeages met de hand aangebracht. In dat jaar ontwikkelde Samuel O'Reilly in de V.S. de eerste elektrische tatoeëermachine, waarmee een groot aantal steken per minuut kon worden gemaakt. Zijn neef Tom Riley verbeterde en patenteerde deze machine ook in het Verenigd Koninkrijk. Tatoeages konden voortaan snel en met betrekkelijk weinig pijn worden uitgevoerd. Zij werden meer en meer ook bij echte landrotten aangebracht, veel vaker bij mannen dan bij vrouwen. Ondanks deze modernisering en verwestersing van het tatoeëren worden nog vaak motieven gebruikt die afkomstig zijn van de groten onder de Burmese en Japanse tatoeëerders, zoals dieren, vogels, vlinders, draken en slangen. Daarnaast vindt men het zogenaamde Amerikaanse werk, waarbij religieuze, sensuele en patriottische onderwerpen getatoeëerd worden. Gedurende korte perioden in de 17e en 18e eeuw lieten vooraanstaande personen, die vaak van adellijke afkomst waren, zich tatoeëren tijdens of na een reis naar de Oost, in het bijzonder als de bestemming Japan, India en Burma was (geweest).

Methoden, motivatie en motieven

De professionele tatoeëerder gebruikt een elektrisch aangedreven naald en werkt met een standaard elektromagnetische uitrusting om het pigment hoog in de dermis, op gelijke hoogte vlak onder de basaalmembraan van de epidermis, maar nog boven de capillairlussen aan te brengen. Hij maakt eerst de omtrekken van de tatoeage en gebruikt daarvoor Oostindische inkt. Vervolgens wordt de tatoeage ingevuld met andere kleuren (figuur 1). De meest gebruikte pigmenten zijn voor blauw-zwart: koolstof, Oostindische inkt; voor rood: cinnaber (kwiksulfaat); voor lichtblauw: kobaltaluminaat; voor groen: chroomoxide of chroomsesquioxide; voor geel: cadmiumsulfide; voor bruin: oker, ijzeroxide; voor paars: mangaanzouten.4 Tegenwoordig worden steeds vaker plantaardige kleurstoffen gebruikt. Direct na het aanbrengen van de pigmenten tot enkele dagen erna kan een acute ontstekingsreactie ontstaan.

In het bijzonder onder de leden van donker gepigmenteerde stammen, bij wie het inbrengen van pigment weinig spectaculaire contrasten in de huid geeft, worden tatoeages aangebracht in de vorm van littekens. Deze littekens kunnen overal worden aangebracht, maar zijn als stamkenmerk vooral in het gelaat te vinden. Tatoeages vervullen onder primitieve stammen vele functies: ze dienen bijvoorbeeld als ritueel (tijdens de puberteit), als religieus doel, als status, als identificatie, als bescherming tegen gevaar en als een teken van stamverbondenheid.

Bij de moderne tatoeage kunnen onder andere de volgende functies worden onderscheiden: identiteit (figuur 2), het bij iets of iemand behoren (figuur 3), antisociaal gedrag (figuur 4), bescherming tegen gevaar, seksualiteit en exhibitionisme en humor (figuur 5 en 6).2 Tatoeages kunnen worden beschouwd als cutane uitingen van onbewuste drijfveren, die geworteld zijn in de magische en omnipotente fantasieën van de jeugd. De identiteit staat hierbij centraal. De tatoeage is een versterking van het ego. Voor vele jongeren is de tatoeage een zelfbevestiging, waardoor het gevoel van niet adequaat te functioneren en van eenzaamheid wordt afgezwakt. De betekenis bij iets of iemand te behoren van de tatoeage is ten tijde van oorlog heel duidelijk. Men kan in zo'n periode bij een land, een regiment of een esquadron willen behoren of trouw willen zijn aan God, ouders of seksuele partner. Ten dele valt de functie van antisociaal gedrag ook onder het ‘bij iets of iemand behoren’, zoals blijkt uit een tatoeage op de ulnaire zijde van de rechter onderarm van een Amerikaans militair: ‘Fuck the army.’ In sommige tatoeages, bijvoorbeeld die met een tekst zoals ‘Born to lose’, komt een combinatie van antisociaal gedrag en masochisme tot uiting. Een zichtbare tatoeage van een gevaarlijk wild dier (panter, tijger) op een goed ontwikkelde biceps toont de buitenstaander dat de getatoeëerde gevaarlijk kan zijn en gevaar niet uit de weg gaat; de afbeelding lijkt daarmee tevens bescherming tegen gevaar te bieden.

De huid is van groot belang voor de seksualiteit. Van belang zijn de zogenaamde erogene zones. Tatoeages kunnen van erotische, amoureuze of romantische aard zijn. Vele tatoeages die betrekking hebben op seksualiteit hebben vaak ook een exhibitionistisch karakter. Onder de categorie humor vallen tatoeages waarbij een grap of een komische stripfiguur wordt aangebracht. Soms wordt gebruik gemaakt van lichaamsopeningen, zoals anus en vagina, of structuren, zoals navel en tepel (zie figuur 6).

Gedwongen tatoeages en brandmerken dateren reeds van de oudste tijden en zijn door de eeuwen heen uitgevoerd bij slaven en gevangenen. Een iets andere vorm van ongewild tatoeëren vindt regelmatig plaats wanneer mensen van fietsen en motorfietsen vallen; er kan dan steenslag en asfalt in de huid terechtkomen.5

Tatoeages met koolstof en (of) oker en (of) azokleurstoffen worden toegepast om bij afwezigheid van wimpers of wenkbrauwen de indruk van haargroei te wekken (figuur 7).6 Eenzelfde techniek kan worden toegepast om bij tepelcorrecties een areola mammae te suggereren.7 Soms ook kunnen met behulp van tatoeages lelijke littekens worden gecamoufleerd.

Dermatologische aspecten

Tatoeages waarbij geen allergische reactie op het aangebrachte pigment zijn ontstaan, tonen pigmentpartikels tussen collageenbundels en in macrofagen (figuur 8).8

Indien binnen 24 uur wordt gebiopteerd worden ook pigmentpartikels in de epidermis waargenomen. Na langer dan een maand zijn deze pigmentpartikels niet meer in de epidermis terug te vinden en zijn slechts de eerstgenoemde huidafwijkingen aanwezig. Elektronenmicroscopisch onderzoek van tatoeages zonder allergische reactie laat zien dat de meeste pigmentgranula intracellulair en in hoofdzaak binnen de macrofagen gelokaliseerd zijn. Ze liggen daar vaak binnen membraangebonden lysosomen (figuur 9).89 Voor het aantonen van pigment in de huid kan gebruik gemaakt worden van het gewone histopathologische en elektronenmicroscopische onderzoek. Ook kan men meer verfijnde methoden zoals röntgenanalyse gebruiken.10

Acute ontstekingsreacties

Wanneer de acute ontstekingsreactie na het aanbrengen van de tatoeage tot rust is gekomen, blijft het niet oplosbare pigment doorgaans in de dermis achter, zonder daar verdere reacties te veroorzaken. Oostindische inkt is volledig inert. Andere pigmenten kunnen na verloop van tijd allergische reacties geven die zich vaak uiten als irritatie, roodheid en zwelling (figuur 10) en soms als lichenoïde reacties en pseudolymfomen.11 De reactie op rood-pigmenten, zoals cinnaber, kwiksulfide en ook wel vermiljoen of Chinees rood, vindt plaats binnen het rood getatoeëerde deel.12 De zwelling kan spontaan verdwijnen, maar ook aanleiding geven tot een gegeneraliseerde huidaandoening. Soms treedt de allergische reactie op na blootstelling van de tatoeage aan zonlicht. Ook voor chroom (chroomoxide of chroomsesquioxide) dat wordt toegepast voor het aanbrengen van de groene kleur, zijn overgevoeligheidsreacties beschreven. Vaak zijn de patiënten overgevoelig voor het chroom geworden door contact met cement. Kobaltaluminaat wordt gebruikt voor het aanbrengen van de lichtblauwe gedeelten in een tatoeage. Behalve een allergische reactie binnen het lichtblauwe deel, kan uveitis ontstaan. Met cadmiumsulfide wordt een gele kleur verkregen. Allergische reacties op deze stof worden in het algemeen geïnduceerd door blootstelling aan zonlicht.

Allergie kan worden aangetoond met contactallergisch onderzoek door middel van plakproeven met de betreffende stoffen in de juiste testconcentraties. Histopathologisch kan de allergische reactie op ingebracht pigment in twee typen worden verdeeld; het allergische eczeem en de allergische granulomateuze reactie. Bij het allergische eczeem is een uitgebreid ontstekingsinfiltraat aanwezig, grotendeels bestaande uit lymfoïde cellen en verder uit histiocyten, eosinofielen en, enkele, plasmacellen. De pigmentgranula worden in hoofdzaak in de macrofagen gevonden. In de epidermis worden acanthose en spongiose waargenomen. Bij de allergische granulomateuze reactie gaat het in hoofdzaak om granulomen die uit epitheloïde cellen bestaan. Het beeld lijkt op dat van sarcoïdose.

Huidziekten zoals psoriasis vulgaris en lichen planus hebben een predilectie voor getatoeëerde huid. De huidaandoening kan aldaar voor het eerst tot uiting komen of zich in versterkte mate voordoen.12 Ook kunnen infecties via tatoeëren worden overgebracht.13 De meest voorkomende huidinfecties worden veroorzaakt door Staphylococcus aureus en hemolytische streptokokken van groep A en B. In het verleden, toen syfilis vaker voorkwam dan tegenwoordig, is de transmissie ervan via tatoeëren beschreven. Ook het hepatitis B-virus is langs die weg overdraagbaar. Een explosieve groei van het aantal patiënten met hepatitis B werd geconstateerd op plaatsen waar personen snel na elkaar werden getatoeëerd, zonder dat voldoende hygiëne in acht werd genomen. Hoewel tot nu toe geen gevallen zijn beschreven, dient in de toekomst ook met de transmissie van het humaan immunodeficiëntievirus (HIV) rekening te worden gehouden. Thans wordt in Nederland door vele tatoeëerders met gesteriliseerd materiaal gewerkt.

Verwijdering

Veel personen die tatoeages hebben laten aanbrengen krijgen daar later spijt van en schamen zich ervoor. Tatoeëerders zijn ongeveer een derde van hun tijd bezig nieuwe over reeds aangebrachte tatoeages aan te brengen, zodat de oorspronkelijke tatoeage niet meer zichtbaar is. Doorgaans ziet een derde tot de helft van alle getatoeëerden de tatoeage(s) later als een handicap bij het leggen van contacten om een partner te krijgen en bij het solliciteren.

Om deze redenen bereiken de huisarts en de specialist (dermatovenereoloog, chirurg, plastisch chirurg) vaak verzoeken om tatoeages te verwijderen. Het kan ook zijn dat door de allergische reactie van de huid de wens ontstaat om de tatoeage te laten verwijderen. Bij het verwijderen kan van een tangentiële split-thickness-excisie gebruik worden gemaakt. Ook kan de tatoeage in etappes worden geëxcideerd. Na het excideren van de tatoeage kan een huidtransplantaat worden gebruikt. Wanneer zich na tatoeage complicaties voordoen in de vorm van overgevoeligheidsreacties op het ingebrachte pigment, dient al het ingebrachte, voor de allergische reactie verantwoordelijke pigment via een excisie te worden verwijderd.

Indien de tatoeage echter zo groot is dat het werken met grafts nodig zal zijn na het excideren, dienen bij verwijdering wegens spijt of schaamte ook andere methoden te worden overwogen, zoals salabrasie met NaCl, waarbij de huid bijvoorbeeld met een frees wordt opengeschaafd. Een variant hierop is verhitting van de epidermis met behulp van een elektrocauter, gevolgd door de verwijdering van de epidermis en het inwrijven van keukenzout.14 Voor zeer uitgebreide tatoeages komen dermabrasie, al dan niet met tanninezuur- of zilvernitraatapplicatie en chemochirurgie in aanmerking.15 Sinds kort worden goede resultaten van behandelingen met kooldioxide en met infraroodcoagulatie beschreven.16-2020

In het algemeen dient bij alle behandelingsmethoden een marge van ten minste enkele millimeters om de buitenste grenzen van de tatoeage aangehouden te worden. Niettemin blijven de contouren van de tatoeage die met Oostindische inkt zijn aangegeven, vaak nog enigszins waarneembaar.

De vorm van de tatoeage blijft later vaak als litteken zichtbaar (figuur 11). Een volledig nieuwe ontwikkeling bij het verwijderen van tatoeages lijkt het gebruik van de zogenaamde tissue-expander te zijn, waarbij de huid rondom de tatoeage eerst opgerekt wordt, waarna primaire excisie en sluiting mogelijk worden.

Literatuur
  1. Stolz E, Stek J van der, Vuzevski VD. Tatoeage.Nieuwegein: Glaxo, 1988.

  2. Grumet GW. Psychodynamic implications of tattoos. Am JOrthopsychiatry 1983; 53: 482-92.

  3. Fried RI. The psychodynamics of tattooing: a review. CleveClin Q 1983; 50: 239-42.

  4. Decorative tattoos. In: Rook A, Ebling FJG, Wilkinson DS,Champion RH, Burton JC, eds. Textbook of dermatology. 4th ed. Oxford:Blackwell, 1986: 1602.

  5. Disorders of pigmentation. In: Fitzpatrick ThB, Eisen AZ,Wolff K, Freedberg IM, Austen KF, eds. Dermatology in general medicine, 3rded. New York: McGraw-Hill, 1987: 864.

  6. Patipa M. Eyelid tattooing. Dermatol Clin 1987; 5:335-48.

  7. Kesselring UK. The use of intradermal tattoo to enhancethe final result of nipple-areola reconstruction. Plast Reconstr Surg 1987;79: 303.

  8. Inflammatory diseases due to physical agents and foreignsubstances. In: Lever WF, Schaumburg-Lever G, eds. Histopathology of theskin, 6th ed. Philadelphia: Lippincott, 1983: 225-6.

  9. Lea PJ, Pawlowski A. Human tattoo. Electron microscopicassessment of epidermis, epidermal-dermal junction and dermis. Int J Dermatol1987; 26; 453-8.

  10. Hartman LC, Natiella JR, Meenaghan MA. The use ofelemental microanalysis in verification of the composition of presumptiveamalgan tattoo. J Oral Maxillofac Surg 1986; 44: 628-33.

  11. Rijlaarsdam JU, Bruynzeel DP, Vos W, Meijer CJLM,Willemze R. Immunohistochemical studies of lymphadenosis benigna cutisoccurring in a tattoo. Am J Dermatopathol (ter perse).

  12. Decorative tattoos. In: Rook A, Ebling FJG, Wilkinson DS,Champion RH, Burton JC, eds. Textbook of dermatology. 4th ed. Oxford:Blackwell, 1986: 1603.

  13. Disorders of skin colour. In: Rook A, Ebling FJG,Wilkinson DS, Champion RH, Burton JC, eds. Textbook of dermatology. 4th ed.Oxford: Blackwell, 1986: 1604.

  14. Johannesson A. A simplified method of focal salabrasionfor removal of linear tattoos. J Dermatol Surg Oncol 1985; 11:1004-5.

  15. Penoff JH. The office treatment of tattoos: a simple andeffective method. Plast Reconstr Surg 1987; 79; 186-91.

  16. Venning VA, Colver GB, Millard PR, Ryan TJ. Tattooremoval using infrared coagulation: a dose comparison. Br J Dermatol 1987;117: 99-105.

  17. Goldstein N. Tattoo removal. Dermatol Clin 1987; 5:349-58.

  18. Groot DW, Arlette JP, Johnston PA. Comparison of theinfrared coagulator and the carbondioxide laser in the removal of decorativetattoos. J Am Acad Dermatol 1986; 15: 518-22.

  19. Colver GB, Jones RL, Cherry GW, Dawber RP, Ryan TJ.Precise dermal damage with an infrared coagulator. Br J Dermatol 1986; 114:603-8.

  20. Colver GB, Cherry GW, Dawber RP, Ryan TJ. Tattoo removalusing infrared coagulation. Br J Dermatol 1985; 112:481-5.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, afd. Dermatovenereologie, Dr.Molewaterplein 40, 3015 GD Rotterdam.

Prof.dr.E.Stolz, dermatovenereoloog; J.van der Stek, medisch fotograaf.

Erasmus Universiteit, faculteit der Geneeskunde, Instituut Pathologische Anatomie I, Rotterdam.

Dr.V.D.Vuzevski, patholoog-anatoom.

Contact prof.dr.E.Stolz

Gerelateerde artikelen

Reacties