Slechts beperkt effect van behandeling van schildklierstoornissen op klachten van het bewegingsapparaat
Open

Onderzoek
07-01-1992
M. Kloppenburg, B.A.C. Dijkmans en J.J. Rasker

Onderzocht werd wat het effect op lange termijn is van behandeling van een gestoorde schildklierwerking op klachten van het bewegingsapparaat bij patiënten die naar de reumatoloog werden verwezen en bij wie een gestoorde schildklierwerking werd vastgesteld. Hiertoe werden 102 patiënten opgespoord die op de polikliniek Reumatologie bekend waren tussen 1980 en 1990 en tevens een schildklieraandoening hadden. Van hen bleken er 46 evalueerbaar voor het doel van het onderzoek en zij werden geïnterviewd door één persoon over hun gewrichtsklachten in heden en verleden.

De 46 patiënten (45 vrouwen en 1 man) hadden ten tijde van het interview een gemiddelde leeftijd van 58 jaar (21-81); 37 hadden hypothyreoïdie, 9 hyperthyreoïdie. Bij 24 patiënten werd de gestoorde schildklierwerking beschouwd als enige verklaring voor hun klachten (groep I), bij 19 patiënten werd tevens een andere – reumatologische – diagnose gesteld (groep II) en bij 3 patiënten was geen verband aannemelijk tussen de gestoorde schildklierwerking en de klachten. Een vermindering van de klachten na instellen van de therapie trad op bij 52 van de patiënten uit groep I en bij 47 uit groep II, voor beide groepen na gemiddeld 6 maanden. Ten tijde van het naonderzoek (vervolgduur gemiddeld 67 maanden) hadden 42 (91) patiënten klachten van het bewegingsapparaat; 37 (80) patiënten meenden dat hun huidige klachten in meer of mindere mate overeenkwamen met die waarvoor men oorspronkelijk verwezen was.

Behandeling van de schildklieraandoening geeft tijdelijke verbetering van klachten van het bewegingsapparaat bij 50 van de patiënten, 91 houdt klachten.