Psychogene afonie; een goed en snel behandelbare conversie

Onderzoek
P.N. van Harten
H.K. Schutte
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:790-3
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Psychogene afonie is voor de patiënt een uitermate vervelend conversieverschijnsel. Over de behandeling van de psychogene afonie is opvallend weinig geschreven. In dit artikel wordt vrij gedetailleerd een efficiënte behandelmethode besproken die directieve aspecten en ‘biofeedback’-aspecten in zich bergt. Vanuit de gedachte dat bij de patiënten door de tijdfactor het onbewuste conflict is losgeraakt van de afonie, staat een rechtstreekse aanpak van het symptoom bij de beschreven behandeling centraal. De behandeling begint met het onder laryngoscopische controle laten kuchen van de patiënt en het geven van aanwijzingen daarbij. Deze therapievorm wordt sinds 1975 toegepast. De resultaten van 1988 en 1989 worden besproken. In die periode werden 23 patiënten in het Centrum voor Stem-, Spraak- en Taalstoornissen van de KNO-kliniek van het Academisch Ziekenhuis te Groningen behandeld voor periodes van afonie variërend van 2 weken tot 2 jaar. Bij 8 patiënten traden recidieven op, waarbij het interval varieerde van maanden tot jaren. In totaal werd 45 keer een psychogene afonie behandeld, waarbij telkens binnen 1 uur de stem terugkeerde.

artikel

Inleiding

Bij conversie is het kenmerkend dat de patiënt overtuigd is van een organische basis voor de functiestoornis en de arts snel aan psychische factoren denkt. Dit geldt ook voor de psychogene afonie. De criteria die de ‘clinical speech therapist’ Aronson geeft benadrukken dit belevingsaspect.1

De patiënt met een conversie zal dan ook zelden op eigen initiatief naar een psychiater gaan.

Klinisch beeld

Bij een psychogene afonie kan de patiënt alleen nog maar fluisteren. Een eenvoudig spiegelonderzoek toont dat de stemplooien niet sluiten bij een poging tot foneren. Indien de stemplooien wel sluiten bij kuchen en laesies ontbreken, is het waarschijnlijk dat de afonie niet berust op een organische stoornis. Om te kunnen spreken van ‘psychogene afonie’ moet de afonie samenhangen met een psychosociale stressfactor.12 Een onbewust innerlijk conflict wordt daarbij door de stressfactor geactualiseerd; de onbewuste emotie is vaak onderdrukte woede.34 De stelling ‘een psychogene afonie betekent vaak een ingehouden kreet om hulp’,5 illustreert goed het verborgen, maar krachtige appel. Van belang is dat in de loop van de tijd het onbewuste conflict bij de patiënt vaak losgekoppeld raakt van de afonie. De patiënt ervaart daardoor de primaire of secundaire voordelen van het symptoom veel minder. De stemloosheid komt dan steeds sterker als probleem naar voren. De patiënt is als het ware verleerd de juiste combinatie van adductie van de stemplooien en adembewegingen op te roepen, waardoor hij geen geluid produceert – dit terwijl spreken met fluisterstem en articuleren van de juiste spraakklanken wel mogelijk blijft.

Therapie

Interview

Van belang is dat de opvattingen van patiënt en arts over de afonie op elkaar ‘afgestemd’ zijn. De arts benadert het probleem vrij zakelijk, in de zin van: ‘Dit beeld is niet onbekend, laten wij kijken wat wij eraan kunnen doen’.

Onderzoek

De arts onderzoekt met een keelspiegel en een stroboscoop de stemplooien en stelt vast dat deze niet tot adductie en dus niet tot trilling komen. Hij zegt tegen de patiënt: ‘Ik heb een goed beeld van uw strottehoofd, de trilling van de stemplooien is op dit moment niet zoals die moet zijn. Ik zal kijken of ik ze weer aan het trillen kan krijgen’.

Therapie in stappen

– De arts moedigt de patiënt nu onder belichting van de stroboscoop (‘het apparaat dat de trillingen weer in uw stem terugbrengt’) aan om voorzichtig geluid te maken. Soms zal de arts erbij zeggen dat hij wel weet dat dat nu juist niet wil. Door het spiegelen kan nu goed worden waargenomen met welk fysiologisch mechanisme de stemloosheid van patiënt gepaard gaat. Soms blijven de stemplooien eenvoudig in abductiestand staan, soms worden zowel de valse als de ware stemplooien dichtgeperst. Voor de verdere aanpak is dit een belangrijk gegeven.

– De volgende stap is gericht op het verkrijgen van stemgeluid waarbij alleen de ware stemplooien trillen. De frequentst gebruikte methode daarvoor is het laten kuchen van de patiënt, wat door de arts wordt voorgedaan. Het is eigenlijk een ‘dubbele kuch’ (niet slechts een expirerende hoestachtige luchtstoot), een deftig ‘ahum’, uiteraard met weglaten van de beginklinker ‘a’. Bij het spiegelen zal snel duidelijk worden of daarbij aanvankelijk nog een sterke adductie optreedt met totale blokkade van de luchtweg door ware en valse stemplooien. Met gerichte variaties in de aanwijzingen wordt getracht te bewerken dat bij de ‘h’ de luchtweg open blijft en er slechts met de slot-‘u’ een adductie van alleen de ware stemplooien optreedt. In eerste instantie is het al winst indien daarbij de valse stemplooien niet synergistisch meeadduceren, hetgeen impliceert dat er een gerichtere werking van alleen de ware stemplooien is. Dit is een belangrijk moment, want het betekent ontspanning en een deblokkering van een voorheen in ongunstige zin veranderd spierbewegingspatroon.

– De volgende stap is gericht op het laten trillen van de stemplooien bij de klinker ‘u’. In de regel gelukt dit door het kuchje ‘te verlengen’, het langer te laten doorklinken. In deze fase gebeurt alles nog onder spiegelzicht. De patiënt wordt aangemoedigd de ‘u’ zo lang mogelijk aan te houden, wat uiteraard ook inhoudt dat de glottis goed en steeds beter blijft sluiten tijdens deze stemgeving.

– Gelukt het om de klinker enige seconden aan te houden, dan wordt tijdens een fonatie de spiegel weggenomen en wordt direct of in een volgende stap de tong losgelaten. Omdat bij het verwijderen van de spiegel soms de fonatie dreigt te stoppen, wordt gezegd dat dit een moeilijke stap is, waarbij de patiënt heel geconcentreerd de fonatie moet volhouden. Hij moet dan wel voldoende adem hebben om te kunnen doorgaan. Hij moet diep inademen en daarna direct beginnen met een lange ‘u’-klinker. Direct na het begin van de fonatie wordt de spiegel weggenomen. Soms moet de patiënt worden uitgelegd dat hij ‘de langste adem heeft’ na een flinke, lage buikinademing. Vanaf dit moment wordt de larynx niet meer met de stroboscoop zichtbaar gemaakt.

De genoemde stappen dienen zorgvuldig genomen te worden; het is niet wenselijk dat de patiënt tussentijds iets zegt of fluisterend commentaar geeft. Dit betekent immers een terugval in het oude ‘stemgevingspatroon’ en heeft vaak ook tot gevolg dat eerdere stappen herhaald moeten worden. Kuchen en extra meebewegen van hoofd, hals en armen ‘omdat het zo moeilijk gaat’ dient patiënt te onderdrukken.

– Doordat de keelspiegel is weggenomen en de tong losgelaten, kan patiënt nu ook andere klanken articuleren. De keuze van de volgende ‘los uit te spreken’ klank is niet onbelangrijk. Meestal wordt de ‘m’ gekozen. Wanneer het ‘m’-geluid goed op gang komt, wordt de ‘m’ verbonden aan korte klinkers zoals in ‘mo’, ‘ma’, ‘mee’. Ook deze stap kost tijd. De arts zegt nogmaals dat de patiënt met een moeilijk karwei bezig is.

– De stemgeving wordt nu verlengd door de patiënt de klinker langer aan te laten houden: ‘moooo’, ‘maaaa’, ‘meeee’. De medeklinker ‘m’ heeft onze voorkeur omdat deze weinig articulatiebewegingen vergt. In de praktijk blijkt dat het direct beginnen met een klinker of met een woord een te grote stap is in deze fase. Wanneer de stem tijdens de oefeningen wegvalt, wordt er gestopt en begint het hele proces van de stem opbouwen van voren af aan. Dit gebeurt soms als patiënt spontaan iets wil zeggen en daarbij weer het oude stemgevingspatroon gebruikt.

– Wanneer de stem op gang gekomen is, worden de opdrachten moeilijker. De patiënt moet nu de articulatie-organen bewust gaan gebruiken, zonder dat daarbij de stem mag wegvallen. Men kan laten tellen, de dagen van de week laten opnoemen et cetera. Geleidelijk dient het de patiënt te gelukken dit in een vlot tempo te doen, het tempo van het natuurlijke spreken. Hortend en stotend uitspreken van de woorden wordt nu niet meer door de arts geaccepteerd.

Wanneer het uitspreken van deze reeksen van woorden goed gelukt, wordt een spontaan antwoord gevraagd op een vraag als: ‘Hoe klinkt de stem nu?’ Vaak zegt de patiënt dat ‘de stem nog wat anders klinkt, zo onwennig’. De arts merkt op dat dit niet vreemd is na een langere periode van stemloosheid. Er wordt nu verder geoefend met korte zinnetjes die de patiënt moet nazeggen, bijvoorbeeld ‘het is beter’, ‘mijn stem’, ‘hoera, mijn stem is terug’. Het suggestieve karakter hiervan zal duidelijk zijn.

– De patiënt krijgt vervolgens de opdracht om hardop te gaan tellen, waarbij de arts zo mogelijk een meegekomen familielid of een bekende uit de wachtkamer ophaalt. Vaak is van tevoren met patiënt besproken hoe het weer op gang komen van de stem zal worden uitgelegd. Essentieel is dat de stroboscoop de stemplooien weer in trilling heeft gebracht en dat er aan de stemplooien zelf niets mankeert. Het gebeuren is daardoor concreet geworden en eenvoudig uit te leggen aan bekenden.

Het vertellen dat de stem is teruggekeerd, gaat meestal met veel emoties gepaard.

PatiËnten en resultaten

De boven in stappen aangegeven methode wordt sedert omstreeks 1975 toegepast, met wat kleine, op de individuele patiënt gerichte veranderingen. Ter illustratie van de effectiviteit van de behandeling geven wij de resultaten van 1988 en 1989. In die periode bezochten 23 patiënten met een psychogene afonie (22 vrouwen en 1 man) het Centrum voor Stem-, Spraak- en Taalstoornissen van de KNO-kliniek van het Academisch Ziekenhuis te Groningen. Andere psychogeen veroorzaakte stemstoornissen worden buiten beschouwing gelaten.

Van de patiënten hadden 15 voor het eerst en eenmalig een afonie. De duur van de afonie varieerde van 2 weken tot 2 jaar (gemiddeld circa 8 weken, 3 exceptioneel lang bestaande afonieën van respectievelijk 24, 13 en 11 maanden niet meegerekend). De behandeling had succes binnen een tijdsbestek van 10-60 min.

Van de 23 patiënten werden 3 in 1988 of 1989 voor de 2e keer behandeld. De stem was bij hen gemiddeld 3 weken weg. Het interval sinds het vorige bezoek bedroeg bij 2 patiënten 9 maanden en bij 1 patiënt 3 jaar.

Er werden 2 patiënten voor de 3e keer behandeld, één in 1988 en één in 1989. De ene patiënt bezocht de kliniek in 1978, 1984 en 1988. In de lange tussenpozen bestonden geen stemproblemen. De andere patiënt bezocht in 1989 de kliniek 3 maal met stemloze perioden van respectievelijk 12, 8 en 2 weken. Aanvankelijk viel de stem bij haar dus snel weer weg, maar 7 maanden na het laatste bezoek had zij zich nog niet opnieuw gemeld.

De overige 3 patiënten kwamen meerdere malen in consult. De 1e patiënt kwam in 1978 voor het eerst en werd sindsdien 7 maal behandeld, meestal na een afonie van 2 à 3 weken. De 2e patiënt kwam ook in 1978 voor het eerst en werd daarna 5 keer behandeld, eind 1988 voor het laatst. De 3e patiënt kwam in 1984 voor het eerst na een afonie-periode van 11 maanden. Daarna bleef de stem 2 jaar goed. Na 1986 kwam zij met intervallen van 5 tot 9 maanden terug na afonie-periodes van 2-6 weken; 11 maanden na de laatste behandeling had zij de kiniek nog niet opnieuw bezocht.

Het totale aantal behandelingen bij deze groep van 23 patiënten bedroeg 45. Er is duidelijk een tendens waar te nemen bij de patiënten met recidieven om eerder hulp te vragen. Het niet kunnen beschikken over stemgeluid is uiterst vervelend. Zelf juichen wij het toe als patiënten vroeg naar de kliniek komen, omdat de behandeling zoals wij die uitvoeren dan gemakkelijker verloopt. Het afwijkende stemgevingspatroon heeft zich nog minder gevestigd.

Beschouwing

De in dit artikel besproken behandelingswijze voor afonie is zover wij hebben kunnen nagaan nimmer in de Nederlandse literatuur beschreven. Dit is opmerkelijk daar het een eenvoudige methode is met een grote kans op succes. Afonie is zeer lastig in het dagelijks functioneren en de patiënten zijn vaak tijdelijk arbeidsongeschikt.

Voor de psychogene afonie zijn verschillende andere therapievormen beschreven. In de tijd van Freud was de bewustmaking van het aan de afonie ten grondslag liggende onbewuste conflict gevolgd door een catharsis de behandelmethode.6 In andere behandelmethoden wordt het symptoom vaak rechtstreeks aangepakt.347 In de internationale literatuur beschrijven 2 artikelen een methode die enige verwantschap heeft met de onze.48 Volgens het eerste artikel keerde bij 38 van de 39 beschreven patiënten de stem terug. Er werd bij de behandeling echter meer nadruk gelegd op psychotherapeutische – vooral cathartische – technieken.4 Volgens het tweede artikel werden 2 patiënten met succes behandeld; daarbij werd de ‘schwa’-klank gebruikt, welke fonetisch identiek is met de door ons gebruikte ‘u’-klank, de zogenaamde stomme .8

De beschreven behandelmethode is symmetrisch te noemen. De achterliggende motieven van de patiënt die bijdragen tot het ontstaan en onderhouden van de afonie worden (weliswaar onbewust) verhuld door het symptoom. Het vermoeden van de arts omtrent achterliggende motieven en zijn intentie om bij de patiënt de stem – zonder gezichtsverlies voor de patiënt – weer op gang te laten komen, worden (met opzet) eveneens verhuld door een somatisch georiënteerde houding. Omdat het onderliggende conflict vaak niet meer direct gekoppeld is aan de afonie, sluit deze symmetrische benadering meer aan bij de beleving van de patiënt. Daarnaast vraagt deze methode veel minder tijd dan een psychodynamische of behaviouristische benadering (die benaderingen zijn juist niet symmetrisch).

De beschreven therapeutische aanpak is aangewezen voor de psychogene afonie. De psychogene dysfonie daarentegen vergt vaak juist wel een psychotherapeutische aanpak.9

Wij hechten veel belang aan het voorkómen van gezichtsverlies bij de patiënt; dit zou wel eens een essentieel aspect kunnen zijn van onze behandelvorm. De patiënt ervaart dat een somaticus na een korte maar intensieve behandeling de stem heeft teruggebracht. Daarnaast is de oefening ‘vertel aan je familie wat er gebeurd is, waar ik bij ben’, in wezen een ego-ondersteunende maatregel. Veel patiënten zijn bang uitgelachen te worden in de zin van ‘zie je wel, het was toch aanstellerij’.

De symbolische betekenis van een psychogene afonie had vroeger veel aandacht en was in de 2e editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-II) nog een criterium voor de diagnose ‘conversie’.10 Mede onder invloed van een aantal onderzoeken is dit criterium in de DSM-III en DSM-III-R vervallen.211-13 Deze wijziging sluit aan bij onze opvatting dat door de tijdfactor de afonie vaak losgekoppeld is geraakt van de achterliggende motieven. Anders gezegd: de psychogene afonie wordt vaak een ‘gewoonte’-afonie en moet dan ook als zodanig benaderd en behandeld worden.

Literatuur
  1. Aronson AE. Clinical voice disorders. An interdisciplinaryapproach. New York: Thieme, 1985: 141.

  2. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 3rd ed. Revised. Washington DC: APA,1987: 257.

  3. Aronson AE, Peterson Jr HW, Litin EM. Psychiatricsymptomatology in functional dysphonia and aphonia. J Speech Hear Disord1966; 31: 115-27.

  4. Aronson AE. Speech pathology and symptom therapy in theinterdisciplinary treatment of psychogenic aphonia. J Speech Hear Disord1969; 34: 321-41.

  5. Schutte HK. The efficiency of voice production. Groningen:Kemper, 1980. Proefschrift (stelling 13).

  6. Breuer J, Freud S. Studien über Hysterie. Leipzig:Deuticke, 1895.

  7. Böhme G. Klinik der Sprach-, Sprech- undStimmstörungen. 2e druk. Stuttgart: Fischer, 1983: 185-7.

  8. Torgerson JK. Cough offset schwa as a means of elicitinginitial phonation in functional aphonia: two case reports. J Commun Disord1983; 16: 63-6.

  9. Bridger MWM, Epstein R. Functional voice disorders: areview of 109 patients. J Laryngol Otol 1983; 97: 1145-8.

  10. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 2nd ed. Washington DC: APA,1958.

  11. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 3rd ed. Washington DC: APA, 1980:247.

  12. Lewis WC, Berman M, Madison WIS. Studies of conversionhysteria. Arch Gen Psychiatry 1965; 13: 275-82.

  13. Raskin M, Talbott JA, Meyerson AT. Diagnosis ofconversion reactions. Predictive value of psychiatric criteria.JAMA 1966;197: 530-4.

Auteursinformatie

Psychiatrische Inrichting Dr. David Ricardo Capriles Kliniek, P.O.Box 3074, Curaçao, Nederlandse Antillen.

P.N.van Harten, psychiater.

Academisch Ziekenhuis, KNO-kliniek, Centrum voor Stem-, Spraak-en Taalstoornissen, Groningen.

Prof.dr.H.K.Schutte, KNO-arts, stem- en spraakarts.

Contact P.N.van Harten

Gerelateerde artikelen

Reacties

E.J.
Gerritsma

Rotterdam, mei 1992,

Het is verheugend dat Van Harten en Schutte in dit tijdschrift een behandeling van psychogene afonie voorstellen en beschrijven (1992;790-3). Het is een helder en bondig artikel, waarin een symptomatische behandeling van psychogene afonie wordt uiteengezet en enkele resultaten worden gegeven. Er wordt terecht gewezen op het belang van het verschaffen van een alibi voor de patiënt om gezichtsverlies zoveel mogelijk te voorkomen.

Bij deze suggestieve behandeling is het onzes inziens echter belangrijk de patiënt een rationele verklaring voor zijn afonie te geven, die aansluit bij zijn beleving en zijn woordgebruik. In de beschrijving van Van Harten en Schutte ontbreekt deze rationalisatie en wordt slechts geconstateerd: ‘Dit beeld is niet onbekend, laten wij kijken wat wij eraan kunnen doen’.

Volgens Moene moet een dergelijke rationele verklaring tevens uitdrukking zijn van het dubbele karakter (somatisch en psychisch) van de conversie, in dit geval de psychogene afonie. Meestal gebeurt dit door patiënt te vertellen dat zijn klacht een reactie kan zijn op bepaalde gebeurtenissen, zowel op lichamelijk als op psychisch gebied (‘overbelast zijn’, ‘te veel van zichzelf gevergd hebben’).1

Op deze manier wordt de weg opengehouden om te kunnen verwijzen naar een psychiater of psycholoog indien blijkt dat bepaalde conflicten een belangrijke rol spelen in het veroorzaken of het onderhouden van de afonie, in het bijzonder bij persisterende of frequent recidiverende afonie. Moene geeft in haar artikel een aantal te gebruiken formuleringen om deze verwijzing voor de patiënt acceptabel te maken.1 In onze ervaring is een deel van deze patiënten gemotiveerd voor en wel degelijk gebaat bij psychotherapeutische hulp. Inmiddels is ook komen vast te staan dat een aantal patiënten met een psychogene afonie een gebrek aan sociale vaardigheden heeft.23 Volgens de behaviouristische zienswijze ontstaan conversiesymptomen namelijk als vermijdingsresponsen op (sociale) angstverwekkende situaties, hetgeen met betrekking tot psychogene afonie erg aanspreekt.

In het artikel wordt verder gesteld dat door de tijd de afonie vaak is losgekoppeld van de achterliggende motieven en een ‘gewoonte’-afonie is geworden. Onze vraag hierbij is of er ooit verwezen wordt voor logopedische behandeling, omdat juist door middel van logopedie een verkeerde gewoonte kan worden afgeleerd en een goede aangeleerd. Ook zijn we benieuwd naar de behandelingsresultaten op langere termijn, dat wil zeggen na 1989 en de soort behandeling die gegeven werd aan de patiënten die reeds vóór het betreffende onderzoek, dus vóór 1988, in verband met een afonie gezien werden.

E.J. Gerritsma
R.C. van der Mast
Literatuur
  1. Moene FC, Groenenboom A. Somatische specialist en conversie. [LITREF JAARGANG="1985" PAGINA="904-7"]Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129: 904-7.[/LITREF]

  2. Kinzl J, Biebl W, Rauchegger H. Functional aphonia: psychosomatic aspects of diagnosis and therapy. Folia Phoniatr 1988; 40: 131-8.

  3. Gerritsma EJ. An investigation into some personality characteristics of patients with psychogenic aphonia and dysphonia. Filia Phoniatr 1991; 43: 13-20.

P.N.
van Harten

Willemstad (N.A.), juni 1992,

Wij danken Gerritsma en Van der Mast voor hun reactie op het intrigerende onderwerp van de psychogene afonie. De door hen geopperde, rationele verklaring die de patiënt de mogelijkheid zou geven om alsnog psychologische hulp te zoeken is in strijd met de boodschap van het artikel. Deze rationele verklaring veronderstelt namelijk dat het verlies van de stem en het conflict nog steeds aan elkaar gekoppeld zijn (zelfs na terugkeer van de stem). Wij benadrukken juist dat de psychogene afonie losgekoppeld is geraakt van het conflict en overgegaan is in een gewoonteafonie. Bedoeld wordt dat de patiënt als het ware het trucje is verleerd om de stembanden weer te laten trillen.

Nadat de stem is teruggekeerd, zijn stemlessen niet noodzakelijk, en een advies in die richting verzwakt de door ons gegeven verklaring, te weten dat ‘de stemplooien niet trilden en door middel van deze therapie weer aan het trillen gebracht zijn’. Bij een ‘verkeerde gewoonte’ zouden stemlessen wel zinvol zijn, maar wij spraken niet over een verkeerde gewoonte, maar over een tot gewoonte geworden stemgevingspatroon.

Om tijdens deze therapie de patiënt tegelijk voor te bereiden op psychiatrische dan wel psychologische begeleiding lijkt ons niet juist. De patiënten waren veelal bekend bij de geestelijke gezondheidszorg of bij de logopedist. De behandeling zoals beschreven werd daardoor niet eenvoudiger. Voor de duidelijkheid, psychologische factoren spelen zeker een belangrijke rol bij het ontstaan van de afonie. Bij de behandeling lijkt die rol echter van veel minder belang. De klinische praktijk geeft hieraan voldoende steun.

Wij bestrijden niet dat bij persisterende of frequent recidiverende afonieën psychologische factoren een belangrijke rol spelen en dat hierbij psychotherapeutische hulp zinvol is, maar dan zijn de briefschrijvers overgegaan naar een andere patiëntengroep. Het is in dit kader misschien interessant om te noemen dat de aanleiding tot het schrijven van het artikel de behandeling van een 22-jarige patiënte was, die voor het eerst sinds een half jaar stemloos was en al een aantal behandelende artsen (onder wie een KNO-arts) bezocht had. Als psychiater was ik zeer verrast dat er voor psychogene afonie een dergelijke efficiënte en eenvoudige behandelmethode bestond, te meer daar raadplegen van de psychiatrische handboeken en overleg met een KNO-arts niet veel hadden opgeleverd.

Overigens kunnen andere omstandigheden en persoonlijke stijl de werkwijze beïnvloeden. Zo vernam ik van de KNO-arts J.N.Maria op Curaçao, die bij professor Schutte is opgeleid, dat hij na de afoniebehandeling soms tijd reserveert om eventuele problemen te bespreken (met stem dus). Ook Aronson, die een analoge methode toepast, heeft veel aandacht voor de psychologische achtergronden.1

Wat betreft de behandelingsresultaten na 1989 kan gemeld worden dat het aantal recidieven procentueel niet groter lijkt te zijn dan uit het artikel kan worden afgeleid. De behandeling die vóór 1988 werd gegeven, is principieel niet anders geweest dan de beschreven behandeling. Wel vonden sinds 1975 kleine aanpassingen plaasts op grond van opgedane ervaring.

P.N. van Harten
Literatuur
  1. Aronson AE. Speech pathology and symptom therapy in the interdisciplinary treatment of psychogenic aphonia. J Speech and Hearing Disorders 1969; 34: 321-41.