Samen slapen en de veiligheid van de zuigeling

Klinische praktijk
G.A. de Jonge
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:1953-6
Download PDF

artikel

Zie ook het artikel op bl. 1945.

De vraag of ouders er verstandig aan doen hun zuigeling bij zich in bed te laten slapen is opnieuw actueel. Ten eerste wordt er door voorstanders van dit samen slapen de laatste jaren op gewezen dat het voor de ontwikkeling van een goede ouder-kindrelatie van grote waarde kan zijn dat een jong kind dicht bij zijn ouders verblijft en veel contact met hen heeft, zodat zij elkaar over en weer kunnen horen, zien, ruiken en voelen.1-3 Voor een harmonische ontwikkeling van het jonge kind, maar ook voor de natuurlijke ontplooiing van het ouderschap zien zij het samen in één bed slapen dan ook als een kostelijk hulpmiddel. Ten tweede wordt het samen slapen nuttig geacht voor het goed op gang komen van de borstvoeding: het kind dat bij zijn moeder mag slapen zal vaker kunnen zuigen en drinken, waardoor de lactatie wordt gestimuleerd.4 Dat vele moeders die hun zuigeling langere tijd zelf zouden willen voeden daar niet in slagen, wordt zeker in de hand gewerkt doordat in de westelijke cultuur de meeste baby's reeds jong apart komen te liggen, in een eigen wieg of in een eigen bedje, in de laatste 15 jaar dikwijls in een afzonderlijke slaapkamer. En ten derde is uit onderzoek van McKenna et al. naar voren gekomen dat zuigelingen die bij hun moeder sliepen een ander slaap-waakritme hadden dan zuigelingen die apart lagen. De waakmomenten van moeder en kind bleken min of meer synchroon, hetgeen naar hun mening wellicht het plotseling en onverwacht overlijden van een zuigeling helpt voorkomen. Als het samen slapen inderdaad dit gunstige effect heeft, zou deze gewoonte mede de oorzaak kunnen zijn van de lage frequentie van wiegedood in diverse niet-westerse landen.5 Maar afgezien van deze belangwekkende hypothese is er met het oog op de ontwikkeling van de relaties en op het slagen van borstvoeding reeds veel voor te zeggen om een zuigeling bij zijn ouders in bed te laten slapen.

Hoe staat het echter met de kans dat het nog jonge kind door dit samen slapen in gevaar wordt gebracht?

‘doodgelegen kinderen’

Het plotseling en onverwacht overlijden van een baby tijdens een slaapperiode werd vanaf de Oudheid tot in onze eeuw voornamelijk gezien als gevolg van een verstikking door het lichaam van een volwassene die naast het kind lag te slapen. Het bijbelverhaal uit 1 Koningen 3 van de twee vrouwen die bij de koning komen omdat zij, nadat één van hen een baby heeft verloren doordat zij erop heeft gelegen, elkaar het overgebleven kind fel betwisten, was in Europa reeds in de Middeleeuwen wijd en zijd bekend.6 Wanneer een zuigeling onverwachts tijdens het slapen overleed, werd dit dan ook toegeschreven aan doodliggen door een persoon bij wie het kind in bed lag – zijn moeder, zijn voedster, zijn vader. Zo waarschuwt Blankaart in 1684 als volgt: ‘Men moet de Kinderen ook in een Wieg leggen en niet bij de Ouders in het bed, want dan werden de kinderen meenigmaals doodgelegen, daarom moet men haar zoo lange in een Wieg laten slapen, totse zig zelven als een mensch in het bed kunnen helpen. Men heeft te veel exempelen van kinderen, welke van de Moeders en Soogsters onnooselijk zijn dood gelegen, en om dat voor te komen, is het best, dat de kinderen in een Wieg gelegt werden.’7

Er zijn in die oude tijd veel berichten over doodliggen, niet het minst van kinderen die waren toevertrouwd aan de zorgen van een ander. Om dergelijke sterfgevallen te voorkomen werd door de voedsters in Florence een soort dekenboog gebruikt die over de zuigeling werd geplaatst: de Florentijnse ‘arcutio’, waarvan in 1746 een geïllustreerde beschrijving verscheen.8

Ondanks dergelijke waarschuwingen en adviezen bleef deze wijze van overlijden veel voorkomen. Een indrukwekkend verslag publiceerde Templeman ruim twee eeuwen na Blankaart, over een serie sterfgevallen in de periode 1882-1891 in de Schotse industriestad Dundee.9 In die 10 jaren werden er niet minder dan 399 sterfgevallen van zuigelingen aan de politie gemeld, waarbij het kind dood was aangetroffen bij zijn ouders in bed. Hiervan werden er 258 door Templeman onderzocht. Het betrof bijna steeds een arbeidersgezin, veelal zeer armoedig en vervuild. Driekwart van de woningen bestond uit slechts één kamer. Betrekkelijk vaak waren de kinderen buitenechtelijk geboren (32 van de overledenen tegenover 10 van niet-overleden kinderen); in 78 van alle gevallen was het kind nog geen 4 maanden oud. Soms lag het zo stevig tegen de moederborst aangedrukt dat de ademhaling daardoor belemmerd zou kunnen zijn, soms leek de verstikking door beddegoed veroorzaakt, in de overige gevallen leek het een kwestie van doodliggen in engere zin waarbij het kind onder of tussen de ouders was gestikt. Als belangrijkste oorzaken hiervan noemt de schrijver: onwetendheid en zorgeloosheid van de moeders, dronkenschap en ruimtegebrek (‘overcrowding’), en in het spoor van andere waarnemers wijst hij nog op andere factoren: buitenechtelijke geboorte en een afgesloten levensverzekering. In verband met alcoholgebruik is het van betekenis dat 46 van deze 258 sterfgevallen zich had voorgedaan in de nacht van zaterdag op zondag. Van 1918 tot 1924 waren er in Birmingham 130 sterfgevallen die geweten werden aan samen slapen, terwijl toch ‘death by overlying’ daar reeds sedert 1909 als een strafbaar feit werd aangemerkt.1011

Met recht kan men stellen dat er in de eerste helft van deze eeuw in West-Europa onder medici consensus bestond over de beantwoording van de vraag of de ouders van een zuigeling er wel goed aan deden hun kind bij zich in bed te laten slapen: dit werd zeer gevaarlijk geacht. Cornelia de Lange bracht deze opvatting in 1925 aldus onder woorden: ‘Het kind mag alleen maar in zijn eigen bedje slapen, nooit in dat van een huisgenoot. Het is streng verboden, dat een volwassene, zelfs de moeder, een slapend kind bij zich in bed neemt; het gevaar, dat men op het kind gaat liggen, het daardoor ernstig nadeel toebrengt, ja het zelfs kan doen stikken is zeer groot.’12

In de ‘Korte Onderrichtingen en Nuttige Wenken’ van rooms-katholieke signatuur werd de gehuwden in 1926 voorgehouden: ‘de ouders dienen er op te letten dat zij het kind niet gedurende den slaap bij zich in bed houden’, en ook 20 jaar later lezen wij: ‘De ouders moeten, als zij gaan slapen, nooit een klein kind bij zich in bed houden; immers gevaar voor verstikking of dooddrukken van het kind is niet denkbeeldig.’1314

Toen geleidelijk duidelijk werd dat zuigelingen ook in hun eigen bedje plotseling en onverwachts konden overlijden, bleef men de oorzaak van wat nu ‘wiegedood’ ging heten aanvankelijk nog zoeken in verstikking; in de krant werd het gebeuren nog tot omstreeks 1980 veelal aangeduid als ‘baby in wiegje gestikt’. Vanaf de jaren vijftig kregen, althans in de medische pers, infecties (vooral acute luchtweginfecties en mastoiditis) een belangrijke rol toegemeten. Dat uitwendige belemmering van de ademhaling van causale betekenis zou kunnen zijn kwam op de achtergrond en de mogelijkheid van doodliggen werd ten slotte geheel als folklore terzijde geschoven. Zo schreef Jolly in zijn populaire Book of Child Care:15 ‘Het idee dat een baby zal stikken doordat zijn moeder tegen hem aan ligt en hem zo in zijn ademhaling belemmert, is onjuist; een normale baby wringt zich vrij tot hij weer makkelijk ligt en ademhaalt, dus als u af en toe eens in slaap valt onder het voeden hoeft u zich beslist niet schuldig te voelen – voeden en slapen tegelijk is een heel natuurlijke gang van zaken. Het is volkomen veilig voor een zuigeling om met zijn ouders in één bed te liggen. Het idee van doodliggen is onjuist: met behulp van “slow motion”-films die gedurende een nacht werden opgenomen, is aangetoond dat slapende ouders met een baby tussen hen in instinctief opzij- en wegdraaien, telkens wanneer de baby hen aanraakt.’

Men kan hiertegen aanvoeren dat deze filmbeelden niets bewijzen: zelfs een zeer grote reeks van dergelijke waarnemingen kan immers niet uitsluiten dat een kind bij uitzondering wèl in de verdrukking komt. En bovendien zijn er ervaringen in Scandinavië en Nieuw-Zeeland die te denken geven. Zo kwam in een Fins onderzoek over de jaren 1969-1980 aan het licht dat van 180 wiegedoodkinderen 54 (30) bij een volwassene in bed waren overleden.16 In Zweden vond Norvenius in een onderzoek van 334 wiegedoodkinderen in de jaren 1973-1977 en 1979, dat van hen 41 (12) in de fatale nacht bij een volwassene hadden geslapen.17 In een latere Zweedse reeks van 70 wiegedoodkinderen bleek 13 bij een volwassene in bed te hebben gelegen.18

De samenhang tussen samen slapen en wiegedood

Voor een goed inzicht in een mogelijk verband tussen het samen slapen en het plotseling, onverwacht overlijden van een zuigeling is het noodzakelijk duidelijkheid te krijgen op de volgende punten.

De reden van het samen slapen

Was er een bepaalde reden voor het samen slapen? Reeds in 1952 werd er door Bowden op gewezen dat men na het onverwacht overlijden van een zuigeling in bed bij zijn ouders dient na te gaan waarom het kind bij hen in bed lag.19 Wat is er natuurlijker, zo vroeg hij zich af, dan dat een moeder een huilend kind uit zijn wieg bij haar in bed neemt om hem te troosten en te kalmeren? Het is vooral daarom belangrijk hieraan aandacht te besteden omdat vrij veel kinderen die plotseling en onverwachts zijn overleden tevoren onrustig en huilerig waren.

Carpenter en Shaddick publiceerden in 1965 een onderzoek waarin met deze vraag rekening was gehouden. In een reeks van 110 goed onderzochte wiegedoodkinderen waren er 14 die toen hun dood werd ontdekt niet alleen in bed lagen. De meesten van deze 14 kinderen waren echter bij hun ouders in bed genomen omdat zij zo onrustig sliepen. Slechts 2 sliepen gewoonlijk bij hun ouders in bed, waarmee de groep niet significant afweek van de groep van 310 referentiekinderen die met de wiegedoodkinderen overeenkwamen in leeftijd, geslacht en woonplaats: ook onder hen waren er 2 die gewoonlijk bij iemand in bed sliepen.20 Noch in het Finse, noch in het Zweedse onderzoek was aan deze achtergrond aandacht besteed.

Voorafgaand alcoholgebruik

De vermelde waarneming van Templeman dat doodliggen vooral voorkwam indien de betrokken volwassenen alcohol hadden gebruikt, staat niet alleen. Herhaaldelijk vindt men dit in de oudere literatuur beschreven en ook in de recente Scandinavische onderzoeken wordt het genoemd. In het Finse onderzoek was er in alle 180 gevallen van wiegedood goede informatie over voorafgaand alcoholgebruik door de ouders:16 van de 54 kinderen die bij hun moeder en (of) vader in bed waren overleden was bij 22 (41) door ten minste één van beide ouders tevoren alcohol gedronken, terwijl dit bij de overige 126 kinderen slechts 8 keer (6) het geval was geweest (dit verschil was significant: p

Ook in het eerste Zweedse onderzoek kwam dit naar voren: van de 41 wiegedoodkinderen die overleden waren in bed bij één of twee volwassenen, was er bij 14 (34) een overmatig alcoholgebruik door de betreffende ouder vastgesteld. Voor deze 14 lijkt het Norvenius niet uitgesloten dat het lichaam van de volwassene heeft bijgedragen tot het overlijden van het kind. Op grond van goede politierapporten acht hij het overigens zeer wel mogelijk dat er ook in 11 andere gevallen accidenteel doodliggen heeft plaatsgevonden.17

Bedmaterialen

Net zoals een kind kan stikken in een wieg of een eigen ledikantje, is het niet onmogelijk dat een kind stikt in het bed en het beddegoed van een volwassene. Dit kan zich voordoen als het kind reeds in het grote bed is neergelegd voordat de ouders zelf naar bed gaan ofwel daarna. Zo zijn voor een baby een hoofdkussen en een dekbed in het bed van een volwassene vermoedelijk even gevaarlijk als in een babybed. Gevaarlijk ook is de wigvormige ruimte tussen de matrassen van een lits-jumeaux waarin een klein kind met zijn gezicht bekneld kan raken, evenals in de ruimte tussen een matras en de muur waartegen het bed kan zijn geplaatst. Bovendien is het niet zo simpel om veilige voorzieningen te treffen tegen het uit bed vallen van een beweeglijke zuigeling.2122

Obductiegegevens

Het is in de regel niet mogelijk om met zekerheid aan te tonen of uit te sluiten dat een kind door doodliggen is overleden.23 Ook een zorgvuldige obductie geeft hierover doorgaans geen uitsluitsel. Zo laat een verstikking door uitwendige adembelemmering gewoonlijk geen sporen na die de toedracht kunnen verhelderen. Slechts bij uitzondering zijn er sporen van druk op het gelaat of op de buik van het overleden kind, of bloedsporen op de nachtkleding van de volwassene die ernaast heeft geslapen. Een belangrijke aanwijzing, waarnaar gezocht dient te worden, kan een epidurale bloeding zijn ter hoogte van het cervicale merg,24 maar de meeste auteurs hebben bij ‘een vermoedelijk doodgelegen kind’ geen overtuigende tekenen van een dodelijk trauma kunnen aantonen. Bij jonge biggen die door de zeug zijn doodgelegen is dat anders: dikwijls kan dan wel oorzakelijk letsel worden aangetoond, zoals hersenletsel, een leverruptuur, een miltruptuur, een retroperitoneale bloeding of een ribfractuur met longbeschadiging.25 Zoals in alle gevallen van een plotseling, onverwacht overlijden is deskundig postmortaal onderzoek (volledige anamnese, onderzoek ter plaatse en laboratoriumonderzoek) zeer aan te bevelen, ook al wegens de kans van circa 10 op een verrassende andere diagnose.26

Leeftijdsverdeling

De sterfgevallen die in de verschillende publikaties min of meer zeker aan doodliggen werden toegeschreven, betreffen voornamelijk jonge zuigelingen. Het is een uitzondering dat het kind dan ouder is dan 5 maanden.27

Nederlandse gegevens

In een landelijk onderzoek in Nederland door Engelberts werd informatie ingewonnen over de ligging van 108 wiegedoodkinderen en 567 referentiekinderen in de jaren 1985-1987.28 Van de referentiekinderen, aselect getrokken uit de bevolkingsregisters van vele gemeenten, hadden in hun 1e levensmaand 31 (5,5) soms, 12 (2,1) vaak en slechts 5 (0,9) altijd bij hun ouders in één bed geslapen. In de 6e levensmaand waren deze aantallen niet groter: respectievelijk 24 (4,2), 10 (1,8) en 5 (0,9). Ruim 90 van de referentiekinderen had in het eerste levenshalfjaar nooit bij de ouders in bed geslapen, een percentage dat bij de wiegedoodkinderen niet significant anders was. Slechts 1 kind in dit onderzoek sliep op het moment van overlijden bij zijn ouders in bed; bij obductie was er geen aanwijzing dat dit tot de dood had bijgedragen.

Aanbevelingen

Doodliggen als oorzaak van wiegedood?

Wanneer een kind bij samen slapen is overleden, is het zaak uiterst voorzichtig te zijn met een uitspraak over de betekenis van het samen slapen. Zoals bij elk plotseling en onverwacht overlijden van een zuigeling moet rekening gehouden worden met de wisselwerking van een reeks potentieel causale factoren gelegen in voorgeschiedenis, omstandigheden en lichamelijke toestand, zoals een laag geboortegewicht, roken door de moeder en roken door de vader, slapen in buikligging, luchtweginfectie, sederende hoestdrank, warmtestuwing, het gebruik van een hoofdkussen of dekbed en voorafgaande extra vermoeienis. Het is aanbevelenswaard dat na ieder geval van plotseling, onverwacht overlijden de diagnostiek wordt behartigd door een ad hoc-medisch team bestaande uit de huisarts, een kinderarts en een patholoog-anatoom. De elementen voor een zorgvuldige causale diagnose kunnen verkregen worden uit anamnese, onderzoek ter plaatse en pathologisch onderzoek.29

Voorzorgen ten aanzien van samen slapen

Ten aanzien van het samen slapen met een zuigeling lijkt het volgende een bijdetijds uitgangspunt voor de ouders:

1. Laat een baby niet bij u in bed slapen als u alcohol hebt gebruikt of een slaapmiddel hebt ingenomen.

2. Als u een baby bij u in bed laat slapen, zorg dan – dat de onderlaag stevig is en geen zeil of plastic bevat;

– dat u geen waterbed gebruikt;

– dat u geen hoofdkussen gebruikt en geen dekbed;

– dat het kind niet in een spleet naast de matras terecht kan komen, en

– dat het kind niet uit bed kan vallen.

– Zorg verder dat het kind op zijn rug te slapen wordt gelegd,28 en dat het niet te warm ligt.22

Voordelen en nadelen van samen slapen

Worden de genoemde voorzorgen genomen, dan is het risico van samen slapen zeer gering, en voornamelijk beperkt tot de eerste maanden. Dit moet dan worden afgewogen tegen de voordelen voor het geven van borstvoeding en voor de ouder-kindrelatie. Voor hen die dit zeer kleine risico niet willen nemen kan de nabijheid het best benaderd worden door hun baby in een ledikantje vlak naast hun bed te laten slapen.

Men houde bij al deze ervaringen en beschouwingen wel in het oog dat de veiligheid van een baby meer omvat dan het vermijden van doodliggen. Veiligheid voor een klein kind betekent ook geborgenheid.

Literatuur
  1. Sears W. Nighttime parenting. Franklin Park (IL, USA): LaLeche League International, 1985.

  2. Thevenin T. Samen slapen. Utrecht: Spectrum,1983.

  3. Jackson D. Three in a bed. Why you should sleep with yourbaby. London: Bloomsbury, 1989.

  4. Yamauchi Y, Yamanouchi I. The relationship betweenrooming-innot rooming-in and breast-feeding variables. Acta PaediatrScand 1990; 79: 1017-22.

  5. McKenna JJ, Mosko S, Dungy C, McAninch J. Sleep andarousal patterns of co-sleeping human motherinfant pairs: a preliminaryphysiological study with implications for the study of sudden infant deathsyndrome (SIDS). Am J Phys Anthropol 1990; 83: 331-47.

  6. Koningen. Boek I. Hfdst 3: vers 16-28.

  7. Blankaart S. Verhandelinge van de opvoedinge en ziektender kinderen. (Hieronymus Sweerts, Amsterdam 1684). Eerste hoofdstuk XX. 2edruk. Baarn: Hollandia, 1966.

  8. Fildes V. Breasts, bottles and babies. A history of infantfeeding. Edinburgh: Edinburgh University Press, 1986.

  9. Templeman C. Two hundred and fifty-eight cases ofsuffocation of infants. Edinburgh Med J 1892; 38: 322.

  10. Ashby HT. Infant mortality. 2nd ed. Cambridge: CambridgeUniversity Press, 1922.

  11. Davison WH. Accidental infant suffocation. Br Med J 1945;iii: 251.

  12. Lange C de. De lichamelijke opvoeding van het kind. (Invrije navolging van prof. Biedert: Das Kind.) 7e herziene druk. Amsterdam:Meulenhoff, 1925.

  13. Hopmans P, red. Korte onderrichtingen en nuttige wenkenvoor gehuwden. Breda: Van Wees, 1926.

  14. Instituut tot voorlichting in de zielzorg en in dekatholieke actie. Huwelijksonderricht voor katholieke echtgenoten. 4e druk.Hilversum: Gooi en Sticht, 1948.

  15. Jolly H. Book of child care. The complete guide fortoday's parents. (Nederlandse uitgave: Kinderverzorging en opvoeding. 6edruk. Utrecht: Spectrum, 1986). London: Unwin, 1985.

  16. Rintahaka PJ, Hirvonen J. The epidemiology of suddeninfant death syndrome in Finland in 1969-1980. Forensic Sci Int 1986; 30:219-33.

  17. Norvenius SG. Sudden infant death syndrome in Sweden in1973-1977 and 1979. Acta Paediatr Scand 1987; 333 (Suppl): 1-138.

  18. Wennergren G, Milerad J, Lagercrantz H, et al. Theepidemiology of sudden infant death syndrome and attacks of lifelessness inSweden. Acta Paediatr Scand 1987; 76: 898-906.

  19. Bowden KM. Overlaying of infants. Med J Aust 1952; ii:609-11.

  20. Carpenter RG, Shaddick CW. Role of infection, suffocationand bottle feeding in cot death. An analysis of some factors in the historiesof 110 cases and their controls. Br J Prev Soc Med 1965; 19: 1-7.

  21. Smialek JE, Smialek PZ, Spitz WU. Accidental bed deathsin infants due to unsafe sleeping situations. Clin Pediatr (Phila) 1977; 16:1031-6.

  22. Fleming PJ, Berry PJ, Gilbert R, et al. Bedding andsleeping position in the sudden infant death syndrome. Br Med J 1990; 301:494-6.

  23. Thach BT. Sudden infant death syndrome. Old causesrediscovered? N Engl J Med 1986; 315: 126-8.

  24. Francisco JT. Smothering in infancy: its relationship tothe ‘crib death syndrome’. South Med J 1970; 63:1110-4.

  25. Glastonbury JRW. Preweaning mortality in the pig:pathological findings in piglets dying between birth and weaning. Aust Vet J1977; 53: 310-4.

  26. Gilbert R, Rudd P, Berry PJ, et al. Combined effect ofinfection and heavy wrapping on the risk of sudden unexpected infant death.Arch Dis Child 1992; 67: 171-7.

  27. Bass M, Kravath RE, Glass L. Death-scene investigation insudden infant death. N Engl J Med 1986; 315: 100-5.

  28. Engelberts AC. Cot death in the Netherlands. Anepidemiological study. Amsterdam: VU University Press, 1991.

  29. Geudeke M, Jonge GA de, Spreeuwenberg C, eds. Wiegedood.Utrecht: Bunge, 1989.

Auteursinformatie

Prof.dr.G.A.de Jonge, emeritus hoogleraar kindergeneeskunde, Prins Bernhardlaan 50, 2341 KL Oegstgeest.

Gerelateerde artikelen

Reacties