Redactionele bewerking van voor publicatie aanvaarde artikelen bij het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde
Open

Richtlijnen
07-01-1997
H.C. Walvoort

Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde publiceert nu 140 jaar medische onderzoeksresultaten in het Nederlands. Om de kloof tussen specialistisch onderzoek en de algemene medische lezer te overbruggen, wordt na aanvaarding van een artikel veel verduidelijkt, vereenvoudigd en bekort. De taalkeuze en de stijl van de auteurs worden gerespecteerd. Veranderingen worden aangebracht als het artikel niet voldoet aan internationaal geaccepteerde normen voor wetenschappelijke verslaglegging, als het niet kan worden begrepen met de actuele gezaghebbende algemene en medische naslagwerken en als het taalgebruik in strijd is met algemeen aanvaarde afspraken inzake grammatica en spelling.

‘Good scientific writing is not a matter of life and death; it is much more serious than that.’1

Wie als medicus wil bijblijven op zijn of haar vakgebied moet niet het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) lezen; daarvoor zijn er gespecialiseerde vakbladen. Het NTvG leest men om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen over de hele breedte van de klinische geneeskunde in Nederland. In een voorgaand artikel werd aandacht besteed aan argumenten voor het publiceren van de resultaten van medisch-wetenschappelijk onderzoek in de moedertaal.2 Het NTvG doet dat nu 140 jaar. Om ervoor te zorgen dat de NTvG-artikelen door alle medici, inclusief ouderejaarsstudenten en basisartsen, kunnen worden gelezen, wordt na aanvaarding (door de hoofdredactie) in de artikelen nog veel vereenvoudigd en uitgelegd (door de wetenschappelijke eindredactie en de bureauredactie). Een kort overzicht van wat bij de bewerking wordt veranderd staat in de tabel.

WETENSCHAPPELIJKE BEWERKING

Misverstanden bij het lezen van een wetenschappelijk artikel ontstaan veelal doordat te laat duidelijk wordt waar het eigenlijk over gaat en wat de onderzoeksvraag is. Daarom is het geleidelijk opbouwen van de context essentieel. De lezer moet bij de hand worden genomen, vooral de lezer die in het gebied niet vertrouwd is. In de inleiding van een artikel wordt de context gecreëerd die voor de auteur vanzelfsprekend, maar voor veel lezers onbekend is. Daarom wordt bij de bewerking van een artikel door de redactie van het NTvG in de inleiding vaak meer veranderd dan in de andere onderdelen (‘patiënten en methode’, ‘resultaten’, ‘beschouwing’).

Doel van wetenschap.

Er wordt nu al circa 3 eeuwen gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften en in de loop van de tijd zijn conventies ontstaan voor de verslaglegging van de onderzoeksresultaten. Voor oorspronkelijk werk geldt een onderverdeling in 4 hoofdstukken: inleiding (waarom werd het onderzoek gedaan?), methode (hoe werd het onderzoek gedaan?), resultaten (wat leverde het onderzoek op?) en beschouwing (wat betekenen de onderzoeksresultaten in het licht van de vraag uit de inleiding?). Door deze opbouw wordt het onderzoek zoveel mogelijk controleerbaar en herhaalbaar: wie het wil nadoen, vindt in het artikel de gegevens die daarvoor nodig zijn. Dat raakt aan de essentie van (empirische) wetenschap: de resultaten vertegenwoordigen niet een mening, maar zijn gebaseerd op observatie. De enige manier om mensen te overtuigen die de conclusies van het onderzoek in twijfel trekken, is de methode zo te beschrijven dat wie het onderzoek overdoet tot dezelfde resultaten zou moeten komen. Die strikte opbouw van een oorspronkelijk stuk is dus niet een lastig keurslijf, maar een hulp bij het opschrijven – en bij het lezen – van onderzoeksresultaten.

Controleerbaarheid en herhaalbaarheid van onderzoek staan of vallen met de betrouwbaarheid van de gegevens. Daarom controleren de redactiemedewerkers alles wat zij aan aanvaarde artikelen kunnen controleren, ook percentages en optellingen, zelfs de auteursnamen en de literatuurreferenties.7 Kleine fouten kunnen grote consequenties hebben. Het idee, bijvoorbeeld, dat spinazie een hoog ijzergehalte heeft – de basis voor de Popeye-cultus in de VS – ontstond door een foute plaatsing van een komma in een tabel;8 spinazie bevat in werkelijkheid niet meer ijzer dan kool of broccoli. Zelfs de juiste aanduiding van culinaire gerechten (bavarois bavaroise) is belangrijk: deze kan bij een voedselvergiftiging bepalen waar men de bron van infectie zoekt.9

Titel.

Bij de strikte opbouw van een oorspronkelijk stuk past ook de gewoonte van de redactie om de titel van een artikel zo informatief mogelijk te maken: wetenschappelijke literatuur leest men namelijk niet om het lezen zelf, maar om informatie te verkrijgen. Als de informatie al uit de titel blijkt (‘Hydrokinine even werkzaam als placebo bij het “restless legs”-syndroom’) en de lezer vervolgens besluit het artikel verder niet meer te lezen, is de overdracht van wetenschappelijke informatie als geslaagd te beschouwen: de lezer heeft dan namelijk op goede gronden besloten. Als de titel vager was geweest (‘De werkzaamheid van hydrokinine bij het “restless legs”-syndroom’) zou de lezer wellicht in het artikel op zoek zijn gegaan naar het antwoord op de vraag naar de werkzaamheid. Dat antwoord had hij dan mogelijk gevonden in de samenvatting of aan het begin van de beschouwing, maar uiteindelijk was hij hetzelfde aan de weet gekomen – ten koste van meer tijd. Gezien de tienduizenden relevante artikelen die jaarlijks verschijnen, zal de lezer zijn tijd efficiënt willen besteden.

Een informatieve titel is ook van belang bij het zoeken in elektronische databestanden. Een titel zoals ‘Een ulcus uit de tropen’ schiet in dat opzicht tekort; ‘Een ulcus uit de tropen; cutane difterie’ is beter‘.

Voor sommige rubrieken van het Tijdschrift, zoals de klinische les, en ook voor de reeks ‘Klinisch denken en beslissen in de praktijk’ geldt dat de stukken juist wel integraal moeten worden gelezen. Deze artikelen bevatten wetenschappelijk gezien niets nieuws, maar ze presenteren de informatie op een didactische wijze. De titel mag dan iets te raden overlaten om de lezer te boeien.

Pseudo-geestige titels verandert de redactie altijd, alleen al omdat die de indruk zouden kunnen wekken dat men zich vermaakt met het lijden van patiënten (‘Diabeten met nefropathie in Nederland: hoe zoet zijn de toekomstdromen?’; ‘Liever alle duiven van de hand dan door één geen lucht’).

Jargon.

Jargon dat alleen door een subgroep van medici wordt gebruikt, wordt veranderd of omschreven (‘grafts’ wordt ‘transplantaten’, ‘staples’ wordt ‘krammen’ en ‘case control study’ wordt ‘patiënt-controle-onderzoek’), maar de redactie handhaaft algemeen medisch jargon, bijvoorbeeld ‘uitsluipen’ (van therapie met corticosteroïden of anti-epileptica), ‘de patiënt instellen op insuline’ en uitdrukkingen als ‘drukpijnlijke flank’, ‘lage reflexen’ en ‘negatieve-feedbackmechanisme’. Daarentegen wordt ‘etiologie’ vervangen door ‘oorzaak’ (‘etiologie’ is namelijk oorzakenleer), ‘zich presenteren’ wordt ‘zich manifesteren’ (als het gaat om een ziekte) of ‘de arts bezoeken’ (als het gaat om een patiënt) en ‘patiënt was bekend met’ wordt veranderd in ‘patiënt was bekend wegens’; in de laatste gevallen wordt een Nederlands begrip namelijk in een niet-bestaande betekenis gebruikt.

Er wordt dus verduidelijkt, vereenvoudigd en bekort. Esthetische overwegingen spelen bij de redactionele bewerking geen rol. Zoveel mogelijk wordt gewerkt met de woorden die de auteur al heeft gekozen. Het resultaat van de wetenschappelijke bewerking is een stuk dat op het redactiekantoor door een medische lezer die niet in het specifieke vakgebied van het artikel was ingewijd, is begrepen.

TAALKUNDIGE BEWERKING

Een medisch-wetenschappelijke redactie kan niet pretenderen te weten wat ‘goed Nederlands’ is. Iedere auteur heeft recht op zijn of haar eigen stijl en taalgebruik (maar niet op een eigen spelling; zie verder). De voornaamste zorg van de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift wat de taal betreft, is dat deze overeenkomt met de taal die wordt gedocumenteerd en uitgelegd in de lexica van de tijd waarin de artikelen verschijnen. Het NTvG legt wetenschappelijke informatie vast en streeft ernaar dat zo ondubbelzinnig mogelijk te doen. Daarom sluiten wij ons als redactie aan bij enkele gezaghebbende bronnen.

Referentiewerken.

Wat de anatomische termen aangaat, conformeren wij ons aan de Nomina anatomica.10 Wij schrijven bijvoorbeeld niet ‘V. femoralis superficialis’, hetgeen in de chirurgische anatomie gebruikelijk is, maar ‘V. femoralis’, zodat de lezer zeker weet, of kan opzoeken, over welk vat het gaat;3 verwarring over de juiste naam kan bij het rapporteren van bijvoorbeeld duplexuitslagen door vaatlaboratoria nare gevolgen hebben. Voor de geneesmiddelnamen verwijzen wij naar het Informatorium medicamentorum van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie,11 en wij schrijven daarom ‘epinefrine’, ‘acetylsalicylzuur’, ‘riluzol’, ‘etidroninezuur’ en ‘povidon-jood’ in plaats van respectievelijk ‘Adrenaline’, ‘Aspirine’, ‘riluzole’, ‘etidronaat’ en ‘Betadine’. Van geneesmiddelen wordt alleen de generieke naam gegeven (dit om ongewilde (anti)reclame te vermijden), behalve wanneer de farmaceutische formulering van belang kan zijn, zoals bij bijwerkingen van geneesmiddelen.

Wanneer een medische term in het algemeen taalgebruik is doorgedrongen, hetgeen blijkt uit opname ervan in de nieuwe Woordenlijst Nederlandse taal (het ‘Groene boekje’)5 en (of) in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (de ‘Grote Van Dale’),12 gebruiken wij de daar gehanteerde schrijfwijze. Dat betekent dat wij ‘astma’, ‘artritis’, ‘nefritis’ en ‘encefalitis’ schrijven en in het verlengde daarvan ‘glomerulonefritis’ en ‘meningo-encefalitis’. Daarentegen houden wij vast aan bijvoorbeeld ‘asthma cardiale’ en ‘arthritis ankylopoetica’, klassieke vaktermen die niet in het algemeen taalgebruik zijn ingeburgerd. Voor deze laatste termen gebruiken wij het Geneeskundig woordenboek van Pinkhof-Hilfman.13

Modieus medisch woordgebruik dat (nog) niet door de bronnen wordt ondersteund, wordt veranderd (‘studie’ wordt ‘onderzoek’, ‘associatie’ wordt ‘verband’ of ‘samenhang’, ‘public health’ wordt ‘volksgezondheid’).14 Uiteraard is kritiek mogelijk op de wijze waarop in de genoemde referentiewerken de medische termen worden vastgelegd. De mening van de redactie doet daarbij niet terzake; voor ons telt dat wat wij afdrukken begrepen kan worden met de nu gangbare woordenboeken en dat de terminologie uniform is (dat is ook van belang voor zoekacties in elektronische databestanden). Zo zal ook over 50 jaar retrospectief onderzoek met onze gegevens (en met de referentiewerken van een halve eeuw geleden) mogelijk zijn.

De taalkundige bewerking vindt behalve op woordniveau ook plaats op zinsniveau, onder meer ten aanzien van de zinsbouw. Een voorbeeld van onjuiste zinsbouw is: ‘Wel dient de onderwijsstructuur tijdens de laatste 2 jaar te verbeteren’; dit is een ‘pseudo-actieve’ constructie die het Nederlands niet kent (juiste alternatieven zijn ‘Wel dient men de onderwijsstructuur...’ of ‘...jaar verbeterd te worden’). Verder wordt gelet op redundantie en op zogenaamde registerovergangen (bijvoorbeeld in de zin: ‘Formele juridische stappen worden doorgaans pas overwogen wanneer het in de praktijk de spuigaten uitloopt’). Ook worden algemene adviezen over taalbeheersing gevolgd (liever actieve dan passieve en liever persoonlijke dan onpersoonlijke constructies).

Oud en nieuw.

Het taalgebruik, ook het medisch taalgebruik, verandert voortdurend. Daarom laat de redactie van het NTvG zich op taalkundig gebied adviseren. Momenteel gebeurt dat door prof.dr.P.G.J.van Sterkenburg, hoogleraar lexicologie in Leiden, die het Tijdschrift leest en de taalkundige bewerking becommentarieert.

De redactie stelt zich bij taalveranderingen aan de ene kant enigszins behoudend op: bij een nieuwe term (denk aan ‘immuungecompromitteerd’, ‘aandachtstekortstoornis’, ‘high-probability-scan’, ‘systemisch’, ‘sentinel node’) moet worden afgewacht of het wellicht een taalkundige eendagsvlieg betreft. Zolang proberen wij als redactie een goed Nederlands equivalent te vinden, of een omschrijving. Sommige termen blijken na verloop van tijd inderdaad vaktermen geworden te zijn. Dan wordt besloten ze in het Tijdschrift te introduceren, de eerste keren voorzien van een uitleg. Het zou immers ook niet goed zijn lang vast te houden aan een Nederlandse omschrijving van een begrip wanneer het overgrote deel van de betrokken medici hier een andere term voor gebruikt (‘gangmaker’ in plaats van ‘pacemaker’, ‘opneming’ in plaats van ‘opname’ en ‘gewaarwording’ (van gebeurtenissen tijdens narcose) in plaats van ‘awareness’ – historische voorbeelden). Volgens sommige auteurs wachten wij met de introductie van nieuwe termen te lang, die verwijten ons behoudendheid en gekunsteld taalgebruik.

Aan de andere kant volgt de redactie bij taalveranderingen de genoemde referentiewerken op de voet. Volgens de nieuwe spellingsregels schrijven wij nu ‘diagnosticeren’, ‘katheter’, ‘wiegendood’, ‘ruggenmerg’, ‘resusnegatief’ en ‘neuralebuisdefecten’,5 en ‘casussen’ en ‘foetussen’ als meervoud van ‘casus’ en ‘foetus’. Ook is ‘implementatie’ tegenwoordig goed Nederlands, evenals ‘trend’ en ‘eenduidig’;512 voor sommige lezers gaat dit te snel, die verwijten ons slechte smaak en medewerking aan taalbederf. De redactie heeft echter geen lijst met ‘vreselijke uitdrukkingen’,15 want wij zouden niet weten hoe die op een verdedigbare wijze zou kunnen worden vastgesteld.

Soms leidt de taalkundige bewerking tot medischinhoudelijke veranderingen. Door overleg tussen wetenschappelijke eindredactie en bureauredactie ontstaat dan een formulering die inhoudelijk en taalkundig juist is. De bewerkte versie wordt, met uitleg en vragen, aan de auteur ter fiattering voorgelegd; die kan dan nog correcties aanbrengen. Vervolgens gaat het artikel naar de drukker.

TENSLOTTE

Van auteurs van wetenschappelijke artikelen wordt verwacht dat hun onderzoeksresultaten controleerbaar en herhaalbaar zijn. Steeds meer wordt van redacties verwacht dat de behandeling van aangeboden artikelen eveneens voldoet aan objectiveerbare regels (‘evidence based editing’),16 zowel in de fase van ‘peer review’ als in de fase van redactionele bewerking na acceptatie. Onlangs toonden wij aan dat de redactionele bewerking bij het NTvG leidt tot kwaliteitsverbetering van de artikelen in de ogen van de lezer.17

Met dank aan drs.M.Kabos, mw.drs.M.L.C.Los en drs.W.J.van Nimwegen, neerlandici-bureauredacteuren, aan mw.drs.C.A.W. van de Meerendonk-Diederen, hoofd productie, en aan mw. C.J.E.Kaandorp, arts en assistent wetenschappelijke eindredactie, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, voor commentaar op dit artikel.

Literatuur

  1. Day RA. How to write and publish a scientific paper. 4thed. Cambridge: Cambridge University Press, 1995.

  2. Walvoort HC. Medische wetenschap in het Nederlands.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:5-7.

  3. Bundens WP, Bergan JJ, Halasz NA, Murray J, Drehobl M. Thesuperficial femoral vein; a potentially lethal misnomer. JAMA 1995;274:1296-8.

  4. Moorman PW, Siersema PD, Ginneken AM van. Is groot altijdgroter dan klein? Ned TijdschrGeneeskd 1995;139:1889-91.

  5. Instituut voor Nederlandse Lexicologie. WoordenlijstNederlandse taal. Den Haag: SDU, 1995.

  6. Paustovskij K. De tijd van grote verwachtingen. Amsterdam:De Arbeiderspers, 1993.

  7. Hobma SjO, Overbeke AJPM. Fouten in literatuurverwijzingenin het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.Ned Tijdschr Geneeskd1992;136:637-41.

  8. Hamblin TJ. Fake! BMJ 1981;283:1671-4.

  9. Wentges RThR. Bavaroise en een epidemie van Salmonellaenteritidis ingezonden.Ned Tijdschr Geneeskd1990;134:1514.

  10. International Anatomical Nomenclature Committee. Nominaanatomica. 6th ed. Edinburgh: Churchill Livingstone, 1989.

  11. Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering derPharmacie (KNMP). Informatorium medicamentorum. Den Haag: KNMP,1996.

  12. Geerts G, Heestermans H. Van Dale Groot Woordenboek derNederlandse Taal. 12e druk in de nieuwe spelling. Utrecht: Van DaleLexicografie, 1995.

  13. Everdingen JJE van, Klazinga NS, Pols J. Pinkhof-Hilfmangeneeskundig woordenboek. 9e druk. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum,1992.

  14. Bonneux J. Taalgebruik in verband metvolksgezondheidsonderzoek en -onderwijs.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:1260-1.

  15. Gessel H van, Hulsbosch JK, Huurdeman H, Kleef B van, LosK, Vuijsje B, redacteuren. De Volkskrant stijlboek. Den Haag: SDU,1992.

  16. Smith R, Rennie D. And now, evidence based editing. BMJ1995;311: 826.

  17. Pierie JPEN, Walvoort HC, Overbeke AJPM. De invloed vanpeer review en redactionele bewerking op de kwaliteit van oorspronkelijkestukken in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; beoordeling doorlezers. Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:42-7.