Seksueel misbruik van kinderen: hulpverlening door de huisarts aan personen die seksueel misbruikt zijn of worden en aan hun omgeving

Klinische praktijk
C.K. Jonker-de Putter
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:2449-52
Download PDF

Zie ook de artikelen op bl. 2453 en 2467.

Dames en Heren,

Uit recent onderzoek blijkt dat ruim 15 van alle meisjes beneden de leeftijd van 16 jaar seksueel misbruikt is door familieleden of huisgenoten en ruim 24 door anderen dan verwanten, nog afgezien van het aantal meisjes dat gedwongen is tot seksualiteit met vriendjes en jongens met wie zij een avondje uit waren geweest. In 99 van de gevallen waren de daders mannen.12

Wat betreft seksueel misbruik van jongens zijn nog geen betrouwbare cijfers bekend. Onder hen zou het percentage seksueel misbruikten schommelen tussen 4 en 10. De daders zouden in ruim 80 van de gevallen mannen zijn.34

Onder seksueel misbruik van kinderen wordt verstaan: seksuele contacten die plaatsvinden met een kind jonger dan 16 jaar, tegen zijn zin of zonder dat het kind het gevoel heeft of heeft gehad de seksuele contacten te kunnen weigeren, als gevolg van lichamelijk of relationeel overwicht van de dader, emotionele druk, dwang of geweld. De kalenderleeftijd van 16 jaar behoeft niet samen te vallen met de mentale leeftijd, wat bijvoorbeeld van belang is bij verstandelijk gehandicapten.

Wetenschappelijk onderzoek heeft de ernst van de gevolgen op korte en lange termijn, zowel in psychisch als in fysiek opzicht, aangetoond. Essentieel is de aantasting van de persoonlijke integriteit en wilsbeschikking.256

In deze klinische les worden ziektegeschiedenissen van slachtoffers van voormalig of actueel seksueel misbruik besproken met de consequenties voor diagnostiek, behandeling of doorverwijzing.

Patiënt A is het slachtoffer van voormalige incest. Zij is een ongehuwde, alleenwonende vrouw van 28 jaar. Zij werkt 8 uur per week als waarnemend docent. Zij bezoekt de huisarts omdat zij thuis ‘overvallen wordt door angsten’. Op school heeft zij hier geen last van. Haar huisarts kent haar van vroeger als een hard werkend kind dat zelden ziek was. Tijdens een gesprek met patiënte merkt de huisarts een aantal aspecifieke signalen op, namelijk: machteloosheid, verlatenheid, controleverlies en ontwrichting van het dagelijks leven. Bovendien herkent hij bij haar enkele signalen die slachtoffers van geweld kunnen tonen:

– Zij voelt zich een ding in plaats van een mens, heeft suïcidale gedachten en lijdt aan automutilatie of zelfbeschadiging.

– Zij heeft moeite met het uiten van normale gevoelens zoals angst en woede. Dat leidt tot opgekropte machteloze woede.

– Zij voelt zich neerslachtig en heeft lichamelijke klachten en slaapproblemen.

Als de huisarts vermoedt dat patiënte een traumatische ervaring heeft gehad, vraagt hij haar rechtstreeks of zij ooit op seksueel gebied is lastig gevallen. Zij antwoordt bevestigend. Van haar 10e tot haar 14e jaar is zij regelmatig misbruikt door haar stiefvader. Deze begon ermee toen haar moeder enige tijd wegens ziekte was opgenomen. Patiënte wilde haar moeder – met wie zij een goede band had – niet lastig vallen met klachten over haar stiefvader, ook al vanwege haar eigen schuldgevoel over de gebeurtenissen. Toen zij eindelijk de moed had om haar moeder wel te vertellen wat er was voorgevallen, had deze eerst ongelovig gereageerd. Het had nog 2 jaar geduurd voordat de moeder haar tweede echtgenoot voorgoed had weggestuurd. Hoewel patiënte begrip toont voor haar moeders tweestrijd, maakt zij haar moeder daarover nu wel verwijten.

Bij gericht doorvragen blijkt patiënte nog twee kenmerken van een seksueel-geweldslachtoffer te vertonen, namelijk:

– Zij voelt zich vernederd door het haar aangedane onrecht.

– Zij ervaart schuld- en schaamtegevoelens en verwijt zichzelf onvoldoende verzet te hebben gepleegd, ook al weet zij dat dat de situatie zou hebben verergerd.

Patiënte wordt bovendien geplaagd door schuldgevoelens omdat zij destijds lichamelijk opgewonden was geraakt hoewel zij zich psychisch had verzet. Haar verkrachter wilde dat zij van het misbruik genoot. Hij liet het voorkomen alsof zij het zelf had gewild, maar als zij weigerde, dreigde hij met een echtscheiding. Dat wilde patiënte haar moeder niet aandoen. Zij ging haar gevoelens onderdrukken. Haar omgeving mocht niet merken wat er met haar gebeurde. Zij sloot zich steeds meer af en functioneerde het best verstandelijk, in studie en werk.

Het kost de huisarts uiteindelijk 2 jaar om een therapeut voor patiënte te vinden. Omdat het Regionaal Instituut voor de Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) een lange wachtlijst kent, wordt zij voor dagbehandeling in een psychiatrische inrichting geplaatst. Tijdens deze therapie wordt zij, zoals zij later aan de huisarts vertelt, opnieuw misbruikt, achtereenvolgens door een fysiotherapeut en een psycholoog. Eindelijk vindt de huisarts een vrij gevestigde (vrouwelijke) psychiater die bereid is de langdurige en moeizame behandeling te starten. De therapie heeft succes.

De huisarts realiseert zich achteraf dat hij nauwelijks aandacht heeft geschonken aan de moeder van patiënte, die, zoals nu blijkt, ook graag met iemand over de gebeurtenissen had gepraat. De moeder heeft zich inmiddels zelf opgegeven voor een speciale praatgroep van de Fiom (een stichting die is voortgekomen uit de Federatieve Instelling voor Ongehuwde Moeders). Begeleiding voor haarzelf zal indirect wellicht ook de relatie met haar kind ten goede komen.

Patiënten B, C en D groeien op in een sfeer van gezinsgeheimen. De huisarts wordt door een vertrouwensarts inzake kindermishandeling ingelicht over vermoedens die deze via een vriendin van patiënte B, een meisje van 16 jaar, hebben bereikt. Patiënte B zou door haar vader seksueel misbruikt zijn, maar tegenover de vertrouwensarts heeft zij deze geruchten hardnekkig ontkend. Zij zou haar vriendin nooit zoiets hebben verteld.

De melding is door de vertrouwensarts ingebracht in het plaatselijke samenwerkingsverband tegen seksueel geweld. In dit samenwerkingsverband wordt besloten verder geen actie te ondernemen. De vertrouwensarts licht de huisarts over deze afspraak in. Hoewel de huisarts niet bij de bespreking in het samenwerkingsverband aanwezig is geweest, besluit hij zich te houden aan de daar gemaakte afspraak. Hij heeft nog niet eerder een acute of voormalige incestzaak in zijn praktijk meegemaakt en vertrouwt op de deskundigheid van de ervarener deelnemers aan het samenwerkingsverband.

Twee jaar later komt de moeder van patiënte B op het spreekuur. Haar tweede dochter, patiënte C, die inmiddels 16 jaar is geworden, is van huis weggelopen. Zij zou onhandelbaar zijn. Het oudste kind, patiënte B, woont inmiddels zelfstandig. De moeder krijgt sedativa. Het RIAGG organiseert gezinsgesprekken met de ouders en patiënte C, met als resultaat dat patiënte C weer thuis gaat wonen.

Een jaar later bereiken de huisarts via de vertrouwensarts klachten van de ouders van een 5-jarig vriendinnetje van het jongste zoontje, patiënt D, 6 jaar. Dit vriendinnetje vertoont de volgende signalen: plotselinge grote belangstelling voor seksualiteit, vooral van mannen, onwil om over de vader van haar vriendje te praten, hoewel zij deze vader overigens gewoon tegemoet treedt, onrustig slapen, met haar hoofd bonken. De ouders laten haar niet meer met haar vriendje spelen. Geruchten over hun vermoedens en over de vermoedens van 3 jaar eerder bereiken echter de moeder van de kinderen (patiënten B, C en D). Zij vraagt haar dochters rechtstreeks naar seksueel misbruik door hun vader, maar de meisjes ontkennen. Tijdens een pilcontrole lukt het de huisarts wel om met patiënte C aan de praat te komen. Zij wordt nog steeds door haar vader misbruikt, maar wil niet dat haar moeder het weet. De huisarts merkt dat zij doodsbang is voor haar vader, een voor de buitenwereld beminnelijke man, die volgens haar verhaal een wrede tiran zou zijn voor zijn gezin. De huisarts belooft haar te zwijgen.

De moeder wordt depressief. Opname dreigt. De woonwijk gonst van geruchten. Vriendinnetjes en vriendjes weten meer. Het gezin raakt in een isolement. Volgens buren zou het zoontje (patiënt D) sadistisch gedrag vertonen tegenover dieren.

De huisarts betreurt het dat hij 3 jaar eerder, naar aanleiding van de geruchten over patiënte B, niet meteen met patiënte C heeft gepraat. De laatste was toen 14 jaar en was wellicht nog te overreden geweest. Nu kan hij voorlopig niets doen. Misschien komt er schot in de zaak wanneer de moeder met een psychiatrische indicatie zou worden opgenomen. Zij heeft voorlopig nog gesprekken op het RIAGG. De huisarts begrijpt achteraf ook beter het gedrag van deze moeder, die hij altijd een wat onzekere, nerveuze vrouw had gevonden. Het is mogelijk dat het verwarrende gedrag van haar man – volgens patiënte C zoals gezegd buitenshuis joviaal en beminnelijk, maar binnenshuis autoritair en gewelddadig – tot haar onzekerheid heeft bijgedragen.

In de twee patiëntengeschiedenissen zijn verschillende aspecten van seksueel geweld aan de orde gekomen, zoals: voormalige en actuele incest, gevolgen op lange termijn, complexiteit en geheimhouding, signalen bij jonge kinderen en problemen bij verwijzing. De positie van de huisarts als gezinsarts kan enerzijds loyaliteitsconflicten opleveren, anderzijds het voordeel bieden van een goed overzicht over de hele situatie.

Voormalige incest: gevolgen op lange termijn

Hoewel de deskundigheid in de hulpverlening aan slachtoffers van seksueel geweld gestadig groeit, kan het nog moeite kosten om voor de ernstig getraumatiseerden onder hen een adequate behandeling te vinden. Misbruikte personen lopen het risico van ‘revictimisering’, het verschijnsel dat mensen die ooit het slachtoffer zijn geweest van een gewelddelict daar weer in verzeild raken.12

Mensen beantwoorden een rechtstreekse vraag naar een seksueel-geweldervaring niet altijd meteen. Dat wil niet zeggen dat er niets gebeurd is of dat de vraag te direct was. Zowel de arts van patiënte A als die van patiënte C heeft met zijn vraag getoond open te staan voor welk antwoord dan ook. Op een later tijdstip kan de patiënt erop terugkomen. Een open houding is een noodzakelijke voorwaarde voor een gesprek over de positieve en negatieve aspecten van seksualiteit.

Automutilatie kan een gevolg zijn van seksueel misbruik.25 Patiënte A leed hieraan. De frequentie van automutilatie hangt samen met de cumulatie van de trauma's in de kindertijd, onafhankelijk van de leeftijd van het kind ten tijde van de traumatische ervaringen. Ensink onderzocht 100 vrouwen die door hun (stief- of pleeg)vader misbruikt waren. Selectie vond plaats via circulaires aan zelfhulpgroepen en aan therapiegroepen bij RIAGG's, waarna de respondenten zichzelf opgaven voor het onderzoek.5 Een derde van deze vrouwen begon al in de kindertijd met automutilatiegedrag. Volgens Ensink zou dergelijk gedrag bij kinderen tussen 3 en 13 jaar een signaal vormen voor de omgeving dat er sprake is van fysiek of seksueel misbruik. Misschien zou ook wreedheid tegen dieren kunnen worden opgevat als mogelijk signaal van geweld in de directe omgeving van het kind, zoals ik althans in mijn hulpverleningspraktijk bij enkele jongetjes heb meegemaakt. De gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik worden in elk geval verergerd door de sfeer van geweld in het gezin.2

Schuld- en schaamtegevoelens kunnen personen belemmeren om hulp te zoeken. Niet alle seksueel misbruikte personen voelen zich, zoals patiënte A, extra schuldig over de ervaren opwinding, maar het kan vóórkomen:57 bij jongens ten gevolge van een erectie, bij meisjes door vochtig worden of zelfs orgasme. Gedurende de therapie moet de patiënt gaandeweg de balans gaan vinden tussen autonomie en slachtofferschap.

Actuele incest: stopzetten, maar hoe?

Wanneer er moet worden ingegrepen in actuele misbruiksituaties vereist de complexiteit van de misbruikproblematiek vrijwel altijd samenwerking van hulpverleners. In veel regio's bestaan samenwerkingsverbanden tegen seksueel geweld, waar hulpverleners ofwel gezamenlijk een actieplan opstellen ofwel hun handelwijzen op elkaar afstemmen. De plaatselijke huisartsen kunnen zich in zo'n samenwerkingsverband laten vertegenwoordigen. In de praktijk hapert die vertegenwoordiging nogal eens. Toch kan elke arts gebruik maken van de deskundigheid binnen het samenwerkingsverband of meewerken aan een gezamenlijk behandelingsplan. Hij blijft echter zijn individuele verantwoordelijkheid behouden.

Niet altijd blijken samenwerkingsverbanden een benaderingswijze te hebben ontwikkeld waarbij de belangen van de cliënt boven die van de instellingen worden geplaatst.8 Op inhoudelijk, procesmatig en beleidsmatig terrein kan de huisarts in dergelijke samenwerkingsverbanden problemen tegenkomen.

Een ernstige belemmering voor succesvol ingrijpen vormt de bewijslast. In de jaren tachtig lieten daders zich nog wel door een hulpverlener of een ervaren rechercheur overrompelen, maar steeds vaker lukt het advocaten om aanklachten te doen seponeren wegens gebrek aan bewijs of wegens gemaakte vormfouten. Uiteraard dient een verdachtmaking met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gepaard te gaan. Of de huisarts op grond van zijn eigen oordeel ingrijpt of in overleg en samenwerking met andere instellingen, hij zal altijd het juiste midden moeten zien te vinden tussen te snel ingrijpen en te lang wachten. Vooral wanneer er jonge kinderen in het gezin zijn of wanneer het vermoeden bestaat dat het misbruik doorgaat, is zorgvuldige afweging van risico's en kansen noodzakelijk. Overleg met het Bureau Vertrouwensartsen inzake Kindermishandeling is nodig, maar zolang deze bureaus nog over te weinig medewerkers beschikken bij een groeiende stroom meldingen, kan inschakeling ervan vertragend werken. De huisarts kan dan ook niet volstaan met een melding, maar dient steeds zelf de voortgang van overleg en behandeling kritisch te blijven volgen en moet zo nodig zelf ingrijpen en dus risico's nemen. Een risico kan bijvoorbeeld een aanklacht wegens schending van het beroepsgeheim zijn.

In geval van conflict van plichten kunnen de criteria worden gevolgd die door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) zijn opgesteld: er mag geen andere weg meer openstaan om een oplossing te vinden; het niet doorbreken van het beroepsgeheim zou voor een ander ernstige schade kunnen opleveren; en de arts moet zeker zijn dat door het doorbreken van het beroepsgeheim schade aan de ander kan worden beperkt of voorkomen.9

Het Bureau Vertrouwensartsen probeert in eerste instantie op vrijwillige basis hulpverlening tot stand te brengen. Wanneer de zaak echt bedreigend is voor een kind, wordt de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. Dit gebeurt bij gemiddeld 10 van de tienduizend meldingen die de bureaus landelijk per jaar te verwerken krijgen. De Raad kan, na eigen afweging, de politie bellen. Slechts 5 van de meldingen komt ter kennis van de politie;10 in de meeste gemeenten werkt de jeugd- en zedenpolitie tegenwoordig samen met ervaren jeugdtherapeuten, maar het kan lang duren voordat zelfs maar dit geringe percentage van alle meldingen bij de politie terechtkomt. Nadat de diagnose eenmaal is gesteld, krijgt het kind begeleiding. Vereisten zijn: veiligheid en duidelijkheid over de ervaringen. Doel van de therapie is herstel van het vertrouwen van het kind in zichzelf en in anderen.

Signalen: specifieke en aspecifieke

Specifieke signalen van seksueel misbruik zijn langdurige of herhaaldelijk terugkerende aandoeningen van de geslachtsorganen. Minder specifiek zijn langdurig bedplassen en herhaaldelijk optredende blaas- of keelontstekingen. Aspecifieke signalen kunnen zijn: plotseling of geleidelijk optredende opvallende gedragsverandering, leerstoornissen, stotteren, teruggetrokken of juist bijzonder extravert gedrag en vage pijnklachten. Het kan gaan om een combinatie van symptomen. Zodra een ouder of verzorger zich gaat afvragen wat er toch met een kind aan de hand kan zijn, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van seksueel misbruik.11 Aspecifieke signalen zijn soms vaag en zelfs verwarrend. Een misbruikt kind of een mishandelde persoon kan door het loyaliteitsconflict waarin hij of zij is terechtgekomen bijvoorbeeld grote aanhankelijkheid vertonen jegens de dader.

Een signaleringsfunctie heeft in de eerste plaats de verzorgende ouder; in de meerderheid van de gevallen is dat nog de moeder. In de tweede plaats hebben anderen in de omgeving van het kind deze functie. Dat zijn bijvoorbeeld leraren of kameraadjes en hun ouders en ten slotte de hulpverleners.

Moeders van seksueel misbruikte kinderen

Vanwege de centrale plaats die de moeder inneemt, zowel bij hulpverlening aan slachtoffers van voormalig geweld als bij ingrijpen in actuele situaties, ga ik apart in op hun rol en positie. Uit onderzoek onder 153 moeders van seksueel misbruikte kinderen is gebleken dat deze moeders zowel in de fase van de vermoedens als na de ontdekking van het misbruik te weinig begeleiding krijgen.12 Aangezien dit onderzoek niet aselect werd verricht, kan het slechts gedeeltelijk worden gegeneraliseerd. Vooral in blijf-van-mijn-lijfhuizen blijkt kennis te zijn ontwikkeld over de behoeften van deze moeders:

– zij willen geloofd worden en serieus genomen worden;

– zij hebben veiligheid nodig; en

– de begeleiding moet gericht zijn op autonomieversterking.

Incorporatie van deze kennis in de reguliere hulpverlening vindt echter te weinig plaats. Onder hulpverleners blijken nog vooroordelen over deze moeders te leven, bijvoorbeeld de opvatting dat de moeder het misbruik van haar kind zelf zou willen, dat zij op de hoogte zou zijn van het misbruik, dat zij een eventuele eigen misbruikervaring projecteert op man en kind, dat zij door frigiditeit man en kind tot het misbruik aanzet en dat zij altijd een slechte band heeft met het misbruikte kind. Dergelijke vooroordelen zijn niet bevorderlijk voor het stellen van de diagnose en het geven van begeleiding.

Dader en kind zorgen dikwijls beiden voor geheimhouding, elk vanuit een ander perspectief. Volgens Drayer meent 64 van de slachtoffers dat hun moeder niet kon weten wat er gebeurde.1 Ensink toont aan dat juist kinderen die een goede band met hun moeder hebben, het misbruik voor hun moeder proberen te verbergen.5 Moeders ontdekken soms wel specifieke of aspecifieke signalen, maar onwetendheid kan hen belemmeren deze op de juiste wijze te interpreteren. Zodra zij vermoeden dat het om seksueel misbruik gaat, bijvoorbeeld wanneer het kind toch gaat praten, worden zij juist door hun vrees voor vooroordelen jegens moeders van misbruikte kinderen belemmerd om hulp te zoeken. Moeders hebben het gevoel dat zij door hulpverleners verantwoordelijk worden gesteld voor handhaving van de harmonie in het gezin. Voorts konden moeders, zeker in het verleden, moeilijk tot zich laten doordringen dat seksueel geweld vooral wordt gepleegd door personen in de directe omgeving van het kind.12

Voor vrouwenmishandeling en de samenhang tussen incest en vrouwenmishandeling is nog weinig aandacht. Een representatief landelijk onderzoek vermeldt dat 21 van de vrouwen in een heteroseksuele relatie wordt mishandeld en dat twee derde van hen hierbij lichamelijke verwondingen oploopt.13-15 Gezien de reacties van de respondenten veronderstellen de onderzoekers dat het hier om onderrapportage gaat. Onderzoek onder moeders in incestgezinnen doet bovendien vermoeden dat deze percentages in die gezinnen aanmerkelijk hoger liggen.12 Langdurige mishandeling tast het zelfvertrouwen van mensen aan. Er ontstaat een ‘schuld- en schaamtecultuur’. Gezien de signalen van de moeder van patiënten B, C en D en gezien het verhaal van patiënte C: ‘Vader is een huistiran’, moet de mogelijkheid van geweld jegens deze moeder worden overwogen. Zowel in haar eigen belang als in dat van haar kind dient serieuze aandacht te worden geschonken aan de moeder: zij dient na de ontdekking van het seksueel misbruik een eigen hulpverleenster te krijgen.

Dames en Heren, bij seksueel misbruik van kinderen komen verschillende aspecten naar voren, zoals gevolgen op lange termijn, complexiteit en geheimhouding, signalen bij jonge kinderen, problemen rond de bewijslast en rond verwijzing voor hulp. Het direct vragen naar een seksueel-geweldervaring is altijd belangrijk, ook al leidt het antwoord niet meteen tot de juiste diagnose. De huisarts laat door de vraag in elk geval merken dat hij weet dat dit geweld bestaat. Samenwerkingsverbanden kunnen de huisarts steun en advies bieden. Vanwege de nauwe betrokkenheid van de moeder bij haar kind moet zij serieus worden genomen en een eigen hulpverleenster krijgen.

Sinds januari 1992 is de informatie over hulpverlening na seksueel geweld gecoördineerd in de Stichting Medusa, Landelijk Bureau Ontwikkeling Beleid en Hulpverlening Seksueel Geweld, Pausdam 1, 3512 HN Utrecht; telefoon: 030-368748 (op werkdagen dagelijks van 9.00 tot 17.00 uur).

Telefoonnummer Landelijke Vereniging Ambulante Fiom: 073-128821.

Literatuur
  1. Drayer N. Een lege plek in mijn geheugen. Seksueelmisbruik van meisjes door verwanten. Amsterdam: SUA, 1988.

  2. Drayer N. Seksuele traumatisering in de jeugd. Gevolgen oplange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Amsterdam:SUA, 1990.

  3. Gianotten WL. Jongens als slachtoffer van seksueelmisbruik. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 1988; 43: 1179-96.

  4. Outsem R van. Seksueel misbruik van jongens. Amsterdam:SUA, 1992.

  5. Ensink BJ. Confusing realities. A study on child sexualabuse and psychiatric symptoms. Amsterdam: VU University Press,1992.

  6. Gelauff C, red. Vrouwenhulpverlening na seksueel geweld.Utrecht: Leergangen Vrouwenhulpverlening, 1990.

  7. Jonker-de Putter I, Imbens A. Godsdienst en incest. 3edruk. Amsterdam: Dekker, 1991.

  8. Meinen A, Gurp L van. Meer samenwerken, betere hulp?Samenwerkingsverbanden tegen seksueel geweld. Utrecht: Medusa,1991.

  9. Leenen HJJ. Handboek Gezondheidsrecht. Alphen aan denRijn: Samsom Tjeenk Willink, 1991.

  10. Landelijke Stichting Buro's Vertrouwensarts inzakekindermishandeling. Jaarverslagen 1985 tm 1991. Utrecht: LandelijkeStichting Buro's Vertrouwensarts inzake kindermishandeling,1991.

  11. Lamers-Winkelman F. Signalen van incest. In: Noordhof A,red. Signalen van incest. Lisse: Swets & Zeitlinger, 1988.

  12. Jonker-de Putter CK. Als je kind misbruikt is. Moedersvan seksueel misbruikte kinderen. Amsterdam: Dekker, 1991.

  13. Römkens R. Onder ons gezegd en gezwegen. Geweldtegen vrouwen in man-vrouwrelaties. Amsterdam: SUA, 1989.

  14. Boersma AA, Braak EM ter. Geweld tegen vrouwen: krijgthet de aandacht die het verdient? Een inventarisatie in dertientijdschriften. Huisarts Wet 1990; 33: 236-9.

  15. Braak L ter. Sexueel geweld in de huisartsenpraktijk.Jaarverslag 1990. Groningen: Huisartsenpeilstation GGD GGRHV Groningenen Omstreken, 1990.

Auteursinformatie

Frederik van Eeden Stichting, organisatie voor psychiatrische zorg, De Boelelaan 6-8, Postbus 75867, 1070 AW Amsterdam.

Mw.dr.C.K.Jonker-de Putter, seksuoloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties