Seksueel contact tussen huisarts en patiënt: prevalentie en risicofactoren

Onderzoek
P.M. Leusink
H.G.A. Mokkink
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:778-82
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van de omvang van seksueel contact tussen huisarts en patiënt en nagaan of er een relatie bestaat tussen het vóórkomen van seksueel contact en persoons- en praktijkkenmerken van huisartsen.

Opzet

Dwarsdoorsnedeonderzoek.

Methode

In de periode februari-mei 2002 werden vragenlijsten toegezonden aan een aselecte steekproef van huisartsen (n = 1250). Deelname was anoniem.

Resultaten

Er reageerden 977 huisartsen (respons: 80). Onder hen waren relatief veel vrouwen en huisartsen van 50 jaar of jonger. Van de 977 huisartsen hadden 32 ooit seksueel contact met een patiënt gehad: 30/695 (4,3) van de mannelijke en 2/247 (0,8) van de vrouwelijke huisartsen. Bij 24 (75) van hen had coïtus plaatsgevonden. Van de 32 daders hadden 11 (34) met 2 of meer patiënten seksueel contact gehad. Van de 30 mannelijke daders beoordeelden 20 (67) achteraf het gedrag positief voor zichzelf en 22 (73) voor de patiënt. Het seksueel contact met een patiënt kwam vaker voor bij mannen die tijdens het onderzoek ouder dan 50 jaar waren. Het vóórkomen was niet gerelateerd aan de urbanisatiegraad van het praktijkgebied of de grootte van de maatschap.

Conclusie

Seksueel contact tussen huisarts en patiënt beperkt zich niet tot incidenten. Het bewust zijn van de eigen normale seksuele gevoelens is niet voldoende ter preventie. Het is noodzakelijk gericht beleid te implementeren.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 765.

Incidenteel zijn er meldingen over seksueel contact tussen huisarts en patiënt.1-4 Uit buitenlands onderzoek zijn gegevens bekend over het vóórkomen van seksueel contact tussen artsen en patiënten (tabel 1).5-9 In Nederland werd in 1992 onderzoek naar deze prevalentie verricht onder kno-artsen en gynaecologen.6 Eind jaren negentig van de vorige eeuw werd door de KNMG en de Inspectie voor de Gezondheidszorg een kort en bondig standpunt ingenomen: seksueel contact in de arts-patiëntrelatie is onder geen beding te tolereren.10-13 De werkelijke omvang van seksueel contact tussen Nederlandse huisartsen en patiënten is nooit goed in kaart gebracht.

Uit buitenlands onderzoek onder artsen blijkt dat seksueel misbruik van patiënten meer voorkomt onder artsen die man zijn, ongehuwd en vijftigplus, met karakterneurotische problematiek, soms ook een parafilie of dwangstoornis en een slechtlopende carrière en/of partnerrelatie.9 14-16 Overigens bleken ook onder vrouwelijke artsen daders voor te komen.6 Onbekend is of huisartsdaders vaker vóórkomen in solopraktijken of op het platteland. In groepspraktijken en in grote steden is wellicht meer sociale controle, hetgeen preventief kan werken. Ook is onbekend of huisartsdaders een andere attitude hebben ten aanzien van seksuele gevoelens. Enkele onderzoeken naar attitude bij artsen ten aanzien van seksuele gevoelens en gedrag bij patiënten geven weinig helderheid.17 18

Voor een uitgebreide beschrijving en literatuurweergave van de problematiek verwijzen wij naar Wilbers et al.19 en Bloom et al.20

Nader onderzoek is relevant: de patiënt kan evidente schade van seksueel misbruik oplopen,21 elke berichtgeving over (vermeend) seksueel misbruik door een huisarts (de zogenaamde huisartsdader) plaatst de beroepsgroep in een negatief daglicht en de huisartsdader kan baat hebben bij begeleiding en rehabilitatie.

Voor het hier beschreven onderzoek stelden wij de volgende vragen. (a) Hoeveel huisartsen hebben wel eens seksueel contact gehad met een patiënt en hoe oordelen deze huisartsen over dit contact? (b) Hangt het hebben van seksueel contact met een patiënt samen met persoonskenmerken en praktijkkenmerken van huisartsen?

methode

In de periode februari-mei 2002 verzonden wij vragenlijsten naar Nederlandse huisartsen. Bij een betrouwbaarheid van 95 (? = 5) en een gewenste nauwkeurigheid van 1 (1 – ? = 99) werd de steekproefgrootte op 1250 bepaald. Van het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) werden gegevens verkregen over geslacht en leeftijd van alle praktiserende huisartsen in Nederland, evenals de namen en de adressen van 1250 aselect gekozen huisartsen.

Dezelfde vragenlijst werd gebruikt als die in het onderzoek onder kno-artsen en gynaecologen in 1992 om de uitkomsten te kunnen vergelijken met die uit 1992; ook zou de beknoptheid van deze vragenlijst een hoge respons kunnen genereren. De letterlijke tekst van de vragen staat vermeld in tabel 2 en 3. Bij de vragenlijst werd een aanbevelingsbrief van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en de Stichting ter bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk gevoegd, waarin strikte anonimiteit werd gegarandeerd. Er werd in de periode februari-mei 2002 tweemaal een herinnering verzonden.

In de tabellen staan de aantallen () gegeven antwoorden vermeld. Indien dit aantal kleiner is dan het aantal geretourneerde lijsten, is dit toe te schrijven aan ontbrekende waarden: niet alle respondenten beantwoordden alle vragen. De verschillen tussen subgroepen werden geanalyseerd met de ?2-toets. Een verschil werd statistisch significant genoemd als p

resultaten

Van de 1250 vragenlijsten werden er 24 onbestelbaar geretourneerd. Van de groep van 1226 huisartsen reageerden 977 (respons: 80). Aan het onderzoek namen verhoudingsgewijs iets meer vrouwen en iets meer huisartsen jonger dan 50 jaar deel, vergeleken met de landelijke huisartsenpopulatie (tabel 4). Deze variabelen hangen met elkaar samen: vrouwelijke huisartsen zijn gemiddeld veel jonger dan hun mannelijke collega's.

Op de vraag ‘Hebt uzelf ervaring met seksueel contact met een patiënt in de arts-patiëntrelatie?’ antwoordden 935 huisartsen met ‘nee’, 32 (3,3; 95-BI: 2,2-4,5) met ‘ja’ (zie tabel 2), en 10 huisartsen lieten de vraag onbeantwoord. Onder de mannelijke huisartsen kwamen meer huisartsdaders voor dan onder de vrouwelijke (4,3 versus 0,8; p

Meer mannen dan vrouwen vonden het acceptabel dat artsen seksuele gevoelens hebben ten aanzien van patiënten en beduidend meer mannen voelden zich wel eens seksueel aangetrokken tot een patiënt (zie tabel 3). Als zij zich seksueel aangetrokken voelden, dan stond zowel bij de mannen als bij de vrouwen ongeveer de helft van hen daar positief tegenover, en de andere helft negatief.

Gezien het geringe aantal vrouwelijke huisartsdaders, werkten wij de tweede vraagstelling alleen voor de mannelijke huisartsen uit (tabel 5). Het percentage huisartsdaders was bij de mannelijke huisartsen ouder dan 50 jaar ruim 2 keer zo hoog als bij hun jongere collega's. Eenzelfde verband vonden wij met het aantal jaren dat men als huisarts werkzaam was. Praktijkvorm en urbanisatiegraad hingen niet samen met huisartsdader-zijn.

Onder de mannelijke huisartsen die het acceptabel vonden dat artsen seksuele gevoelens hebben ten aanzien van patiënten, kwamen meer huisartsdaders voor, maar dit verschil was niet statistisch significant. Onder de mannelijke huisartsen die zich wel eens seksueel aangetrokken voelden, kwamen meer huisartsdaders voor dan onder de mannelijke huisartsen die zich niet seksueel aangetrokken voelden. Onder de mannelijke huisartsen die positief stonden tegenover die seksuele gevoelens, kwamen niet meer daders voor dan onder hen die daar negatief tegenover stonden.

beschouwing

In ons onderzoek had 3,3 van de Nederlandse huisartsen ooit seksueel contact gehad met 1 of meer patiënten. Voor mannelijke huisartsen lag het percentage hoger (4,3) dan voor vrouwelijke (0,8). Deze cijfers moeten op de juiste wijze worden geïnterpreteerd. Het gaat om ervaringen van huisartsen gedurende hun gehele werkzame leven tot aan het moment van het onderzoek. De percentages hebben geen betrekking op aantallen patiënten of arts-patiëntcontacten.

Onze bevindingen kwamen overeen met die in buitenlandse onderzoeken, waar een prevalentie van 3-9 werd gevonden, en met die onder gynaecologen en kno-artsen in Nederland in 1992, waar het percentage 4 was (zie tabel 1). Wellicht schuilt het risico meer in de afhankelijkheid van de patiënt ten opzichte van de arts, dan in de aard van het specialisme.

Soms wordt onderscheiden of het seksuele contact tussen arts en patiënt plaatsvond tijdens of na het verbreken van de behandelrelatie. Over de relevantie van dit onderscheid bestaat geen consensus.22 23 Over deze kwestie is ook gepubliceerd in geval van psychotherapeuten en psychiaters.24 25

Dat het percentage artsen met ervaring met seksuele contacten in de arts-patiëntrelatie bij vrouwelijke huisartsen beduidend lager was dan bij mannelijke, werd ook elders gevonden.6 De leeftijd (ouder dan 50 jaar) en daaraan gerelateerd het aantal jaren werkzaam zijn als huisarts hingen significant samen met het huisartsdader-zijn, hetgeen eveneens overeenkomt met bevindingen uit ander onderzoek.9 16 Ons onderzoek kan hiervoor geen verklaring geven; het was een dwarsdoorsnedeonderzoek en er was niet gevraagd wanneer het seksueel contact plaatsvond. Urbanisatiegraad en praktijkvorm bleken niet samen te hangen met het huisartsdader-zijn. Mogelijk ontglipt dit gedrag aan de sociale controle.

Wat betreft de attitude ten aanzien van seksueel contact tussen arts en patiënt, waren daders meer te vinden onder mannelijke huisartsen die zich wel eens tot een patiënt seksueel aangetrokken voelden. Er mag niet geconcludeerd worden dat het hebben van deze gevoelens daderschap voorspelt. Het is echter minder waarschijnlijk dat het bij het ontbreken van seksuele gevoelens voor een patiënt tot een seksueel contact zal komen.

Daders en niet-daders waren even ambivalent ten aanzien van seksuele gevoelens voor patiënten. Daders beoordeelden het hebben van hun seksuele gevoelens niet altijd als positief en onderscheidden zich daarmee dus niet van niet-daders. Daarentegen bleek dat een groot deel van de daders het seksueel contact achteraf als positief voor zichzelf beoordeelde en ook voor de patiënt. Het eigen gedrag werd kennelijk positiever beoordeeld om dit gedrag achteraf te kunnen rechtvaardigen, terwijl de houding tegenover seksuele gevoelens voor een patiënt ongeveer even vaak positief als negatief was (zie tabel 5). Onder de mannelijke huisartsen die het acceptabel vonden dat artsen seksuele gevoelens hebben voor patiënten, bevonden zich niet meer huisartsdaders. Het accepteren van seksuele gevoelens voor een patiënt als normaal menselijk sluit daderschap niet uit.

Volgens dit onderzoek beperkte het vóórkomen van seksueel contact tussen huisarts en patiënt zich niet tot incidenten of tot uitwassen die de media halen. De vraag is of het gelukt is met een eenvoudige vragenlijst het feitelijke gedrag te meten. Het feit dat onze bevindingen in lijn liggen met eerder onderzoek, kan duiden op valide resultaten. De garantie van strikte anonimiteit heeft de betrouwbaarheid van de antwoorden waarschijnlijk vergroot. Dat de respons zo hoog was, geeft aan dat de huisartsen het onderzoek serieus namen. Mogelijk lag het daderpercentage in de non-responsgroep hoger dan in de responsgroep, temeer daar in deze laatste groep jonge en vrouwelijke huisartsen iets oververtegenwoordigd waren. Dit kan geleid hebben tot een onderrapportage.

Vanuit preventief oogpunt is het nodig dat goedbedoelde richtlijnen worden omgezet in effectief beleid. Daartoe werden in 1995 aanbevelingen gedaan.26 De LHV onderschrijft de KNMG-standpunten ten aanzien van seksueel contact tussen arts en patiënt, maar heeft daarvoor geen afzonderlijk beleid geïmplementeerd.

Twee vormen van preventie kunnen worden genoemd. Eén manier is de mogelijkheid te creëren om verdachte collega's bij een onafhankelijke instantie aan te geven. De meningen over deze vorm van sociale controle zijn verdeeld.27 28 Vrouwelijke artsen neigen er meer toe dan hun mannelijke collega's om ongewenst seksueel gedrag te rapporteren en daders definitief hun artsenbevoegdheid te ontnemen.29

Daarnaast kunnen artsen leren om (seksuele) gevoelens voor een patiënt te onderkennen en te accepteren als normale menselijke gevoelens. De volgende stap is om deze gevoelens professioneel te leren hanteren, waarbij zelfkennis en -beheersing belangrijke elementen zijn.30 In Canada is ervaring opgedaan met langdurige educatieve interventie. Voor zowel studenten en docenten geneeskunde als voor artsen werd een curriculum ontwikkeld, waarin onder andere aandacht is voor het leren onderkennen en hanteren van waarschuwingssignalen die tot grensoverschrijdend gedrag kunnen leiden.31 32 Elders bleek een educatief interventieprogramma van 3 uur onvoldoende om de attitude ten aanzien van seksueel contact in de arts-patiëntrelatie bij studenten te veranderen.33 In Nederland is sinds kort enige aandacht voor deze problematiek bij nascholing voor huisartsen.34

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: Stichting ter bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk.

Literatuur
  1. Hubben JH. Sexuele handelingen in dehulpverleningsrelatie. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht1994;18:3-11.

  2. Geheime intieme relatie: uitspraak Regionaal TuchtcollegeGroningen d.d. 29 mei 2001. Med Contact 2001;56:1710-2.

  3. Celstraf voor huisarts na ontucht met patiënten. DeVolkskrant 20 juni 2001.

  4. Uitspraak gerechtshof Amsterdam: huisarts onderhoudtveelvuldige seksuele contacten met vrouwelijke patiënten. Med Contact1995; 50:218-21.

  5. Gartrell NK, Milliken N, Goodson 3rd WH, Thiemann S, Lo B.Physician-patient sexual contact. Prevalence and problems. West J Med1992;157:139-43.

  6. Wilbers D, Veenstra G, Wiel HB van de, Weijmar Schultz WC.Sexual contact in the doctor-patient relationship in the Netherlands. BMJ1992;304:1531-4.

  7. Lamont JA, Woodward C. Patient-physician sexualinvolvement: a Canadian survey of obstetricia-gynecologists. CMAJ1994;150:1433-9.

  8. Coverdale JH, Thomson AN, White GE. Social and sexualcontact between general practitioners and patients in New Zealand: attitudesand prevalence. Br J Gen Pract 1995;45:245-7.

  9. Bayer T, Coverdale J, Chiang E. A national survey ofphysicians’ behaviors regarding sexual contact with patients. South MedJ 1996; 89:977-82.

  10. Gedragsregels voor artsen. Utrecht: KNMG; 1995.

  11. Vathorst S van de. Seksueel contact tussen arts enpatiënt. Med Contact 1999;54:1059-61.

  12. Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Het mag niet, hetmag nooit. Seksuele intimidatie door hulpverleners in de gezondheidszorg.IGZ-bulletin. Rijswijk: IGZ; 1998.

  13. Brandt E. Seksuele intimidatie door hulpverleners. Eenprobleem dat uit de taboesfeer moet worden gehaald. Med Contact1997;52:119-21.

  14. Levine SB, Risen CB, Althof SE. Professionals whosexually offend: evaluation procedures and preliminary findings. J SexMarital Ther 1994;20:288-302.

  15. Dehlendorf CE, Wolf SM. Physicians disciplined forsex-related offenses. JAMA 1998;279:1883-8.

  16. Morrison J, Wickersham P. Physicians disciplined by astate medical board. JAMA 1998;279:1889-93.

  17. Coverdale J, Bayer T, Chiang E, Thomby J, Bangs M.National survey on physicians' attitudes toward social and sexualcontact with patients. South Med J 1994;87:1067-71.

  18. Thomson AN, White GE. Attitudes toward sexual contactbetween general practitioners and their patients. N Z Med J1995;108:247-9.

  19. Wilbers D, Wiel HBM van de, Weijmar Schultz WCM. Seksuelecontacten in de arts-patiëntrelatie. In: Lens P, Kahn Ph, redacteuren.Over de schreef. Over functioneren en disfunctioneren van artsen. Utrecht:Van der Wees; 2001. p. 99-118.

  20. Bloom JD, Nadelson CC, Notman MT, editors. Physiciansexual misconduct. Washington: American Psychiatric Press; 1999.

  21. Wohlberg JW, McCraith DB, Thomas DR. Sexual misconductand the victim/survivor. A look from the inside out. In: Bloom JD, NadelsonCC, Notman MT, editors. Physician sexual misconduct. Washington: AmericanPsychiatric Press; 1999.

  22. Appelbaum PS, Jorgenson LM, Sutherland PK. Sexualrelationships between physicians and patients. Arch Intern Med1994;154:2561-5.

  23. Searight HR, Campbell DC. Physician-patient sexualcontact: ethical and legal issues and clinical guidelines. J Fam Pract1993;36:647-53.

  24. Appelbaum PS, Jorgenson L. Psychotherapist-patient sexualcontact after termination of treatment: an analysis and a proposal. Am JPsychiatry 1991;148:1466-73.

  25. Psychotherapist-patient sexual contact after terminationof treatment letters. Am J Psychiatry 1992;149:979-89.

  26. Hengeveld MW. Seksueel contact tussen arts enpatiënt – verslag van een werkconferentie.Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:241-2.

  27. White GE, Coverdale JA, Thomson AN. Can one be a gooddoctor and have a sexual relationship with one's patient? Fam Pract1994; 11:389-93.

  28. White GE, Coverdale J. General practitioner attitudestoward mandatory reporting of doctor-patient sexual abuse. N Z Med J 1998;111:53-5.

  29. Cohen M, Woodward CA, Ferrier B, Williams AP. Sanctionsagainst sexual abuse of patients by doctors: sex differences in attitudesamong young family physicians. CMAJ 1995;153:169-76.

  30. Meier DE, Back AL, Morrison RS. The inner life ofphysicians and care of the seriously ill. JAMA 2001;286:3007-14.

  31. Robinson GE, Stewart DE. A curriculum onphysician-patient sexual misconduct and teacher-learner mistreatment. Part 1:content. CMAJ 1996;154:643-9.

  32. Robinson GE, Stewart DE. A curriculum onphysician-patient sexual misconduct and teacher-learner mistreatment. Part 2:teaching method. CMAJ 1996;154:1021-5.

  33. Coverdale JH, Turbott SH. Teaching medical students aboutthe appropriateness of social and sexual contact between doctors and theirpatients: evaluation of a programme. Med Educ 1997;31:335-40.

  34. Leusink PM, Schoot G van der. Dat bloesje mag ook nogeven uit. Over het omgaan met seksualiteit en erotiek in het consult. In:Cahiers over communicatie en attitude. Utrecht: Nederlands HuisartsenGenootschap; 2001.

Auteursinformatie

Groene Hart Ziekenhuis, Polikliniek Seksuologie, Postbus 1098, 2800 BB Gouda.

Hr.P.M.Leusink, huisarts-seksuoloog.

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Kwaliteit van Zorg, Nijmegen.

Hr.dr.H.G.A.Mokkink, methodoloog.

Contact hr.P.M.Leusink (leusink@seksualiteit.nl)

Verbeteringen

Gerelateerde artikelen

Reacties

B.Th.
Ch.

Amsterdam, april 2004,

Het onderzoek van Leusink en Mokkink (2004:778-82) naar seksuele contacten tussen huisarts en patiënt is in mijn ogen ongelukkig opgezet. Seksueel contact in de arts-patiëntrelatie is onder geen beding te tolereren. Dit duidelijke standpunt is door de KNMG en de Inspectie voor de Gezondheidszorg, blijkens het artikel, eind jaren negentig van de vorige eeuw ingenomen. Mijn indruk is dat de moraal op dit vlak in de jaren zestig tot en met tachtig minder helder was. Het is een breder maatschappelijk verschijnsel dat de toelaatbaarheid van intimiteit binnen professionele (afhankelijkheids)relaties steeds scherper omschreven is geraakt. Denk aan relaties tussen leraren en leerlingen: die waren vroeger ongewenst, maar zijn thans verboden.

Mijn eerste bezwaar tegen genoemd onderzoek is dat een belangrijk deel van de gerapporteerde seksuele contacten mogelijk stamt uit voorbije tijden, zodat wij wellicht tegen ‘oude cijfers’ aan zitten te kijken. Cijfers uit de tijd dat allerlei dingen moesten kunnen die wij inmiddels afkeuren.

Mijn tweede bezwaar is dat het onderzoek zich tot huisartsen beperkt. Was het niet te voorzien geweest dat het één met het ander gemakkelijk tot – wellicht onterechte – negatieve beeldvorming van de huisarts in de lekenpers zou kunnen leiden? Met onder meer als gevolg dat de minister zich volgens de Volkskrant van 19 april al geroepen voelt huisartsen te gaan aanspreken op hun seksuele moraal. Was het, na alle aandacht die de laatste tien jaar aan dit onderwerp gegeven is, niet relevanter geweest te onderzoeken in welke mate seksueel contact met patiënten nú nog voorkomt? Los van de uitkomst van zo'n studie lijkt het mij overigens zonneklaar dat onderwijs rond (seksuele) gevoelens in de arts-patiëntrelatie in elke medische basisopleiding thuishoort.

Ch.B.Th. Rietmeijer
P.M.
Leusink

Gouda, mei 2004,

Ik dank collega Rietmeijer voor zijn reactie en wil op een paar opmerkingen reageren.

Terecht stelt hij dat het onderzoek beperkt is, maar de kwalificatie ‘ongelukkig’ zou ik niet willen overnemen. Zoals beschreven in de verantwoording van de methode, hebben wij bewust gekozen voor een korte, identieke vragenlijst, zoals die in 1992 in het onderzoek onder kno-artsen en gynaecologen is afgenomen. Hierdoor menen wij een hoge respons te hebben bereikt en tevens kon daarmee de vraag of de aard van de specialisatie er toe doet wat betreft de omvang van het probleem, ontkennend worden beantwoord. Uiteraard zijn er nog vele vragen te beantwoorden, zoals inherent aan elk onderzoek. Eén daarvan is wanneer voor het laatst het seksuele contact plaatsvond. Het feit dat wij dat niet weten, is geen argument voor de suggestie dat wij tegen ‘oude cijfers’ aankijken. Ook in de groep huisartsen onder de 50 jaar vond namelijk seksueel contact plaats, zij het in mindere mate. Nader gespecificeerd (niet gepubliceerd) waren er 3 huisartsen-daders van 31-40 jaar en 10 van 41-50 jaar. Seksualiteit tussen arts en patiënt is van alle eeuwen en niet iets van de jaren zestig tot tachtig van de vorige eeuw. Of de prevalentie nu 3, 5 of 8% is, maakt mij niet veel uit. Het gaat hier in ieder geval om beduidend meer dan om een incident. Dat was wat wij wilden aantonen.

De suggestie dat wij ‘inmiddels’ deze zaken afkeuren die destijds iets milder werden beoordeeld, deel ik evenmin. Ik herinner eraan dat Hippocrates enkele duizenden jaren geleden ons al voorhield dat seksueel contact tussen arts en patiënt volstrekt uit den boze is. En hebben wij sindsdien niet allen deze eed gezworen of de gelofte afgelegd?

Er is een grote kloof tussen weten en doen. Met het op zich juiste standpunt van de KNMG en de Inspectie in de jaren negentig komen wij er niet. Dit is slechts een begin en niet een eindpunt. Ik ben dan ook benieuwd waarop Rietmeijer baseert dat er de laatste 10 jaar ‘alle aandacht aan dit onderwerp is gegeven’. De in ons artikel genoemde aanbevelingen van een werkconferentie in 1995, zijn daarna in de vrije beroepssector nergens geïmplementeerd. Evenmin heb ik in onze tijdschriften of onze beroepsorganisaties enige discussie hierover bemerkt. Ook is er structureel geen aandacht hiervoor in onderwijs of supervisie. Sterker: de Landelijke Huisartsen Vereniging was op deze werkconferentie wel uitgenodigd door de KNMG, maar kwam niet opdagen. Ook weigerde zij in 1992 deelname aan het hierboven genoemde onderzoek.

Ik hoop dat Rietmeijer zich met mij en anderen sterk wil maken om aan deze angstige starheid van de jaren negentig een eind te maken. Wij zullen onder ogen moeten zien dat ook artsen seksuele wezens zijn.

P.M. Leusink