Slikklachten ten gevolge van 'mediastinale carcinomatosis', een laat gevolg van mammacarcinoom

Klinische praktijk
A.M. Huisman
T.A.W. Splinter
M. van Blankenstein
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:2087-8
Abstract

Samenvatting

Vijf patiënten hadden slikklachten op basis van mammacarcinoom. Diverse aspecten van diagnose en therapie worden besproken. Het wordt aanbevolen bij het stellen van de waarschijnlijke diagnose te beginnen met de behandeling en niet te wachten, totdat de definitieve diagnose is gesteld.

‘Mediastinale carcinomatosis’ kan aanleiding geven tot slikklachten.1 Het is van groot belang dit ziektebeeld te onderkennen, omdat het vaststellen van de diagnose zo moeizaam kan verlopen dat veel tijd verloren gaat voordat met de behandeling begonnen kan worden.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, Dr. Molewaterplein 40, 3015 GD Rotterdam.

Afd. Inwendige Geneeskunde II: mw.dr.A.M.Huisman en M.van Blankenstein, internisten.

Afd. Medische Oncologie: dr.T.A.W.Splinter, internist.

Contact mw.dr.A.M.Huisman

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Rotterdam, januari 1990,

Naar aanleiding van het artikel van Huisman et al. zou ik gaarne enkele opmerkingen willen plaatsen (1989;2087-8). Uit de beschouwing van het artikel kan alleen maar worden geconcludeerd dat het om 5 patiënten met metastasering naar de wand – dus intramuraal – van de oesophagus gaat. Er wordt immers verwezen naar de in de literatuur vermelde frequentie van voorkomen van metastasering naar de wand, ongeveer 5%. Dit is in tegenspraak met de beschrijving van de 5 gevallen. Bij alle patiënten wordt melding gemaakt van een extrinsieke stenose, hetgeen wil zeggen dat er sprake is van vernauwing als gevolg van een extrinsiek, dus extramuraal gelegen proces, dit in tegenstelling tot de intrinsieke stenose die door een intramuraal proces wordt veroorzaakt. De beschrijving van de CT-scan van patiënte C: ‘toename van weefsel rondom de oesophagus’ wijst er ook op, dat er vermoedelijk van een extramuraal proces sprake is. In de tweede plaats wordt in de tekst de suggestie gewekt, dat aan de vermeende metastasering in de wand van de slokdarm de term mediastinale carcinomatosis wordt gegeven. In de door de auteurs geraadpleegde literatuur staat echter dat mediastinale carcinomatosis één van de mogelijke mechanismen is, waardoor metastasering naar de wand van de oesophagus plaatsvindt.1 De oplettende lezer wordt dus in verwarring gebracht. Ofwel er bestond bij patiënten een mediastinale carcinomatosis met extrinsieke compressie, ofwel er was metastasering in de wand van de oesophagus – veel minder frequent dan de eerste mogelijkheid –, ofwel er bestond een mediastinale carcinomatosis met als gevolg doorgroei in de wand.

De auteurs stellen dat uit de weergegeven ziektegeschiedenissen blijkt dat het vaststellen van een definitieve diagnose zeer tijdrovend kan zijn. Ik merk echter op dat bij geen van de patiënten de uitslag van het onderzoek van de slokdarm met bariumcontrastmiddel vermeld is.

Ik zou erop willen wijzen, dat bij dysfagie röntgenonderzoek van de slokdarm een uiterst nuttige en weinig invasieve diagnostische test is. Vooral bij processen buiten de mucosa en dus ook bij comprimerende processen van buitenaf, is röntgenonderzoek superieur aan endoscopie. De diagnose bij röntgenonderzoek van extrinsieke compressie van de slokdarm door pathologische klieren is zo typisch, dat in combinatie met de klinische bevindingen verder duur en tamelijk invasief diagnostisch onderzoek als endoscopische echografie, zoals de auteurs voorstellen, mijns inziens onnodig is.

D.N. Hüpscher
Literatuur
  1. Goldberg RI, Rams H, Stone B, Barkin JS. Dysphagia as the presenting symptom of recurrent breast carcinoma. Cancer 1987; 60: 1085-8.

Rotterdam, februari 1990,

Wij danken collega Hüpscher voor zijn reactie, welke ons in de gelegenheid stelt nog enige verhelderende opmerkingen te maken.

Collega Hüpscher concludeert, dat het om 5 patiënten met metastasering naar de wand van de oesophagus (intramuraal) gaat. In ons artikel wordt niets anders vermeld dan dat het 5 patiënten betreft met een ‘extrinsieke’ stenose (een endoscopische term voor een stenose, waarbij de mucosa intact is) als gevolg van mammacarcinoom: hetzij op basis van diffuse doorgroei, hetzij op basis van metastasering van mammacarcinoom naar het ‘extra’-mucosale deel van de oesophagus (en(of) directe omgeving).

Wij begrijpen niet, dat collega Hüpscher de beschrijving van deze 5 (geselecteerde) patiënten in tegenspraak met de literatuur vindt. De lage frequentie (5%) van mediastinale carcinomatosis, zoals vermeld in de literatuur, heeft ons juist doen besluiten deze 5 patiënten te beschrijven.

Onderzoek met bariumcontrastmiddel kan zeker nuttig zijn. Dit was bij deze patiënten, wier ziekte retrospectief bestudeerd werd, niet verricht. Dit onderzoek zal echter de definitieve diagnose (welke uiteraard door de patholoog-anatoom aangereikt wordt) niet bespoedigen, met name niet als het ‘mediastinale carcinomatosis’ betreft. Juist in dit laatste geval kan endoscopische echografie (met een gerichte cytologische aspiratie, zoals in het artikel vermeld wordt) buitengewoon nuttig zijn en de diagnostiek bespoedigen.

A.M. Huisman
T.A.W. Splinter
M. van Blankenstein