Seksuele intimidatie van co-assistenten tijdens hun stage

Onderzoek
M.E.T.C. van den Muijsenbergh
A.L.M. Lagro-Janssen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:764-8
Abstract

Samenvatting

Doel

Vastleggen van incidentie, aard en gevolgen van seksuele intimidatie van Nijmeegse co-assistenten tijdens hun stages, alsmede de behoeften van de co-assistenten aan opvang.

Opzet

Enquête.

Methode

In de periode 1 juli-31 december 2003 werd een jaarcohort van Nijmeegse co-assistenten naar voorvallen van seksuele intimidatie gevraagd door middel van een enquête. Seksuele intimidatie werd gedefinieerd als ongewenste, seksueel getinte aandacht.

Resultaten

Van de 183 uitgereikte enquêteformulieren werden er 113 geretourneerd (62). Van de 75 vrouwelijke co-assistenten hadden 15 (20) met seksuele intimidatie te maken gehad en 0 van de 38 mannelijke. De daders waren 9 patiënten en 6 artsen, 14 mannen en 1 vrouw. De intimidatie bestond in 7 van de 15 voorvallen uit combinaties van ongewenst gedrag met ongewenste seksueel getinte opmerkingen. Van de 15 co-assistentes hadden 9 het gebeurde in informele kring besproken, 7 hadden het (ook) formeel aangekaart en 3 hadden het bij niemand gemeld. Een belangrijke reden om het voorval eerst informeel te bespreken was twijfel over de eigen inschatting, ondanks een eigen oordeel over de ontoelaatbaarheid van het gebeurde. Na het voorval voelden 5 co-assistenten zich geremd in contacten met patiënten. Van de 15 daders waren 8 niet op hun gedrag aangesproken. Van de 15 co-assistentes waren 6 niet tevreden over de afronding van het gebeurde.

Conclusie

Seksuele intimidatie van co-assistenten tijdens hun stage is een niet te onderschatten probleem met negatieve gevolgen voor het persoonlijk en professioneel functioneren. Aandacht voor dit onderwerp in het onderwijs aan co-assistenten en in de (na)scholing van hun begeleiders is gewenst.

Ned Tijdschrift Geneeskd 2005;149:764-8

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, vakgroep Huisartsgeneeskunde, afd. Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Mw.dr.M.E.T.C.van den Muijsenbergh, huisarts-onderzoeker; mw.prof.dr.A.L.M.Lagro-Janssen, huisarts en hoogleraar vrouwenstudies medische wetenschappen.

Contact mw.prof.dr.A.L.M.Lagro-Janssen (a.lagro-janssen@hag.umcn.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Groningen, april 2005,

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van de rapportage van Van den Muijsenbergh en Lagro-Janssen over de ervaringen van Nijmeegse co-assistenten met seksuele intimidatie op de werkvloer (2005:764-8). Terecht wijst collega Gunning-Schepers in haar commentaar op de verantwoordelijkheid van de universitaire medische centra in dezen (2005:735-6). Dergelijke ingrijpende ervaringen kunnen de professionele ontwikkeling van de co-assistent schade toebrengen. Dit geldt niet alleen voor seksuele intimidatie, maar ook voor andere ervaringen tijdens de stages zoals conflicten over taakopvatting of emoties opgeroepen door de confrontatie met ernstig zieke patiënten. Dergelijke ervaringen worden door co-assistenten inderdaad veelal in informeel verband na werktijd besproken (als ze al besproken worden). Op zich is daar niet veel op tegen. Het is echter een gemiste kans wanneer een opleider een dergelijk voorval niet aangrijpt om de co-assistent de gelegenheid te geven dit te bespreken, ruimte te geven voor zijn of haar emoties en gedachten om vervolgens met elkaar na te gaan hoe deze een dergelijke situatie in de toekomst tegemoet zou kunnen treden.

Deze sequens van reflectie, analyse en actie rekenen wij tot de kern van de ontwikkeling van het professioneel gedrag van de toekomstige arts. Een curriculum dat opleidt tot arts dient hieraan niet ad hoc, maar systematisch aandacht te besteden. In het Groningse curriculum hebben wij hiertoe in de masteropleiding een onderwijslijn geïntroduceerd, waarbinnen de co-assistenten tweewekelijks samenkomen in groepen met een vaste samenstelling van 10 deelnemers onder leiding van een coach. In deze coachgroepen is onder andere ruimte om dergelijke voorvallen te bespreken. Een veilige groep collega’s biedt bovendien de gelegenheid gelijksoortige ervaringen te delen. Ook kan men dan verschillende ‘coping’-stijlen naast elkaar plaatsen.

Incidenten zoals Van den Muijsenbergh en Lagro-Janssen beschrijven, zullen zich blijven voordoen, maar de gevolgen daarvan dienen binnen het onderwijs op zodanige wijze aandacht te krijgen dat het professionele gedrag van onze studenten zich verder kan en zal ontwikkelen.

J. Schuling
M.J. Heineman
M.E.T.C.
van den Muijsenbergh

Nijmegen, april 2005,

Wij zijn blij met de instemmende reactie van Schuling en Heineman. Ook wij zijn van mening dat professioneel gedrag geleerd moet worden in de opleiding en dat het bespreken van ingrijpende ervaringen daarvan onderdeel uitmaakt. In Nijmegen besteden wij daar aandacht aan in de zogeheten centrale co-assistentschappen die in groepen met een vaste samenstelling en een vaste begeleider (tutor) plaatsvinden in de masterfase.

De reactie van Schuling en Heineman geeft ons de gelegenheid om de aandacht te vestigen op een aantal kenmerken waarin seksuele intimidatie zich onderscheidt van andere ingrijpende ervaringen die de auteurs noemen.

Enkele van de belangrijkste gevoelens van mensen die ongewenst seksueel getinte aandacht krijgen, zijn schuld en schaamte. Schuldgevoelens vloeien voort uit het feit dat vooral hulpverleners de verantwoordelijkheid voor het gedrag van de ander bij zichzelf leggen (‘had ik bij het onderzoek maar niet zo dichtbij moeten gaan staan’) en zich daarom schuldig voelen dat het gedrag überhaupt heeft kunnen optreden. Dat wekt ook schaamtegevoelens op. Schuld en schaamte horen bovendien bij slachtoffers. Artsen zien zichzelf niet graag als slachtoffer; dit tast hun professionele identiteit aan.

In het geval van seksuele intimidatie door patiënten zijn daarenboven de volgende aspecten van belang. In de hulpverlening staat de patiënt centraal en hoort empathie tot de professionele vaardigheden. De patiënt wijzen op ongeoorloofd gedrag kan opgevat worden als het afwijzen van de patiënt als zieke persoon. Dat maakt het extra moeilijk om grenzen aan te geven.

In het geval van seksuele intimidatie door opleiders speelt de afhankelijke positie van de co-assistent een complicerende rol. Tijdens de stage worden incidenten met seksuele intimidatie dan ook niet vaak aan opleiders gemeld en in de centrale co-assistentschappen worden deze ervaringen niet spontaan in de groep verteld.

Bovendien: hoe vaak wordt niet verwacht dat een professional tegen ‘iets moet kunnen’, waaronder ook seksistische opmerkingen. Dat bleek uit ons onderzoek: de co-assistenten gaven duidelijk aan dat zij zich vervelend voelden onder het gebeurde, maar vroegen zich tegelijkertijd af of het niet net door de beugel kon.

Deze kenmerken van seksuele intimidatie geven richting aan de inhoud van de professionele vorming op dit gebied. Het onderwerp moet expliciete aandacht krijgen, waarbij niet de uitgesproken aanrandingen aan de orde komen, maar die situaties waar sprake is van sluipend grensoverschrijdend gedrag. Dat ook mannelijke co-assistenten daar problemen mee ervaren, spreekt vanzelf.

M.E.T.C. van den Muijsenbergh
A.L.M. Lagro-Janssen
L.J.
Gunning-Schepers

Amsterdam, april 2005,

Ik ben het zeer met Schuling en Heineman eens. Het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam heeft nu reeds een aantal jaren dergelijke co-groepen. Onze studenten bleken soms toch de voorkeur aan hun eigen vriendenkring te geven. Wij moeten dergelijke besprekingen dus zeker houden, maar wij moeten erop bedacht zijn dat deze niet alles opvangen.

L.J. Gunning-Schepers