Een longitudinale cohortstudie

Rouw bij nabestaanden 8-10 jaar na suïcide*

Onderzoek
Marieke H. de Groot
Boudewijn J. Kollen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7546
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inventarisatie van het 8-10-jarige beloop van gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten bij familieleden en partners van personen die zijn overleden door suïcide.

Opzet

Longitudinale cohortstudie.

Methode

Nabestaanden werden geworven door de huisarts van suïcidanten. We includeerden 153 eerstegraadsfamilieleden en partners van 74 suïcidanten. Exclusiecriteria waren onvoldoende beheersing van het Nederlands door de nabestaanden en detentie van de suïcidant. De helft van de deelnemende families ontving in het eerste jaar na de suïcide familiegerichte, cognitieve gedragstherapie; toewijzing vond plaats via randomisatie. Deelnemers vulden 2,5 (T0), 13 (T1) en 96-120 maanden (T2) na de suïcide een zelfrapportagevragenlijst in. Uitkomstmaten waren gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten. Ook werd het hulpzoekgedrag geïnventariseerd. We berekenden predictiemodellen met multilevel-regressieanalyse.

Resultaten

Gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten hingen onderling sterk samen. Suïcidepogingen in de voorgeschiedenis van nabestaanden waren geassocieerd met suïcidegedachten in het rouwbeloop (oddsratio: 5,5; 95%-BI: 1,8-16,7). Depressie hing samen met algemene factoren die het risico op depressie verhogen, terwijl het risico op gecompliceerde rouw samenhing met het verlies van een kind (regressiecoëfficiënt (B): 5,5; 95%-BI: 0,1-10,9). Het risico op depressie en gecompliceerde rouw nam af met de tijd; de afname in het 1e jaar na de suïcide was gering. Professionele hulp had geen invloed op gezondheidsrisico’s. Lotgenotencontact was echter geassocieerd met een verhoogd risico op gecompliceerde rouw (B: 5,9; 95%-BI: 1,6-10,3).

Conclusie

Gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten hangen onderling sterk samen in het beloop van rouw na suïcide. De risico’s hierop nemen af met de tijd. Lotgenotencontact gaat gepaard met een verhoogd risico op gecompliceerde rouw. Dit onderzoek geeft geen uitsluitsel over een causaal verband tussen lotgenotencontact en gecompliceerde rouw.

Leerdoelen
  • Rouwbegeleiding is effectief voor personen met een verhoogd risico op problematische rouw.
  • Er is geen duidelijk bewijs voor positieve effecten van rouwbegeleiding bij nabestaanden van personen die zijn overleden door suïcide.
  • In dit eerste onderzoek naar het langetermijnbeloop van rouw na suïcide bij eerstegraadsfamilieleden en partners vonden we dat gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten onderling sterk geassocieerd zijn.
  • Een voorgeschiedenis met 1 of meer suïcidepogingen van nabestaanden is een betrouwbare voorspeller voor suïcidegedachten in het beloop van rouw na de suïcide van een eerstegraadsfamilielid of partner.
  • De psychische gezondheid van nabestaanden is 8-10 jaar na de suïcide weer bijna geheel op het oude niveau, maar 1 jaar na de suïcide is nauwelijks sprake van herstel.
  • Lotgenotencontact tussen nabestaanden van personen overleden door suïcide is geassocieerd met een verhoogd risico op gecompliceerde rouw, maar uit dit onderzoek kunnen geen conclusies worden getrokken over een iatrogeen effect van lotgenotencontact.

Inleiding

In Nederland overlijden jaarlijks ongeveer 1700 mensen door suïcide.1 Onbekend is hoeveel personen jaarlijks direct geconfronteerd worden met rouw na het verlies van een dierbare door suïcide. Nabestaanden van personen die zijn overleden door suïcide (hierna: nabestaanden) hebben een verhoogd suïciderisico; dit betreft zowel genetisch als niet-genetisch verwanten.2

Rouw na suïcide is geassocieerd met een verhoogde mortaliteit,3 en gaat gepaard met een verhoogd risico op een problematische verliesverwerking.4 Thema’s als ‘de waarom-vraag’, taboe, spijt, schuld en schaamte spelen hierin een rol. Het proces wordt verder bemoeilijkt door een gebrek aan sociale steun en problematische verhoudingen binnen netwerken van nabestaanden.5 Dit heeft vaak extra verliezen tot gevolg waardoor, naast het verlies van de overleden persoon, ook familierelaties verloren gaan.

Na een suïcide zijn direct betrokkenen emotioneel uit balans; een deel van hen zoekt hulp, meestal bij hun huisarts die hen vaak verwijst naar geestelijke gezondheidszorg (ggz) in de eerste of tweede lijn of naar lotgenotengroepen.6 Naast alle turbulentie die een suïcide in het algemeen veroorzaakt, is de rouw om het verlies van een dierbare persoon en de emotionele ontregeling die daarbij hoort in beginsel niet afwijkend of zorgwekkend. Hulp bij rouw vermindert de kans op problemen alleen bij personen met een verhoogd risico hierop.7 Door te snel hulp in te schakelen wordt gebruikelijke, niet-afwijkende rouw gemedicaliseerd en rouw na suïcide onnodig gestigmatiseerd. Het is dus van belang om onderscheid te maken tussen afwijkende en niet-afwijkende rouwreacties van nabestaanden.

Bij de overweging om professionele hulp in te schakelen voor nabestaanden is het zinvol om in te schatten wie op de langere termijn een verhoogd risico heeft op een problematische verliesverwerking, aangeduid als gecompliceerde rouw (‘persistent complex bereavement disorder’). Gecompliceerde rouw wordt voorgesteld als klinische entiteit die zich onderscheidt van depressie en van posttraumatische stressstoornis. Het wordt gekenmerkt door scheidingsangst(preoccupatie met gedachten aan de overledene, verlangen en zoeken naar de overledene) en traumatische stress (geschokt zijn, ongeloof, wantrouwen, boosheid, zich onthecht voelen, verhoogde irritatie). De duur van de symptomen en de mate van lijdensdruk zijn belangrijke indicaties die het onderscheid aangeven tussen niet-afwijkende en gecompliceerde rouw. Van gecompliceerde rouw wordt gesproken als de symptomen minimaal 12 maanden aanhouden en het dagelijkse functioneren ernstig belemmeren.8

Daarnaast is het van belang om rekening te houden met een verhoogd suïciderisico bij nabestaanden aangezien circa 1 op de 5 nabestaanden kort na de suïcide zelf kampt met al dan niet voorbijgaande suïcidegedachten.9,10 Dit zien we terug in het geïntegreerde model voor de verklaring van suïcidaal gedrag,11 zoals gebruikt in de multidisciplinaire richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag’.12 Het model laat zien dat familiair suïcidaal gedrag in combinatie met psychiatrische morbiditeit of comorbiditeit en ingrijpende verliezen het suïciderisico kan verhogen.

Onderzoek naar rouw is veelal gericht op het beloop op de korte of middellange termijn bij personen die hulp zochten voor hun klachten. In deze studie onderzochten we het 8-10-jarige beloop van rouw na een suïcide bij een populatie eerstegraadsfamilieleden en partners uit de algemene bevolking. We analyseerden associaties tussen kenmerken van de overledene, en persoonlijkheidskenmerken en psychiatrische voorgeschiedenis van de nabestaanden enerzijds, en gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten anderzijds. We onderzochten over een periode van 8-10 jaar na de suïcide van een familielid associaties tussen demografische gegevens, persoonlijkheidskenmerken en de psychische gezondheid van nabestaanden voordat de suïcide plaatsvond enerzijds, en risico’s op gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten anderzijds. Ook onderzochten we verbanden tussen de uitkomstmaten en het gebruik van verschillende vormen van hulp, inclusief familiegerichte, cognitieve gedragstherapie (FGT), van 3-6 maanden na de suïcide. De uitkomsten hiervan kunnen behulpzaam zijn bij de inschatting van risico’s op gecompliceerde rouw, depressie en suïcidaal gedrag bij nabestaanden en bij het nagaan welke hulp voor hen zinvol kan zijn.

Methode

In een longitudinale cohortstudie verzamelden we gegevens van 153 eerstegraadsfamilieleden en partners van 74 personen die in de periode 1 september 1999-1 januari 2002 in Groningen, Friesland en Drenthe overleden door suïcide. Families werden benaderd door de huisarts van de overledene. Exclusiecriteria waren onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal door nabestaanden of detentie van de suïcidant. De huisarts van de overledene besliste of families benaderd konden worden.

Deelnemers vulden 2,5 (T0), 13 (T1) en 96-120 maanden (T2) na de suïcide zelfrapportagevragenlijsten in.13 De helft van de deelnemers werd tussen T0 en T1 via randomisatie verwezen naar een kortdurend cognitief-gedragstherapeutisch familiegericht begeleidingstraject (FGT).14 Na T1 gaven 139 van de 153 deelnemers (91%) toestemming om te worden benaderd voor toekomstig vervolgonderzoek. Dit onderzoek werd uitgevoerd van januari 2009-februari 2010 (T2). Van de overgebleven deelnemers na T1 werden 119 van de 139 (86%) benaderd op T2 (figuur).13

Toestemming voor dit onderzoek werd verleend door de medisch-ethische toetsingscommissie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (METc 2009/052). Alle deelnemers gaven informed consent.

Meetinstrumenten

Voor een overzicht van de gebruikte meetinstrumenten verwijzen we naar het originele artikel.13 Op T0 werden suïcidepogingen van respondenten voorafgaand aan de suïcide geïnventariseerd met de vraag: ‘Heeft u vóór de suïcide uw dierbare ooit een suïcidepoging gedaan?’ (1 = ja, 0 = nee). Hulpzoekgedrag werd op T0, T1 en T2 geïnventariseerd door de vraag of nabestaanden hulp van de ggz en/of de huisarts hadden ontvangen en/of gebruik hadden gemaakt van lotgenotencontact (1 = ja, 0 = nee).

Statistische analyse

We analyseerden de gegevens met beschrijvende statistiek. Het longitudinale beloop van gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten werd geanalyseerd op basis van multilevel-regressieanalyses. Gecompliceerde rouw en depressie worden weergegeven als regressiecoëfficiënt (B) en suïcidegedachten als oddsratio (OR) met 95%-betrouwbaarheidsintervallen (95%-BI). Een p-waarde ≤ 0,05 werd als significant beschouwd. Veranderingen corresponderend met een Cohen’s d ≥ 0,50 werden als klinisch relevant beschouwd.13

Resultaten

Van alle suïcides in de wervingsfase (n = 401) werden 74 (18%) geïncludeerd (zie de figuur).1 Tabel 1 toont de kenmerken van de onderzochte populatie en tabel 2 het hulpzoekgedrag en de psychische gezondheid van deelnemers. Nabestaanden van suïcidanten < 35 jaar waren oververtegenwoordigd (34 vs.23% landelijk; p = 0,05), evenals mannelijke suïcidanten in die leeftijdsgroep (84 vs. 72% landelijk; p = 0,05).1

Van de 153 nabestaanden hadden 10 (6,5%) 1 of meer suïcidepogingen in de voorgeschiedenis; dit is meer dan de 2,7% in de algemene bevolking. Op T0 waren 39 van de 153 respondenten (25,5%) suïcidaal; op T2 waren dit 6 van 68 respondenten (8,8%), een hoger percentage dan in de algemene bevolking (3,0%).15 Gedurende de onderzoeksperiode maakte 17-78% gebruik van enige vorm van hulp (zie tabel 2). Een suïcidepoging in de voorgeschiedenis was geassocieerd met een verhoogd risico op depressie (B: 7,9; 95%-BI: 1,7-14,1) en met suïcidegedachten (OR: 5,5; 95%-BI: 1,8-16,7), maar niet met gecompliceerde rouw (B: 10,9; 95%-BI: -0,01-21,9; p = 0,052).

Tabel 3 toont de predictiemodellen voor gecompliceerde rouw en depressie. Onafhankelijke risicofactoren voor gecompliceerde rouw waren neuroticisme, ouder van de overledene, depressie, suïcidegedachten, lotgenotencontact en tijd. Voor depressie waren dat: vrouwelijk geslacht, partner van de overledene, neuroticisme, laag gevoel van controle, gecompliceerde rouw, suïcidegedachten en tijd.

Beschouwing

Gecompliceerde rouw, depressie en suïcidegedachten hingen sterk met elkaar samen in het beloop van rouw na een suïcide bij familieleden en partners. Depressie hing samen met algemene factoren die het risico op depressie verhogen, zoals vrouwelijk geslacht en weinig gevoel van controle hebben. De risico’s op gecompliceerde rouw en depressie hingen samen met de verwantschapsrelatie tussen de betrokkene en de overledene (zie tabel 3); ouders hadden een verhoogd risico op gecompliceerde rouw en partners een verhoogd risico op depressie ten opzichte van andere verwantschapsrelaties. Suïcidepogingen in de voorgeschiedenis verhoogden de kans op suïcidegedachten na een verlies door suïcide. Depressie en angst in de voorgeschiedenis daarentegen verhoogden het risico op gecompliceerde rouw en depressie op de langere termijn niet.

Professionele hulp, inclusief familiegerichte cognitieve gedragstherapie, verlaagde het risico op depressie, gecompliceerde rouw en suïcidegedachten niet. Lotgenotencontact was geassocieerd met een verhoogd risico op gecompliceerde rouw.

Tijd was de enige factor die voorspelde dat risico’s in de loop van de tijd afnamen. In de loop der jaren normaliseerden emotionele reacties na een verlies door suïcide, maar in het 1e jaar na de suïcide namen symptomen van gecompliceerde rouw en depressie nauwelijks af. 8-10 jaar na de suïcide waren de gevolgen nog steeds meetbaar.

Beperkingen van de studie

Deze studie werd aanvankelijk uitgevoerd om het effect van FGT op het 1-jarige beloop van rouw na suïcide te onderzoeken. Aangezien nabestaanden met een hulpvraag meer psychische problemen hebben,7 valt niet uit te sluiten dat er bias is opgetreden door een oververtegenwoordiging van nabestaanden met een hulpvraag. Onbekend is of de uitval van families gedurende de studie de uitkomsten beïnvloedde.

Hulpzoekgedrag werd onderzocht met een ja/nee-dichotomie en daarom ontbreken nuances. De aard van de lotgenotencontacten (hoe vaak, wanneer, groep of individueel, hoe begeleid) bleef onbekend. De dataverzameling tussen T0 en T1 speelde zich af in een tijdperk waarin onlinelotgenotencontact minder gebruikelijk was dan tegenwoordig; het is onzeker of de uitkomsten gelden voor onlinelotgenotencontact.

We vonden dat suïcidepogingen in de voorgeschiedenis de kans op suïcidegedachten na het verlies vergrootten. In de analyses kon deze bevinding echter niet worden gecorrigeerd voor overige variabelen vanwege gebrek aan power.

Vergelijking met eerder onderzoek

De uitkomsten van onze studie bevestigen dat nabestaanden van personen die zijn overleden door suïcide een verhoogd risico hebben op suïcidaal gedrag.2 Het risico op gecompliceerde rouw lijkt samen te hangen met het traumatische verlies van een kind, zoals eerder werd aangetoond.16

Partners van de overledene hebben een verhoogde kans op depressie vergeleken met ouders, broers en zussen. Mogelijk komt dit door de omstandigheden na het overlijden van een partner in een gezin (financiële problemen, huisvestingsproblemen, stress door alleenstaand ouderschap). Daarnaast verliezen personen wier partner overlijdt dikwijls hun belangrijkste bron van steun en intimiteit. Klinische observaties tussen T0 en T1 gaven de indruk dat partners minder sociale steun ervaren dan ouders, kinderen, broers en zussen van de overledene en dat partners zich meer en vaker gestigmatiseerd voelen door de suïcide. Dit suggereert dat het risico op depressie wordt gemodereerd door sociale steun.

Eerder vonden we dat FGT het risico op klinische verschijnselen van gecompliceerde rouw verlaagt, in het bijzonder bij nabestaanden met suïcidegedachten.17 Gezien het ontbreken van een langetermijneffect van FGT lijkt dit effect van voorbijgaande aard. FGT voorziet in een behoefte en stemt tot tevredenheid in de eerste periode van intense rouw zonder dat dit nadelige gevolgen heeft.14

Tot 38% van de nabestaanden maakte op T2 gebruik van lotgenotencontact. Lotgenotencontact was geassocieerd met een verhoogd risico op gecompliceerde rouw. In de onderzochte regio bestond lotgenotencontact voornamelijk uit groepen die werden begeleid door vrijwilligers die zelf nabestaanden waren of door geestelijk verzorgers. Ook waren er individuele contacten tussen nabestaanden en deze vrijwilligers. Een logische verklaring voor het verband tussen lotgenotencontacten en gecompliceerde rouw is dat nabestaanden met heftige en langdurige rouwreacties sterker geneigd zijn om lotgenotencontact te zoeken dan nabestaanden met een geringere rouwreactie. Een alternatieve verklaring is dat personen die lotgenotencontacten zoeken geneigd zijn tot een ruminerende copingstijl;18 mogelijk leidt lotgenotencontact bij deze groep tot vermijding in plaats van aanpassing, waardoor het risico op gecompliceerde rouw toeneemt.19

Rouw en suïcidegedachten

Rouw is een proces van aanpassing en zingeving,20 terwijl suïcidegedachten samengaan met gevoelens van wanhoop en het idee dat het leven niet de moeite waard is. Suïcidegedachten staan wellicht een effectieve aanpassing aan het leven zonder de overledene in de weg en kunnen hiermee het risico op gecompliceerde rouw verhogen. Op basis van dit onderzoek kan echter niet worden geconcludeerd dat lotgenotencontact tussen nabestaanden van personen die zijn overleden door suïcide schadelijk is. Desondanks verdient het aanbeveling om kritisch te overwegen of nabestaanden na een suïcide baat zullen hebben bij lotgenotencontact.

Het is niet bekend hoe gecompliceerde rouw kan worden voorkomen.21 Negatieve gedachten over de eigen persoon en de toekomst spelen een belangrijke rol in het ontstaan van zowel gecompliceerde rouw als suïcidegedachten.19,22 Gedachten als ‘de toekomst is zinloos en doelloos’ en ‘het leven heeft geen zin zonder de overledene’ hangen samen met een hoog risico op gecompliceerde rouw.23 Mogelijk spelen identieke, negatieve gedachten een rol in de etiologie van gecompliceerde rouw en suïcidegedachten. Deze hypothese zou verder getoetst moeten worden.

Daarnaast zou het zinvol zijn om te onderzoeken of gecompliceerde rouw wordt voorkomen door een cognitief-gedragstherapeutische behandeling van suïcidegedachten,24 en of suïcidegedachten de oorzaak of het gevolg zijn van gecompliceerde rouw. Uitkomsten zouden gegeneraliseerd kunnen worden naar nabestaanden van personen die zijn overleden door andere doodsoorzaken dan suïcide.

Conclusie

Om de kans op huidig suïcidaal gedrag te kunnen inschatten is het van belang om bij nabestaanden na een suïcide te inventariseren of sprake is van suïcidepogingen in de voorgeschiedenis. Hoewel niet geconcludeerd kan worden dat lotgenotencontact na een suïcide nadelig is, verdient het aanbeveling om kritisch te overwegen of nabestaanden baat zullen hebben bij lotgenotencontact, vooral als zij kampen met symptomen van gecompliceerde rouw of depressie of met suïcidegedachten.

Literatuur
  1. Centraal Bureau voor de Statistiek 2014. http://statline.cbs.nl, geraadpleegd op 1 april 2014.

  2. Qin P, Agerbo E, Mortensen PB. Suicide risk in relation to family history of completed suicide and psychiatric disorders: a nested case-control study based on longitudinal registers. Lancet. 2002;360:1126-30 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(02)11197-4

  3. Agerbo E. Midlife suicide risk, partner’s psychiatric illness, spouse and child bereavement by suicide or other modes of death: a gender specific study. J Epidemiol Community Health. 2005;59:407-12 Medline. doi:10.1136/jech.2004.024950

  4. De Groot MH, de Keijser J, Neeleman J. Grief shortly after suicide and natural death. A comparative study among spouses and first-degree relatives. Suicide Life Threat Behav. 2006;36:418-31. Medlinedoi:10.1521/suli.2006.36.4.418

  5. Jordan JR. Is suicide bereavement different? A reassessment of the literature. Suicide Life Threat Behav. 2001;31:91-102 Medline. doi:10.1521/suli.31.1.91.21310

  6. De Groot MH, van der Meer K, Burger H. A survey of Dutch GPs’ attitudes towards help seeking and follow-up care for relatives bereaved by suicide. Fam Pract. 2009;26:372-6 Medline. doi:10.1093/fampra/cmp046

  7. Stroebe M, Schut H, Stroebe W. Health outcomes of bereavement. Lancet. 2007;370:1960-73 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(07)61816-9

  8. Prigerson HG, Horowitz MJ, Jacobs SC, et al. Prolonged Grief Disorder: Psychometric Validation of Criteria Proposed for DSM-V and ICD-11. PLoS Med. 2009;6:e1000121. doi:10.1371/journal.pmed.1000121

  9. Szanto K, Shear MK, Houck PR, et al. Indirect self-destructive behavior and overt suicidality in patients with complicated grief. J Clin Psychiatry. 2006;67:233-9 Medline. doi:10.4088/JCP.v67n0209

  10. Cerel J, Campbell F. Suicide survivors seeking mental health services: a preliminary examination of the role of an active postvention model. Suicide Life Threat Behav. 2008;38:330-4. Medlinedoi:10.1521/suli.2008.38.1.30

  11. Goldney D. Suicide Prevention: a practical approach. Oxford: Oxford University Press; 2008.

  12. Van Hemert A, Kerkhof A, de Keijser J, et al. Multidisciplinaire richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Utrecht: De Tijdstroom; 2012.

  13. De Groot M, Kollen B. Course of bereavement over 8-10 years in first degree relatives and spouses of people who committed suicide: longitudinal community based cohort study. BMJ. 2013;347:f5519. doi:10.1136/bmj.f5519

  14. De Groot M, de Keijser J. De opvang van nabestaanden na een suïcide. In: Kerkhof A, Van Luyn B, red. Suïcidepreventie in de praktijk. Utrecht: Bohn Stafleu Van Loghum; 2010.

  15. Bernal M, Haro JM, Bernert S, et al. Risk factors for suicidality in Europe: results from the ESEMED study. J Affect Disord. 2007;101:27-34 Medline. doi:10.1016/j.jad.2006.09.018

  16. Wijngaards-de Meij L, Stroebe M, Schut H, et al. Couples at risk following the death of their child: predictors of grief versus depression. J Consult Clin Psychol. 2005;73:617-23. Medline

  17. De Groot M, Neeleman J, van der Meer K, Burger H. The effectiveness of cognitive-behavioral grief therapy to prevent complicated grief in relatives bereaved by suicide. The mediating role of suicide ideation. Suicide Life Threat Behav. 2010;40:425-37. Medlinedoi:10.1521/suli.2010.40.5.425

  18. Nolen-Hoeksema S. Ruminative coping and adjustment to bereavement. In: Stroebe MS, Hansson RO, Stroebe W, Schut HAW, red. Handbook of Bereavement Research Consequences, Coping, and Care. Washington: American Psychological Association; 2001. p. 545-63.

  19. Boelen PA, Van den Hout MA, van den Bout J. A cognitive-behavioral conceptualization of complicated grief. Clin Psychol Sci Pract. 2006;13:109-28. doi:10.1111/j.1468-2850.2006.00013.x

  20. Davis CG, Wortman CB, Lehman DR, Silver RC. Searching for meaning in loss: are clinical assumptions correct? Death Stud. 2000;24:497-540. Medline

  21. Wittouck C, Van Autreve S, De Jaegere E, Portzky G, Van Heeringen K. The prevention and treatment of complicated grief: a meta-analysis. Clin Psychol Rev. 2011;31:69-78. Medline

  22. Ellis T, Rutherford B. Cognition and suicide: Two decades of progress. Int J Cogn Ther. 2008;1:47-68. doi:10.1521/ijct.2008.1.1.47

  23. Boelen PA, van den Bout J, van den Hout MA. Negative cognitions and avoidance in emotional problems after bereavement: A prospective study. Behav Res Ther. 2006;44:1657-72 doi:10.1016/j.brat.2005.12.006

  24. Brown GK, Ten Have T, Henriques GR, Xie SX, Hollander JE, Beck AT. Cognitive Therapy for the prevention of suicide attempts. A randomised controlled trial. JAMA. 2005;294:563-70 Medline. doi:10.1001/jama.294.5.563

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in British Medical Journal (2013;347:f5519) met als titel ‘Course of bereavement over 8-10 years in first degree relatives and spouses of people who committed suicide: longitudinal community based cohort study’. Afgedrukt met toestemming.

Universiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen, afd. Huisartsgeneeskunde, Groningen.

Dr. M.H. de Groot, senior onderzoeker (tevens: Vrije Universiteit, afd. Klinische Psychologie, Amsterdam; EMGO+ Instituut voor Onderzoek naar Gezondheid en Zorg, Amsterdam); dr. B.J. Kollen, senior onderzoeker.

Contact dr. M.H. de Groot

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning voor dit artikel: deze studie werd gefinancierd door een subsidie van ZonMw (projectnummer 60-60100-98-052).

Verantwoording

Riet de Haan, prof.dr. Jan Neeleman (UMCG, afd. Psychiatrie, Groningen), prof.dr. Marjolein Berger (UMCG, afd. Huisartsgeneeskunde, Groningen) en prof.dr. Ad Kerkhof (Vrije Universiteit, afd. Klinische Psychologie, Amsterdam) droegen bij aan de totstandkoming van dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Marieke H. de Groot ICMJE-formulier
Boudewijn J. Kollen ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties