Regelgeving aangaande informationele en ruimtelijke privacy

Perspectief
R.M.S. Doppegieter
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:509-14
Download PDF

Wanneer gesproken wordt over ‘privacybescherming’ of ‘bescherming van de persoonlijke levenssfeer’, dan kan dat vele associaties oproepen. Kuitenbrouwer gaf zijn onlangs verschenen boek als titel mee Het recht om met rust gelaten te worden,1 een treffende omschrijving van het recht op privacy. Indien wij ons beperken tot de gezondheidszorg, dan kan bij privacy gedacht worden aan: medisch beroepsgeheim, uitwisseling van patiëntengegevens, gebruikmaking van gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, onderzoek en behandeling door de arts in een (voor derden afgesloten) spreekkamer. Diverse vormen van privacy zijn hierin terug te vinden, zoals de informationele privacy en de ruimtelijke privacy. In vrijwel iedere arts-patiëntrelatie zijn deze vormen van privacy aanwezig: de patiënt consulteert de huisarts; er vindt onderzoek plaats; de arts schrijft een verwijsbrief met informatie aan de specialist; de patiënt wordt voor verder onderzoek in het ziekenhuis op een verpleegafdeling (bij andere patiënten op zaal) opgenomen; de patiënt wordt geopereerd en zijn gegevens en een restant van afgenomen lichaamsmateriaal worden later gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. In het hiernavolgende wordt ingegaan op de informationele privacy van de patiënt aan de hand van wet- en regelgeving en een aantal relevante rechterlijke uitspraken. Vervolgens wordt in het kort aandacht besteed aan de in het algemeen onderbelichte ruimtelijke privacy van de patiënt. Ten slotte wordt een aantal praktische handleidingen besproken, die nuttig kunnen zijn bij de uitvoering van de privacyregels.

Informationele privacy

De informationele privacy heeft betrekking op het recht om zelf te beschikken over de eigen persoonsgegevens en dus ook om zelf te kunnen bepalen wanneer, hoe en in welke mate die gegevens aan anderen beschikbaar worden gesteld. Uit een in 1989 gehouden enquête is gebleken dat de Nederlandse burger zich in zijn privacy vooral bedreigd voelt door zaken die te maken hebben met de informationele privacy,2 te weten waarneming (wie?), opslag (waar?), gebruik (hoe?) en verstrekking van zijn gegevens. Als gevolg van de toenemende automatisering en daarmee de toegenomen mogelijkheden om op eenvoudige wijze gegevensuitwisseling tussen allerlei instanties te laten plaatsvinden, heeft de geregistreerde eerder het gevoel de greep op hetgeen is vastgelegd te verliezen. Omdat medische gegevens vaak gevoelig zijn, is waarborging van een vertrouwelijke behandeling essentieel. Uit een vrij recent onderzoek onder huisartsen naar de wijze waarop wordt omgegaan met verzoeken tot gegevensverstrekking,3 concluderen de onderzoekers dat relatief veel huisartsen zonder toestemming van de patiënt informatie verstrekken aan andere artsen, ofschoon zij van mening zijn dat dit eigenlijk niet geoorloofd is. De vaak gehoorde (onjuiste) argumentatie daarbij is, dat andere artsen ook een beroepsgeheim hebben; onjuist, omdat het zwijgen over het geheim van de patiënt ook geldt ten opzichte van andere, niet bij behandeling, begeleiding of beoordeling betrokken artsen.

Informationele privacy heeft ook betrekking op het vastleggen van persoonsgegevens met behulp van audiovisuele middelen, zoals film, video- en audiotapes. In een recente uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege kreeg een internist een waarschuwing,4 omdat deze, met het oog op het wetenschappelijk belang, foto's had gemaakt van het zeer uitzonderlijke ziektebeeld van zijn (op de intensive care-afdeling verblijvende) patiënte, zonder daarvoor haar toestemming te hebben gevraagd. Het College verwijst naar de in 1982 door de Geneeskundige Hoofdinspectie uitgegeven richtlijnen ter zake. De laatste jaren wordt in de literatuur veel aandacht besteed aan met name de informationele privacy, ook op het terrein van de gezondheidszorg. Uiteraard spelen de ontwikkelingen in wet- en regelgeving op internationaal en nationaal niveau daarbij een belangrijke rol.

Internationale regelgeving

Het recht op privacy is onder meer vastgelegd in in art. 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP, New York 1966) en in art. 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM, Rome 1950). Beide bepalingen hebben een rechtstreekse werking binnen de Nederlandse rechtsorde: Nederlandse burgers kunnen, eventueel via een beroep op de rechter, de in deze verdragen toegekende rechten afdwingen. Het in 1981 in Straatsburg tot stand gekomen verdrag tot Bescherming van Personen met betrekking tot de Geautomatiseerde Verwerking van Persoonsgegevens van de Raad van Europa bevat onder meer grondbeginselen voor de bescherming van persoonsgegevens alsmede bepalingen inzake grensoverschrijdend gegevensverkeer in internationale samenwerking. Nederland heeft dit verdrag echter nog steeds niet geratificeerd.

Behalve deze internationale verdragen hebben ook de richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen invloed op de nationale wetgeving. Een richtlijn is een bindende instructie aan de lidstaten om de nationale wetgeving, voor zover nodig, aan te passen. Burgers kunnen via hun eigen rechter een beroep doen op de bepalingen van de richtlijnen. Onlangs overwoog het Europese Hof dat bij toepassing van nationaal recht, ongeacht of dit vóór dan wel na de richtlijn is ingevoerd, de nationale rechter het (nationale) recht zoveel mogelijk moet interpreteren in het licht van de tekst en de strekking van de (betreffende) EG-richtlijn.5 In 1990 heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen een voorstel gepubliceerd voor een richtlijn betreffende de bescherming van personen in verband met de behandeling van persoonsgegevens.6 Voor de geautomatiseerde behandeling van privacy-gevoelige, waaronder medische, gegevensbestanden worden in deze concept-richtlijn zeer strikte eisen gesteld, zoals schriftelijke toestemming van de betrokkene voor opneming van de gegevens in het bestand. Alleen bij wet kan hiervan worden afgeweken. In die wet moet dan o.m. worden vastgelegd welke personen toegangsgerechtigd zijn. Ook moeten passende waarborgen worden geboden tegen onrechtmatig gebruik en onbevoegde inzage. Op de ontwerp-richtlijn is veel kritiek gekomen van het Europees Parlement. Op korte termijn wordt een ingrijpend gewijzigd ontwerp verwacht, dat waarschijnlijk aanpassing van de Nederlandse wetgeving noodzakelijk zal maken.

Nederlandse wet- en regelgeving

In 1983 is het recht op privacy in de Nederlandse Grondwet vastgelegd in art. 10. Hierin is bepaald dat dit grondrecht alleen kan worden beperkt door een wettelijke regeling. In bepaalde gevallen moet het individuele belang, dat is: geheimhouding te bewaren, wijken voor het algemene belang: een aantal noodzakelijke gegevens bekend te maken. De arts heeft bijvoorbeeld een wettelijke nominatieve meldingsplicht ten aanzien van bepaalde besmettelijke ziekten, zoals tuberculose, meningitis, hepatitis A en B. Ook geldt voor de arts die bij iemand de dood heeft vastgesteld een wettelijke verplichting tot het afgeven van een verklaring van overlijden aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, op grond waarvan verlof tot begraven of verbranden gegeven wordt. In het derde lid van art. 10 wordt opdracht gegeven aan de wetgever om regels te maken met betrekking tot de kennisneming van gegevens, het gebruik van gegevens en het correctierecht. Een en ander heeft zijn beslag gekregen in de per 1 juli 1989 in werking getreden wet Persoonsregistraties.

Wet Persoonsregistraties

De wet Persoonsregistraties (WPR) is van toepassing op geautomatiseerde gegevensbestanden en op handmatig gevoerde bestanden die, met het oog op een doeltreffende raadpleging, systematisch zijn aangelegd.7 De wetgever heeft met het begrip ‘systematische aanleg’ nogal wat vragen opgeroepen in het veld en in de Tweede Kamer. Naar aanleiding daarvan heeft de regering een aantal voorbeelden gegeven van ‘systematisch toegankelijke’ handmatig gevoerde registraties.8 Genoemd wordt een kaartenbak waarin ruitertjes zijn aangebracht met bepaalde kenmerken zoals CARA, diabetes, of bepaald medicijngebruik. Eveneens worden genoemd dossiers, waarin de gegevens, met het oog op hun toegankelijkheid, volgens een bepaalde structuur zijn vastgelegd. Daarbij kan gedacht worden aan het gebruik van standaardformulieren, aan de hand waarvan de gegevens van de patiënt verder worden verwerkt in het dossier of daarbuiten. Andere voorbeelden zijn het gebruik van verschillende kleuren papier in het dossier of een indeling naar algemene, medische, psychologische en verpleegkundige gegevens. Indien uitsluitend is gerangschikt op één enkelvoudig gegeven, bijvoorbeeld op alfabet of op geboortedatum, zonder dat sprake is van één of meer van genoemde aanvullende kenmerken, dan is de WPR niet van toepassing op de patiëntengegevens. In dat geval zullen vergelijkbare regels betreffende de privacybescherming, zoals opgenomen in het wetsvoorstel Geneeskundige Behandelingsovereenkomst, op de patiëntengegevens van toepassing zijn. Dit wetsvoorstel wordt verderop besproken. Enkelen betogen dat de WPR in het geheel niet van toepassing is op het medisch dossier.9 In het algemeen wordt er echter van uitgegaan dat, behalve geautomatiseerde gegevensverzamelingen, ook conventionele medische dossierbestanden onder de reikwijdte van de WPR vallen.10-13 Veelal zullen deze gegevensverzamelingen systematisch toegankelijk zijn, hetgeen, gelet ook op het doel van een medisch dossier in een ziekenhuis – te weten het op snelle en toegankelijke wijze beschikbaar hebben van de ziektegeschiedenis en het ziekteverloop van de patiënt ten behoeve van daartoe gerechtigden – naar mijn mening bovendien als kwaliteitseis gesteld mag worden. Ook voor individuele artsen en instellingen voor gezondheidszorg heeft de WPR derhalve consequenties.14 Samengevat zijn deze dat de houder van de registratie een privacyreglement moet opstellen, waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot het opnemen, het gebruik, het verstrekken en het bewaren van patiëntengegevens, de toegang tot de gegevens alsmede de rechten van geregistreerde patiënten, zoals het recht op inzage, correctie, aanvulling, verwijdering en op informatie aan welke derden de persoonsgegevens zijn verstrekt. De houder is degene die de zeggenschap heeft over de persoonsregistratie, hetgeen niet hetzelfde hoeft te zijn als de zeggenschap over de daarin opgenomen gegevens. Als houder kunnen onder anderen optreden de individuele arts, de maatschap of de directie van de instelling waarbinnen de arts werkzaam is. Binnen een groepspraktijk van huisartsen treedt vaak de maatschap als houder op. Binnen instellingen is dat meestal de directie. Het houderschap impliceert overigens geenszins dat de directie onbeperkte toegang heeft tot de patiëntendossiers. Indien de patiënt bij de directie of de gezamenlijke maatschap een beroep doet op naleving van de WPR-regels, bijvoorbeeld met betrekking tot de kennisneming van gegevens, dient de behandelend arts die de betreffende gegevens heeft vastgelegd, daarbij direct betrokken te worden. Op de reikwijdte van genoemde rechten alsmede op veelvuldig door artsen gestelde vragen over de uitvoering van deze wet is elders uitvoerig ingegaan.1516 Het privacyreglement moet door een ieder op een algemeen toegankelijke plaats kunnen worden ingezien.

Voor de aanmelding van het gegevensbestand zijn speciale formulieren ontwikkeld. Deze moeten, op straffe van een geldboete of zelfs, in geval van opzet, een gevangenisstraf, worden opgestuurd naar de Registratiekamer. Deze Kamer houdt toezicht op denaleving van de WPR-regels. Het voorgaande is in beginsel ook van toepassing op de registratie waarin de artsendeclaraties zijn opgenomen.17 In het privacyreglement van de arts dan wel van de instelling waaraan de arts de praktijkadministratie heeft uitbesteed, moet onder meer het maken van gespecificeerde declaraties als (neven)doel worden vermeld. Is de administratie uitbesteed aan een extern administratiekantoor, dan is het aan te bevelen dat de arts een overeenkomst aangaat met de eigenaar van het kantoor, waarin wordt vastgelegd dat, ingeval de arts wordt aangesproken wegens schending van het beroepsgeheim, ontstaan door een fout van het kantoor, hij zich financieel op de eigenaar van het kantoor kan verhalen.

Besluit gevoelige gegevens

Ingevolge de WPR zou al per 1 juli 1990 een besluit inzake het opnemen van zogenaamde gevoelige gegevens, waaronder medische en psychologische, in werking hebben moeten treden, per 1 juli 1993 gevolgd door een wettelijk voorstel. De eerste streefdatum is niet gehaald: de Raad van State moet nu nog advies uitbrengen aan de minister van Justitie over het in juni 1990 verschenen ontwerpbesluit. Onder andere door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) is een aantal kritische noten geplaatst bij de inhoud van het ontwerp, dat in hoofdlijnen aangeeft welke soort gevoelige gegevens door of ten behoeve van welke instellingen kan worden opgenomen in een persoonsregistratie.1819 Voorts dient de inhoud van het besluit te zijner tijd nog getoetst te worden aan – en eventueel in overeenstemming gebracht te worden met – de eisen zoals deze vastgelegd zullen worden in de definitieve versie van de (eerder genoemde) EG-richtlijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de geautomatiseerde behandeling van privacy-gevoelige gegevens.

Wetsvoorstel Geneeskundige Behandelingsovereenkomst

De WPR is een kaderwet en stelt algemene regels ter bescherming van de privacy van geregistreerden over wie gegevens zijn opgenomen in een persoonsregistratie. Deze algemene regels gelden niet alleen voor persoonsregistraties die binnen de gezondheidszorg worden gevoerd, maar nagenoeg voor alle maatschappelijke sectoren waarin persoonsgegevens worden vastgelegd, zoals de overheid, het onderwijs en het bedrijfsleven. Momenteel is er een wet in voorbereiding, de wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO of Patiëntwet), waarin meer specifieke regels zijn opgenomen voor de arts-patiëntrelatie en een nadere invulling wordt gegeven van de WPR-normen met betrekking tot geneeskundige dossiers. De WGBO zal onderdeel gaan uitmaken van het overeenkomstenrecht in het Burgerlijk Wetboek. Voor de vraag of de WGBO van toepassing is, is niet, zoals bij de WPR, de systematiek van de vastgelegde gegevens van belang, maar de vraag of sprake is van ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ en daarmee van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. De WGBO zal in de toekomst op de meeste arts-patiëntrelaties van toepassing zijn. Het wetsvoorstel bevat ook regels met betrekking tot het vastleggen, het gebruik en de verstrekking van patiëntengegevens. Omdat de verpleging en de verzorging van de patiënt in het kader en als onderdeel van de geneeskundige handelingen eveneens onder de reikwijdte van de WGBO vallen (de zogenaamde ‘aanpalende handelingen’), zijn bijvoorbeeld ook de verpleegkundige dossiers in de instelling onderworpen aan de WGBO-regels. Dat geldt eveneens voor de gegevens die worden vastgelegd door paramedici, voor zover de verrichtingen op grond van een door de arts afgegeven voorschrift worden uitgevoerd. Ingevolge de WGBO dienen alleen de voor een goede hulpverlening noodzakelijke gegevens vastgelegd te worden.

Op nog een aantal andere punten geeft de WGBO een meer op de individuele arts-patiëntrelatie toegespitste regeling, zoals ten aanzien van de bewaartermijn van gegevens (10 jaar), de informatieplicht van de arts, plaatsvervangende toestemming voor een onderzoek of een behandeling, gegevensverstrekking ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en de mede-aansprakelijkheid van het ziekenhuis – en daarmee te vergelijken instellingen – voor alle verrichtingen van de binnen de instelling werkzame hulpverleners, maar ook voor de bij de behandeling gebruikte zaken zoals apparatuur en geneesmiddelen. Kritiek is geuit op een aantal bepalingen in WPR en WGBO, die onderling verschillen, zoals de vereiste schriftelijke dan wel mondelinge toestemming, het recht op verwijdering dan wel vernietiging van gegevens, de hoogte van de vergoeding voor afschriften van de patiëntengegevens en de leeftijdsgrenzen voor handelingsbekwame minderjarige patiënten.20 Over de verhouding tussen de WPR en de WGBO bij onderling strijdige bepalingen blinkt de wetgever niet uit in helderheid. Op indirecte wijze kan uit de Memorie van Antwoord geconcludeerd worden dat indien de WPR op een bepaald punt een betere waarborg biedt met betrekking tot de privacybescherming van de patiënt dan de WGBO, de WPR prevaleert.21 Uiteraard dient de WPR dan wel van toepassing te zijn op de betreffende gegevens. Persoonsgegevens die naar hun aard uitsluitend voor persoonlijk gebruik zijn bestemd, vallen niet onder de reikwijdte van de WPR of van de WGBO. Zodra een arts er echter redelijkerwijs rekening mee moet houden dat een collega ooit met de door hem genoteerde persoonlijke aantekeningen zal moeten werken, dan is de WGBO, en, voor zover deze aantekeningen zijn opgenomen in een persoonsregistratie, ook de WPR daarop van toepassing. Dat geldt eveneens voor de zogenaamde ‘groene kaart’ van de huisarts. Dit betekent onder meer dat deze gegevens in beginsel ook ter inzage of in afschrift moeten worden gegeven aan de patiënt of, met diens toestemming, aan anderen.8

Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst en privacy

In art. 1653l WGBO is een bepaling opgenomen, die antwoord geeft op de vraag hoever de geheimhoudingsplicht van de arts reikt inzake verstrekking van patiëntengegevens door middel van het geven van inzage of het geven van afschrift. De bepaling heeft ook betrekking op gegevens die zijn opgenomen in een persoonsregistratie in de zin van de WPR. De in art. 1653l neergelegde hoofdregel houdt kort gezegd in dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de patiënt vooraf toestemming van de patiënt nodig is, tenzij een wettelijke bepaling tot gegevensverstrekking verplicht. Een voorbeeld van dat laatste is de informatie die de arts ingevolge de Ziekenfondswet aan de verzekeraar verstrekt in het kader van de (controle op de) uitgevoerde dan wel uit te voeren verrichtingen en de juistheid van de ingediende declaraties. De Ziekenfondsraad heeft geconcludeerd dat de – in het kader van het zogenoemde Vijfpartijenakkoord van december 1989 overeengekomen – aanlevering van de ontslagdiagnose-code op de nota niet in strijd is met de privacy van patiënten. De vraag blijft of de vermelding van dit persoonsgegeven een voor de uitvoering van de wettelijke ziektekostenverzekeringen noodzakelijke verstrekking is en of niet kan worden volstaan met verstrekking van gegevens in niet tot de persoon herleidbare vorm.22 De WGBO bepaalt voorts dat verstrekking alleen kan plaatsvinden voor zover daardoor de privacy van een ander niet wordt geschaad. In het dossier kan bijvoorbeeld informatie aanwezig zijn over de partner, het gezin of over familieleden, die relevant is voor de hulpverlening aan de patiënt. Voordat de arts informatie verschaft aan anderen dient hij derhalve na te gaan of de eventueel in het dossier opgenomen gegevens over derden daarvan uitgesloten moeten worden. In art. 1653l WGBO worden twee uitzonderingen gemaakt op de vereiste toestemming van de patiënt voor verstrekking van diens gegevens aan derden.

Veronderstelde toestemming

De eerste uitzondering geldt voor personen die rechtstreeks bij de behandeling of het onderzoek van de patiënt zijn betrokken alsmede de vervanger of de waarnemer van de arts. Dezen kunnen ingevolge het tweede lid van art. 1653l WGBO over de voor hen in het kader van de behandeling noodzakelijke gegevens beschikken, zonder dat daarvoor de toestemming van de patiënt nodig is. De behandelend arts zal moeten bepalen welke gegevens ‘noodzakelijk’ zijn en of dat bijvoorbeeld ook geldt voor in het dossier aanwezige gegevens over anderen dan de patiënt. Deze uitzondering heeft onder anderen betrekking op medebehandelaars, assistenten, verpleegkundigen en doktersassistenten. Degene die de praktijk van de (mede)behandelend arts overneemt, behoort volgens de toelichting bij het wetsvoorstel echter niet tot deze categorie. In het rapport Ervaringen met Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NRV)-model-privacyreglementen wordt in een dergelijke situatie om praktische redenen geadviseerd alle patiënten door middel van (bijvoorbeeld) een openbare bekendmaking tijdig in kennis te stellen van de voorgenomen opvolging.23 Patiënten die op dat moment in behandeling zijn, dienen op (meer) directe wijze te worden geïnformeerd. In de bekendmaking moet een redelijke termijn genoemd worden waarbinnen de patiënten bezwaar kunnen maken tegen overdracht van (een onderdeel van) de gegevens.

Plaatsvervangende toestemming

De tweede uitzondering is opgenomen in het derde lid van art. 1653l WGBO. Informatie over de patiënt kan zonder diens toestemming verstrekt worden aan degenen die ingevolge de WGBO (mede) toestemming moeten geven voor de uitvoering van de behandeling of het onderzoek. Men spreekt ook wel over ‘plaatsvervangende toestemming’. Bedoeld worden de ouders of de voogd van minderjarigen tot 16 jaar (voor minderjarigen van 12-16 jaar dienen in beginsel zowel de minderjarige zelf als diens ouders toestemming te geven; voor minderjarigen tot 12 jaar alleen de ouders), de curator, een door de patiënt schriftelijk gemachtigde, de echtgenoot of de partner, de ouder, een kind, broer of zus van de patiënt. De arts dient de informatieverstrekking aan deze personen echter achterwege te laten indien dit niet in overeenstemming is met een goede hulpverlening aan de patiënt. Het dient hier te gaan om situaties waarin een goede hulpverlening zou kunnen worden belemmerd of zelfs geschaad indien aan deze personen (volledige) informatie zou worden gegeven.21 Een praktijkvoorbeeld daarvan is kindermishandeling.

Wetenschappelijk onderzoek

De in art. 1653m WGBO en 1653w WGBO opgenomen voorwaarden voor respectievelijk verstrekking van tot de patiënt herleidbare gegevens en gebruik van anoniem lichaamsmateriaal ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek, hebben protest uitgelokt uit de hoek van het medisch-wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.2425 Voor het gebruik van herleidbare gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek door anderen dan de behandelend arts zelf in het kader van de geneeskundige behandeling, is ingevolge art. 1653m WGBO in beginsel expliciete toestemming vereist. Niet geregeld is of die eis ook geldt voor gebruik van herleidbaar lichaamsmateriaal, hetgeen in de praktijk vaker zal voorkomen dan het wèl in het het wetsvoorstel geregelde gebruik van anoniem lichaamsmateriaal. Dat laatste is ingevolge art. 1653w WGBO alleen mogelijk voor zover de patiënt daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

Voorts blijft naar mijn mening de vraag bestaan of de bewaartermijn van 10 jaar niet veel te kort is voor wetenschappelijk onderzoek. Weliswaar bepaalt art. 1653i WGBO dat gegevens zoveel langer kunnen worden bewaard als nodig is voor de behandeling en de begeleiding van de patiënt, maar dit is zeker niet in alle gevallen te voorzien. Pas na verloop van jaren zou immers kunnen blijken dat de gegevens alsnog van groot belang zijn voor met de in het verleden gegeven behandeling samenhangend onderzoek of begeleiding van de patiënt. De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) heeft de Gezondheidsraad gevraagd een advies uit te brengen over de aard en de omvang van de huidige en de te verwachten praktijk met betrekking tot het bewaren en het gebruiken van overgebleven lichaamsmateriaal voor onderscheiden doeleinden. Daarbij zal ook het NRV-advies Normering onderzoek lichaamsmateriaal betrokken worden,26 waarin ook suggesties worden gedaan met betrekking tot alternatieve toestemmingsvormen (naast gerichte toestemming in bepaalde gevallen ook globale toestemming) en het verrichten van onderzoek volgens een nader vast te stellen gedrags- of onderzoekscode. Momenteel buigt een door de Raad voor Gezondheidsonderzoek ingestelde commissie uit diverse betrokken groeperingen zich over een proeve van een gedragscode voor gezondheidsonderzoek, die een praktische uitwerking van de wettelijke uitgangspunten beoogt te geven. Het streven dient gericht te zijn op het vinden van een genuanceerd evenwicht tussen enerzijds het algemeen volksgezondheidsbelang van goed wetenschappelijk onderzoek en anderzijds het waarborgen van de grondwettelijk verankerde privacybescherming. Er kunnen zich situaties voordoen dat het vragen van expliciete toestemming voor gegevensgebruik ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek in redelijkheid niet mogelijk is, maar voor het gebruik dienen wel goede argumenten aangevoerd te kunnen worden.27 De mogelijk belastende effecten voor ex-patiënten kan een grond zijn voor de vaststelling dat het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is.21 Aantasting van de privacy van de patiënt kan ook in het geding zijn bij het publiceren van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Het Medisch Tuchtcollege heeft bepaald dat wanneer de identiteit van de betrokkene niet afdoende verhuld wordt, het opnemen van gevalsbeschrijvingen in voor ieder toegankelijke publikaties alleen met toestemming van de betrokkene mag plaatsvinden.28

Ruimtelijke privacy

De ruimtelijke privacy wordt vergeleken met de informationele privacy in het algemeen weinig belicht. Toch kan de patiënt deze vorm van privacy ervaren als één van de belangrijkste aspecten van zijn privacy, zeker als het om (langdurige) opneming in een (psychiatrisch) ziekenhuis, verpleeghuis of zwakzinningeninrichting gaat. Vaak moet de kamer met (meerdere) patiënten worden gedeeld. Bij de nieuwbouw of de aanpassing van instellingen wordt wel gepoogd om rekening te houden met de hedendaagse eisen ten aanzien van privacy. Nieuwe verpleeghuizen worden tegenwoordig bijvoorbeeld vaak uitgerust met één- en tweepersoonskamers in plaats van met de gebruikelijke vier- of zelfs zespersoonskamers. In de huidige erkenningseisen voor ziekenhuizen zijn ten aanzien van de bouw en de outillage ook regels gesteld met privacy-aspecten. Zo dient het ziekenhuis te beschikken over voldoende dagverblijven en sanitaire voorzieningen voor patiënten. Bij de inwerkingtreding van de momenteel in voorbereiding zijnde Kwaliteitswet Zorginstellingen zullen de bestaande erkenningenstelsels worden ingetrokken. Het zou naar mijn mening sterke aanbeveling verdienen indien, ter uitwerking van het centrale begrip ‘verantwoorde zorg’ in deze Kwaliteitswet, gezamenlijk door instellingen, verzekeraars en patiëntenconsumenten nader vorm wordt gegeven aan de ruimtelijke privacy bij het opstellen van normen aangaande de bouw van inrichtingen.

Bij de voorbereidingen van de WGBO is ook aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten van de privacy. Een en ander heeft geresulteerd in de bepaling van art. 1653n, waarin staat dat verrichtingen buiten de waarneming van anderen dan de patiënt uitgevoerd dienen te worden, tenzij de patiënt daarmee heeft ingestemd. Onder ‘anderen dan de patiënt’ zijn (uiteraard) niet begrepen de personen van wie beroepshalve de medewerking bij de uitvoering van de verrichting noodzakelijk is. Ingevolge het derde lid kan het hier geformuleerde recht op privacy ook tegen onder anderen de ouders, de voogd of de echtgenoot ingeroepen worden. Indien de arts van mening is dat de aanwezigheid van deze personen niet in het belang is van een goede hulpverlening aan de patiënt, dan dient hij hen niet toe te laten. In de NRV-modelregeling arts-patiënt wordt het nog wat duidelijker beschreven: ‘De arts zal naar vermogen zorgdragen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt. Hij zal tevens zoveel mogelijk zorgdragen voor de privacy in ruimtelijk en akoestisch opzicht bij behandel- en onderzoeksituaties’.

Tot slot

Vooral ten aanzien van de informationele privacy is de laatste jaren een aantal rapporten en adviezen verschenen, die uitvoering geven aan de (toekomstige) wet- en regelgeving op dit terrein. Het eerder genoemde rapport Ervaringen met NR V-model-privacyreglementen, waaraan eerder in dit tijdschrift uitvoerig aandacht is besteed,29 bevat een modelreglement voor artsen en instellingen of diensten in de gezondheidszorg met een uitgebreide toelichting. De KNMG heeft een informatieset over de wet Persoonsregistraties uitgegeven, waarin ten behoeve van de individueel werkzame arts alsmede voor artsen werkzaam in maatschaps- of groepsverband nadere praktische richtlijnen worden gegeven ter voldoening aan de wettelijke reglements- en aanmeldingsplicht en de informatie aan patiënten.30 Onlangs is, in aansluiting op het eerder genoemde rapport, door de NRV het advies Privacy en gegevensverstrekking uitgebracht, waarin praktische richtlijnen worden gegeven voor een aantal veel voorkomende of gevraagde verstrekkingen van gegevens uit patiëntendossiers.31 In de richtlijnen inzake het omgaan met medische informatie (voorheen het ‘groene boekje’) van de KNMG wordt onder andere aandacht besteed aan het beroepsgeheim, de gegevensuitwisseling door en tussen de curatieve en niet-curatieve sector en het inzagerecht.32 Ook is de laatste jaren een aantal nuttige handboeken over privacy verschenen, waarin praktische wenken voor artsen en instellingen worden gegeven.33

Literatuur
  1. Kuitenbrouwer F. Het recht om met rust gelaten te worden.ISBN 90-5018-137-6 Amsterdam: Balans, 1991.

  2. SWOKA, Instituut voor Consumentenonderzoek. In19881989 gehouden enquête onder een representatieve steekproef vande Nederlandse bevolking. 's-Gravenhage: SWOKA, Instituut voorConsumentenonderzoek, 1989.

  3. Lako CJ. Huisarts en privacybescherming. Een onderzoek bij272 huisartsen. Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1988.Proefschrift.

  4. Centraal Medisch Tuchtcollege. Den Haag, 25 januari 1990.Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1990; 4: 280-2.

  5. Het Europese Hof van Justitie. De zaak Marleasing SA d.d.13 november 1990 (zaak C 10689). Staatscourant 1990 28 november:232.

  6. Voorstel voor een richtlijn van de Raad van de EuropeseGemeenschappen betreffende de bescherming van personen in verband met debehandeling van persoonsgegevens. COM(90)314def.-Syn 287-. cat. nr.CB-CO-90-452-NL-C. Luxemburg: Bureau voor Officiële Publikaties derEuropese Gemeenschappen, 1990.

  7. Wet Persoonsregistraties. Wet van 28 december 1988,houdende regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verbandmet persoonsregistraties. Staatsblad 1988: 665. 's-Gravenhage:Staatsuitgeverij, 1989.

  8. Tweede Kamer. Voorstel van wet inzake de geneeskundigebehandelingsovereenkomst. Vergaderjaar 1991-1992, 21 561, nr 11.'s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1992.

  9. Wersch PJM van, Bergkamp P. De wet persoonsregistratiesniet van toepassing op het medisch dossier. Het Ziekenhuis 1990; 1:15-6.

  10. Rijen AJG van. Het medisch dossier en de wetpersoonsregistraties. Voorraad 1990; 2: 14. Zoetermeer: Nationale Raad voorde Volksgezondheid, 1990.

  11. Rijksen WP, Aanen DK. Het medisch dossier onder de wetpersoonsregistraties. Het Ziekenhuis 1990; 3: 80-1 en 1990; 7:260-1.

  12. Helmer FMM. Wet persoonsregistraties. Het Ziekenhuis1990; 3: 82.

  13. Doppegieter RMS. Betekenis WPR voor huisartspraktijk.Praktijkmanagement, april 1990: 11.

  14. Doppegieter RMS. Patiëntendossiers en de WetPersoonsregistraties. Med Contact 1989; 44: 1379-83.

  15. Doppegieter RMS. Persoonsregistratie en de rechten van depatiënt. Med Contact 1990; 45: 1149-51.

  16. Doppegieter RMS. De meest gestelde vragen over de WetPersoonsregistraties. Med Contact 1991; 46: 1383-6.

  17. Graaf F de, Lameer C. Artsendeclaraties en de WetPersoonsregistraties. Med Contact 1992; 47: 571-2.

  18. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevorderingder Geneeskunst. Reactie op het ontwerp-besluit gevoelige gegevens.Staatscourant 6 juni 1990.

  19. Kuitenbrouwer F. Een zwak ontwerp-besluit over gevoelige(medische) gegevens. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1990; 12:486-97.

  20. Rijen AJG van, Veen EB van. Omgaan met persoonsgegevens.Med Contact 1990; 45: 1152-5.

  21. Tweede Kamer. Voorstel van wet inzake de geneeskundigebehandelingsovereenkomst. Vergaderjaar 1990-1991, 21 561, nr 6.'s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1991.

  22. Roscam Abbing HDC. Privacy-bescherming envijfpartijenakkoord. Med Contact 1990; 45: 966-8.

  23. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. Rapportervaringen met NRV-model-privacyreglementen. Zoetermeer: Nationale Raad voorde Volksgezondheid, april 1990.

  24. Leenen HJJ, Roscam Abbing HDC. Wetenschappelijk onderzoeken privacy. Ned Tijdschr Geneeskd1991; 135: 769-73.

  25. Vandenbroucke JP. Wetenschappelijk onderzoek en privacy:het belang van zorgvuldige afweging.Ned Tijdschr Geneeskd 1991; 135:1023-4.

  26. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. Advies normeringonderzoek met lichaamsmateriaal. Zoetermeer: Nationale Raad voor deVolksgezondheid, mei 1991.

  27. Doppegieter RMS. Medische gegevens en lichaamsmateriaalvoor wetenschappelijk onderzoek. Med Contact 1991; 46: 1081-3.

  28. Medisch Tuchtcollege Amsterdam, 3 oktober 1983.Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1984; 2: 88-90.

  29. Markenstein LF. Privacyreglementering: de modellen van deNationale Raad voor de Volksgezondheid.Ned Tijdschr Geneeskd 1991; 135:183-7.

  30. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevorderingder Geneeskunst (KNMG). KNMG informatieset wet persoonsregistraties. Utrecht:KNMG, 1990.

  31. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. Advies privacy engegevensverstrekking. Zoetermeer: Nationale Raad voor de Volksgezondheid,maart 1992.

  32. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevorderingder Geneeskunst (KNMG). Besluit en rapport inzake geneeskundige verklaringen,intercollegiale informatie, medische informatie. Utrecht: KNMG, juli1992.

  33. Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg(SIG). Handboek wetgeving voor de praktijk, privacy in de gezondheidszorg:code P 23. Lelystad: Koninklijke Vermande, 1990.

Auteursinformatie

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Lomanlaan 103, 3526 XD Utrecht.

Mw.mr.R.M.S.Doppegieter, jurist.

Gerelateerde artikelen

Reacties