Retrospectief onderzoek naar lokalisatie, stadium, therapie en overleving bij orofarynxcarcinoom in Nederland, 1986-1900

Onderzoek
F.J.M. Hilgers
S. Mak-Kregar
P.C. Levendag
J.J. Manni
O. Visser
A.A.M. Hart
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:1025-30
Abstract

Samenvatting

Doel

Bestuderen van epidemiologie, behandeling en overleving van patiënten met orofarynxcarcinoom in Nederland gedurende de periode 1986-1990 en evaluatie van de huidige TNM-classificatie en het daarop gebaseerde stadiëringssysteem.

Opzet

Retrospectief

Plaats

Zeven centra die samenwerken in de Nederlandse Werkgroep Hoofd-halstumoren.

Methode

Het onderzoek betrof 640 patiënten, aangemeld voor primaire behandeling van een histologisch bewezen plaveiselcelcarcinoom (628 patiënten, 98) of een ongedifferentieerd carcinoom (12 patiënten, 2) van de orofarynx. Het betrof 441 mannen en 199 vrouwen met een mediane leeftijd van 59 jaar (30-92). De patiënten werden opgesplitst naar behandeling, ziektebeloop en overleving en naar indeling op basis van stadiëring en ziektebeloop; analyse naar prognostische factoren werd verricht.

Resultaten

Behandeling bestond uit radiotherapie (64), chirurgie en radiotherapie (23), chirurgie alleen (7) of anderszins (2); 4 werd niet behandeld. De 5-jaarsoverleving bedroeg 28 en de ziektespecifieke 5-jaarsoverleving 41 (mannen 35 en vrouwen 51; p = 0,003); bij behandeling met uitsluitend chirurgie was deze 80, bij chirurgie én radiotherapie 51, bij radiotherapie alleen 36, bij andere behandelingen 7 en zonder behandeling 5. De patiëntenverdeling in tumorstadia was: 7 in stadium 1, 17 in II, 24 in III, 50 in IV en bij 2 was het stadium onbekend. De ziektespecifieke overleving was 68 in stadium I, 64 in II, 44 in III en 27 in stadium IV (p < 0,0001). Uit de multipele regressieanalyse bleken het stadium, de lateralisatie (een slechtere overleving bij van oorsprong mediaan gelegen tumoren) en het geslacht (vrouwen hadden een betere prognose dan mannen) onafhankelijke prognostische factoren voor ziektespecifieke overleving (respectievelijk p < 0,0001, p < 0,000T en p = 0,006).

Conclusie

Analyse van de gegevens van 640 voor primaire behandeling verwezen patiënten met een orofarynxtumor toonde dat er 3 belangrijke onafhankelijke prognostische factoren waren, te weten geslacht, stadium en lateralisatie.

Auteursinformatie

Het Nederlands Kanker InstituutAntoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, afd. KNOHoofd-halschirurgie, Plesmanlaan 121, 1066 CX Amsterdam.

Dr.F.J.M.Hilgers, KNO-arts (tevens Academisch Medisch Centrum, Amsterdam); ir.A.A.M.Hart, statisticus.

Integraal Kanker Centrum, Amsterdam.

Mw.dr.S.Mak-Kregar en O.Visser, artsen-onderzoekers.

Dr. Daniel den Hoed Kliniek, afd. Radiotherapie, Rotterdam.

Dr.P.C.Levendag, radiotherapeut.

Academisch Ziekenhuis, afd. KNO, Maastricht.

Prof.dr.J.J.Manni, KNO-arts.

Contact dr.F.J.M.Hilgers

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties