Percutane vertebroplastiek bij de behandeling van osteoporotische wervelinzakkingsfracturen; literatuuronderzoek

Onderzoek
C.A. Hendrikse
S. Kalmijn
M.H.J. Voormolen
H.J.J. Verhaar
W.P.Th.M. Mali
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1553-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Op grond van literatuur vaststellen wat de effectiviteit en veiligheid zijn van percutane vertebroplastiek voor de behandeling van osteoporotische wervelinzakkingsfracturen.

Opzet

Literatuuroverzicht.

Methode

Medline en de Cochrane library werden onderzocht met als zoektermen ‘percutaneous vertebroplasty’, ‘vertebral compression fractures’, ‘osteoporotic’ en ‘osteoporosis’. Criteria voor inclusie waren dat (a) studies waren gepubliceerd in de periode januari 1985-augustus 2002 en dat daarin (b) tenminste 10 patiënten waren behandeld met (c) percutane vertebroplastiek bij wie (d) de diagnose ‘osteoporotische wervelinzakkingsfractuur’ was gesteld.

Resultaten

Er voldeden 12 studies aan de inclusiecriteria. Vermindering van pijnklachten werd in de literatuur in 60-100 van de gevallen bereikt binnen 24 h en dit resultaat verbeterde naar 78-100 op lange termijn (tot maximaal 4 jaar). De complicaties op korte termijn waren cementlekkages, meestal zonder klinische gevolgen. Ernstige complicaties zoals longembolie waren zeldzaam. Op lange termijn lijkt een verhoogd risico te bestaan op nieuwe wervelfracturen naast een met percutane vertebroplastiek behandelde wervel.

Conclusie

Percutane vertebroplastiek lijkt een effectieve en veilige behandeling voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen. Echter, een prospectieve gerandomiseerde interventiestudie is nog niet verricht. Vooralsnog moet percutane vertebroplastiek worden voorbehouden aan zorgvuldig geselecteerde patiënten bij wie conservatieve therapie geen resultaat heeft.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 1549.

In Nederland lijden naar schatting 800.000 mensen aan osteoporose. Door progressief verlies van botmatrix en veranderingen in de botstructuur wordt het skelet gevoeliger voor fracturen. Naast heup- en polsfracturen doen zich bij de groep patiënten met osteoporose jaarlijks 16.000 nieuwe wervellichaamfracturen voor.1 Tussen de leeftijd van 50 en 70 jaar is de prevalentie 3 bij mannen en 9,5 bij vrouwen.

Tweederde van de osteoporotische wervelfracturen verloopt asymptomatisch. Symptomatische osteoporotische wervelinzakkingsfracturen worden in Nederland voornamelijk palliatief behandeld met fysiotherapie, een korset, bedrust gedurende een korte periode, en analgetica. Een nadelig effect van bedrust is versnelde bot- en spierafbraak. Ter preventie van nieuwe wervelfracturen door de osteoporose wordt een medicamenteuze behandeling met oestrogeenreceptormodulatoren of bisfosfonaten toegepast. Merendeels genezen de fracturen binnen enkele weken tot maanden en verminderen de pijnklachten navenant.2 Een aantal patiënten blijft invaliderende pijnklachten houden welke niet te behandelen zijn met conservatieve therapie. Het betreft vooral chronische rugpijn en daarnaast, door wervelkolommisvorming (scoliose, kyfose), verminderde longcapaciteit, met als gevolg vermindering van mobiliteit en kwaliteit van leven.3

Sinds 1984 bestaat er een nieuwe therapie voor wervelfracturen: percutane vertebroplastiek, ontwikkeld in Frankrijk door Deramond en Galibert, in eerste instantie voor de behandeling van een agressief wervelhemangioom van CII.4 Sindsdien is deze procedure toegepast voor diverse pathologische wervelaandoeningen, zoals metastasen en multipele myelomen; tenslotte is men de ingreep vanaf 1997 in de Verenigde Staten gaan gebruiken bij osteoporotische wervelinzakkingsfracturen.5-12 Percutane vertebroplastiek is een interventieprocedure waarbij door het inbrengen van botcement in het wervellichaam sterkte en stijfheid wordt verkregen. Beoogd wordt (directe) pijnverlichting te bewerkstelligen. Daarnaast wordt het risico op verdere inzakking verkleind. Het werkingsmechanisme van de pijnvermindering is niet geheel duidelijk. De aannemelijkste verklaring is dat deze het gevolg is van de mechanische stabiliteit van het wervellichaam door het cement.13-16 Andere factoren, zoals schade door hitte tijdens de behandeling (het cement hardt uit met een exotherme reactie) of chemotoxiciteit, zouden ook een rol kunnen spelen.17 18

Door de hoge prevalentie van osteoporose en de hoge financiële kosten van de ziekte is het van groot belang de uitkomsten van het gebruik van percutane vertebroplastiek bij osteoporose te evalueren. Alhoewel de vertebroplastiek reeds enkele jaren wordt toegepast om symptomatische osteoporotische wervelinzakkingsfracturen te behandelen, is deze indicatie controversieel.

Wij verrichtten een literatuuronderzoek om een antwoord te vinden op de vraag of het gebruik van percutane vertebroplastiek als behandeling voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen een effectieve en veilige therapie is. Daartoe evalueerden wij de volgende onderwerpen: procedurele aspecten, effectiviteit en complicaties.

materiaal en methode

Eén van ons (C.A.H.) doorzocht de elektronische database Medline en de Cochrane library op relevante artikelen uit de periode januari 1985-augustus 2002. De zoekopdracht luidde: ‘percutaneous vertebroplasty And (vertebral compression fractures Or osteoporosis Or osteoporotic)’. Daarbij werd ook gezocht met gebruik van deze termen als ‘vrije-tekst’-termen, inclusief alle mogelijke combinaties. Tevens werd naar relevante additionele publicaties gezocht in de referentielijsten van de gevonden publicaties. Criteria voor inclusie in dit literatuuroverzicht waren dat studies (a) waren gepubliceerd in de periode januari 1985-augustus 2002 en dat daarin (b) tenminste 10 patiënten waren behandeld met (c) percutane vertebroplastiek bij wie (d) de diagnose ‘osteoporotische wervelinzakkingsfractuur’ was gesteld. Studies waarin verschillende wervelaandoeningen met percutane vertebroplastiek waren behandeld, werden alleen geïncludeerd wanneer de resultaten voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen apart waren vermeld. Onderzoeken naar de behandeling van wervelinzakkingsfracturen door middel van kyfoplastiek werden geëxcludeerd.

De kwaliteit van de artikelen werd door één van ons (C.A.H.) beoordeeld op de volgende punten: interne validiteit (aanwezigheid van een controlegroep, prospectieve/retrospectieve opzet), generaliseerbaarheid (beschrijving van de patiëntenpopulatie) en kwantitatieve aspecten (vermelding van de grootte van de patiëntengroep, gegevens over klachtenduur en preprocedurele therapie, vermelding van de duur van de follow-upperiode, objectivering van de onderzoeksuitkomst).

resultaten

We vonden 118 publicaties, waarvan 12 voldeden aan de inclusiecriteria (tabel 1).19-30 Het betrof in alle gevallen observationele studies, waarvan 4 prospectief en 8 retrospectief, zonder vergelijking met een controlebehandeling. De meeste studies bevatten kleine patiëntengroepen, en vaak ontbraken gegevens over exclusiecriteria, ernst en bestaansduur van wervelfracturen, en tijdsduur en vorm van preprocedurele therapie. Daarnaast vonden wij 3 overzichtsartikelen, maar daarin werden geen nieuwe studies besproken die voldeden aan onze inclusiecriteria.31-33 Er waren tot het moment van ons onderzoek geen prospectieve gerandomiseerde interventiestudies uitgevoerd. In de periode 1985-1997 voldeed geen enkel artikel aan onze inclusiecriteria.

Patiëntenselectie

In de meeste studies werden alleen patiënten geïncludeerd bij wie de conservatieve therapie geen resultaat gaf en bij wie de klachten minimaal 4 weken bestonden. In 3 studies werden de gegevens over de klachtenduur niet vermeld.21 26 27 In 1 onderzoek werd als criterium gebruikt dat pijnklachten korter dan 4 weken aanwezig moesten zijn.20 Met uitzondering van 1 studie27 werd in alle studies CT of MRI gebruikt ter uitsluiting van andere oorzaken van rugpijn, zoals hernia nuclei pulposi of wervelmaligniteit.

Het totale aantal behandelde patiënten in de studies was 423 (exclusief 1 studie waarin het aantal niet was gespecificeerd),30 bij wie 922 interventies werden uitgevoerd (exclusief 1 studie waarin alleen het aantal behandelde patiënten werd genoemd). Elke behandeling van één wervel gold als één interventie. De gemiddelde leeftijd van de patiënten varieerde van 66 tot 79 jaar, met uitersten van 32 tot 99 jaar. In de beginjaren van de percutane vertebroplastiek in Frankrijk werden vooral werveltumoren behandeld. Pas toen deze ingreep als een relatief veilige methode werd gezien, werden er in toenemende mate ook niet-maligne wervelaandoeningen mee behandeld. Nadat Jensen et al. in 1997 succesvolle kortetermijnresultaten hadden beschreven bij een groep van 29 osteoporosepatiënten,19 nam het gebruik van percutane vertebroplastiek een hoge vlucht, vooral in de Verenigde Staten.

Techniek van de ingreep

Vertebroplastiek is een lokale behandeling die bestaat uit een percutane injectie van botcement in een gefractureerde vertebra. Bij vertebroplastiek wordt onder lokale verdoving een naald vanuit lateraal in het wervellichaam gebracht onder tweevlaks(‘biplane’)-röntgendoorlichting. Op indicatie gebeurt de procedure onder algehele anesthesie. De veiligste route om het wervellichaam te bereiken is de transpediculaire weg; daarbij is de kans op zenuwschade het kleinst. Alternatieve benaderingen zijn mogelijk via de laterale paravertebrale toegangswegen en op thoracaal niveau via de costovertebrale toegangswegen. Er wordt naar gestreefd het cement centraal in het voorste derdedeel van het wervellichaam te plaatsen.

Per sessie kunnen één of meerdere wervels worden behandeld. Gemiddeld werden in de 12 studies per patiënt 1,9 fracturen behandeld. Het maximale aantal percutane interventies bij één patiënt bedroeg 6.21 Het wervellichaam kan vanaf één of twee kanten benaderd worden, de zogenaamde uni- en de bilaterale benadering. In twee studies werd een bilaterale benadering gebruikt.19 28 Bij een bilaterale cementinbrenging wordt een grotere symmetrie van het geïnjecteerde cement bereikt, met daardoor een gelijkmatiger krachtverdeling.34 Er zijn echter aanwijzingen dat een unilaterale percutane benadering mogelijk is zonder verschil in klinische uitkomsten ten opzichte van een bilaterale benadering.29 35 Mede met het oog op tijdsbesparing en op de verminderde complexiteit van de procedure werd in de overige studies in eerste instantie voor een unilaterale benadering gekozen. Bij onvoldoende resultaat na unilaterale cementatie werd alsnog contralateraal cement ingebracht.

Voordat definitief wordt gecementeerd, wordt regelmatig een intraossaal venogram vervaardigd om het risico van cementlekkage te verkleinen (zie tabel 1). Het toepassen van venografie is een punt van controverse. Vooral in de Verenigde Staten wordt hiervan gebruikgemaakt ter uitsluiting van een naaldlokalisatie in het veneuze basivertebrale complex en ter opsporing van eventuele contraststoflekkage naar belangrijke paravertebrale structuren zoals het spinale kanaal, epidurale venen en centrale venen. Sommigen stellen dat het intraossaal venogram bij 83 van de ingrepen de botcementdistributie juist voorspelt.36 Anderen zijn van mening dat het intraossaal venogram vanwege het verschil in viscositeit tussen botcement en contrastvloeistof geen toegevoegde waarde heeft met betrekking tot de klinische uitkomsten en de veiligheid van percutane vertebroplastiek. De veiligheid van de procedure is volgens hen meer afhankelijk van een zorgvuldige visualisering van de cementdistributie tijdens het injecteren en van de ervarenheid van de uitvoerder.37-39 In 6 van de 12 studies werd het intraossaal venogram toegepast (zie tabel 1).

Cement

In alle studies was polymethylmethacrylaat (PMMA) het hoofdbestanddeel van het cement. Hieraan worden bariumsulfaat (voor opacificatie) en antibiotica (tegen infecties) toegevoegd. Het gemiddelde volume PMMA per wervel in de besproken patiëntengroepen varieerde van 2,5 tot 11 ml.

Effectiviteit van percutane vertebroplastiek

In de literatuur zijn de resultaten uniform met betrekking tot pijnverlichting bij patiënten die percutane vertebroplastiek ondergingen als behandeling voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen (tabel 2).19-30 (Sub)totale pijnstilling werd bij 78-100 van de plastieken bereikt. Echter, de meeste studies hadden een of meer methodologische tekortkomingen. Zoals gezegd vergeleek men in geen van de studies het effect van percutane vertebroplastiek met de uitkomsten in een controlegroep. Veel studies hadden een korte follow-upperiode, gebruikten een niet-gestandaardiseerde pijnmeetmethode of gaven weinig gedetailleerde informatie. Daarnaast werd niet in alle studies de pijnverlichting geobjectiveerd.

Pijnscore

In 6 van de 12 studies gebruikte men de visuele analoge schaal (VAS) van Huskisson40 om de mate van pijn en de effectiviteit van de ingreep te objectiveren. Met deze VAS wordt de mate van pijn gemeten op een 10-puntsschaal die loopt van ‘geen pijn’ tot ‘onhoudbare pijn’. In 3 studies maakte men gebruik van gestandaardiseerde vragenlijsten om de kwaliteit van leven te bepalen.

Pijnvermindering binnen 24 h

In 5 studies werd naar de pijnklachten binnen 24 h na de procedure gekeken. In alle vond men een vermindering van de pijnklachten bij 60 tot 100 van de patiënten.19 20 25 26 28 In 3 van deze studies werd de pijnvermindering geobjectiveerd door middel van de VAS.20 25 26 In 1 onderzoek vond men preprocedureel een VAS-score van 7,5-9,5 en zag men postprocedureel een verbetering naar 3,5 bij 75 en naar 4-5 bij 15. De overige 10 van de patiënten had pijnklachten door cementlekkage naar de M. psoas of door een nieuwe wervelfractuur.20 In een andere studie vond men een daling van de gemiddelde VAS-score van 7,5 naar 3,5 binnen 24 h.25

Pijnvermindering op lange termijn

Op de lange termijn werd in 10 van de 12 studies een duidelijke vermindering van de pijnklachten gezien.20-29 De follow-upperiode van de studies lag tussen de 24 h en de 4 jaar. De resultaten op lange termijn leken iets beter te zijn dan die kort na de procedure. In 1 studie rapporteerden de onderzoekers een succespercentage van 95: postprocedureel werd bij 63 van de patiënten een VAS-score ? 3 en bij 32 een score tussen 4 en 6 gevonden. Bij 5 werd geen duidelijke verbetering gezien.23 In een ander onderzoek werd een succespercentage van 97 vermeld, terwijl slechts 47 van de patiënten een totale remissie van de pijnklachten ondervond.29 De patiëntenpopulatie in deze studie had zeer ernstige vertebrale compressie: vertebra plana, waarbij de inzakking meer dan tweederde van de oorspronkelijke hoogte bedraagt. In de retrospectieve studie met de langste follow-up (4 jaar) was het succespercentage 96.24 Preprocedureel was de VAS-pijnscore 8,0. Tussen de follow-up van 1 maand en die van gemiddeld 4 jaar daalde de pijnscore van 3,7 naar 3,4. In een andere studie was de preprocedurele VAS-score gemiddeld 7,2.22 Op dag 30, 90 en 180 was er een significante daling naar respectievelijk 4,4, 3,9 en 2,9.

In 3 studies had men naast de pijnklachten ook andere aspecten bekeken. In de eerste paste men een ‘kwaliteit van leven’-vragenlijst (‘Nottingham health profile’) toe, welke significante verbeteringen liet zien bij 4 van de 6 aspecten, namelijk pijn, fysieke mobiliteit, emoties en energie.22 In de tweede gebruikten de onderzoekers de ‘Musculoskeletal outcomes data evaluation and management scale’ (MODEMS), welke pijn, behandelingsverwachtingen en tevredenheid, mentaal functioneren en fysiek functioneren in kaart brengt.28 Al deze 4 modulen lieten een significante verbetering zien. In het derde onderzoek lieten medicatie- en mobiliteitsscore ook een verbetering zien, maar geen significante.27

Complicaties

De kans op complicaties met klinische klachten als gevolg van percutane vertebroplastiek, beschreven in de literatuur, was klein en varieerde van 0 tot 10. De door percutane vertebroplastiek ontstane complicaties kunnen worden verdeeld in complicaties op korte termijn, welke met de procedure samenhangen, en complicaties op lange termijn.

Kortetermijncomplicaties

Kortetermijncomplicaties treden tijdens de procedure of in de eerste 24 h op. In de onderzoeken werd beschreven dat tijdens de procedure bij 3,3-68,8 van de patiënten cementlekkage plaatsvond naar verschillende paravertebrale weefsels, meestal zonder klinische gevolgen (tabel 3).19-30 Cementlekkage naar de tussenwervelruimte werd het frequentst beschreven en kwam voor bij 9,3 tot 35 van de patiënten.19 20 22 24 29 30 Incidenteel vond cementlekkage plaats naar de epidurale ruimte, perivertebrale venen, paravertebrale weke delen, de voorste interne veneuze plexus, foramina, veneuze plexus en het spinaal kanaal.19 20 22 25 26 28-30 Gedetailleerde gegevens over eventuele cementlekkage werden niet altijd vermeld. In een aantal studies werd cementlekkage niet genoemd of werd op basis van de afwezigheid van klachten geconcludeerd dat er geen cementlekkages waren. Dit werd echter niet gecontroleerd met postoperatieve CT.21 23 27

Longembolisatie kan ontstaan door veneuze lekkage van PMMA of van (wervel)vet via de V. cava inferior naar de longvaten. Dit werd in 4 van de 12 studies beschreven, meestal zonder respiratoire veranderingen, met een prevalentie van 0,5-6,8.19 24 28 30 Een lage cementviscositeit lijkt het risico van lekkages te verhogen.41 In een van de onderzoeken vond men nog 2 statistisch significante correlaties:26 een hogere frequentie van lekkage was gecorreleerd met een grotere hoeveelheid ingebracht cement en met het niveau van de behandelde wervelfractuur (dit stemt overeen met een andere studie die buiten onze inclusiecriteria viel).34 De hoogste incidentie van cementlekkage vond plaats bij wervels craniaal van TVII.

Naast de complicaties door lekkage van botcement werd nog een aantal andere complicaties beschreven, zoals een ribfractuur, een pedikelfractuur en infecties, waarvan de ene een stafylokokkenepidermitis was en de andere een urethritis ten gevolge van een blaaskatheter.19 23 27 Daarnaast werden nog sporadisch voorkomende ernstige complicaties beschreven zoals radiculopathie, ritmestoornissen en arteriële hypotensie tijdens en kort na het inbrengen van het botcement.23 24 30

Langetermijncomplicaties

Het was onduidelijk of vertebroplastiek nadelige effecten heeft op de lange termijn met betrekking tot de rugstatiek; ook was niet duidelijk wat de duur van de stevigheid door het botcement is. Er waren aanwijzingen dat de wervels die grenzen aan een met percutane vertebroplastiek behandelde wervel een grotere kans op fracturering hebben. In de studie met de langste follow-up (4 jaar) werd bij 13 patiënten (52) tenminste één nieuwe fractuur gezien, met een oddsratio van 2,27 voor een nieuwe wervelfractuur naast een behandelde wervel en van 1,44 voor een nieuwe wervelfractuur naast een ongefractureerde wervel.24 Ook andere studies maken melding van nieuwe wervelfracturen.20 23 25 28

beschouwing

Hoewel studies in de literatuur en eigen ervaringen suggereren dat percutane vertebroplastiek een veilige en succesvolle behandeling voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen is, lijkt enige terughoudendheid geboden. Significante vermindering van pijnklachten wordt in de literatuur in 70-90 van de gevallen bereikt binnen 24 h en dit resultaat is consistent op de lange termijn. Het effect hiervan is dat de mobiliteit en de kwaliteit van leven verbeterd worden. Alhoewel de incidentie van complicaties relatief klein lijkt te zijn en grotendeels zonder klinische relevantie, zijn er incidenteel patiënten beschreven met ernstige complicaties als hypotensie, radiculopathie, dwarslaesie en longembolie.42-45

Op lange termijn lijkt de kans op nieuwe wervelfracturen naast de met percutane vertebroplastiek behandelde wervels vergroot te zijn. Het is onduidelijk of de onderliggende ziekte, osteoporose,46 de oorzakelijke factor is of dat deze vergrote kans een gevolg is van een veranderde krachtverdeling door het cement; misschien gaat het om een combinatie van beide. Het cement zou voor meer stijfheid zorgen, waardoor de naastgelegen wervels meer druk opvangen. Echter, ook zonder percutane vertebroplastiek hebben vrouwen met een osteoporotische inzakkingsfractuur binnen 1 jaar een hoger risico op een nieuwe wervelfractuur. Na een wervelfractuur is de incidentie van een nieuwe fractuur binnen 1 jaar 19,2 (13,6-24,8).47 In een trial naar het effect van raloxifeen kreeg 4,5 van de 1522 vrouwen zonder wervelfractuur in de placebogroep een nieuwe wervelfractuur en 21,2 van de 770 vrouwen met een bestaande wervelfractuur; het relatief risico bedroeg 4,7.48

Aangezien complicaties in de door ons gevonden artikelen vaak niet systematisch in kaart werden gebracht, konden wij niet met zekerheid stellen dat percutane vertebroplastiek geen nadelige consequenties heeft. De studies in de literatuur hadden een aantal methodologische tekortkomingen, zoals kleine patiëntengroepen, een korte follow-upperiode, summiere dataweergave, het toepassen van een niet-gestandaardiseerde meting van de mate van pijn, en het feit dat resultaten niet gebaseerd waren op gerandomiseerde interventiestudies, maar op observationele vergelijkingen tussen ‘voor’ en ‘na’.

Naar ons inzicht moet de behandeling met percutane vertebroplastiek vooralsnog voorbehouden blijven aan patiënten bij wie de conservatieve therapie niet het beoogde resultaat geeft. Naast percutane vertebroplastiek kunnen ter preventie van nieuwe osteoporotische wervelinzakkingsfracturen bisfosfonaten of selectieve oestrogeenreceptormodulatoren worden toegepast.

Hoewel dit artikel een literatuuroverzicht is en geen systematische review, doordat slechts één persoon de studies selecteerde en de data extraheerde, en de studies niet systematisch werden gescoord op kwaliteitscriteria, menen wij dat dit de resultaten niet zodanig zal hebben vertekend dat een andere conclusie getrokken dient te worden.

conclusie

Wij concluderen op grond van de beschikbare literatuur dat percutane vertebroplastiek op indicatie een zinvolle behandeling is voor osteoporotische wervelinzakkingsfracturen welke resistent zijn tegen de conventionele therapie. Een goede prospectieve gerandomiseerde interventiestudie is echter noodzakelijk om het nut van percutane vertebroplastiek en de effectiviteit op korte en lange termijn nader te objectiveren.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Laet C de, Hout BA van, Pols HA. Osteoporosis in theNetherlands. A burden of illness study. Rotterdam: Institute for MedicalTechnology Assessment; 1996.

  2. Levernieux J, Julien D, Caulin F. The effect of calcitoninon bone pain and acute resorption related to recent osteoporotic crushfractures: results of a double blind and open study. In: Cecchetin M, SegreG, editors. Calcitropic hormones and calcium metabolism. Amsterdam: Elsevier;1986. p. 171-8.

  3. Schlaich C, Minne HW, Bruckner T, Wagner G, Gebest HJ,Grunze M, et al. Reduced pulmonary function in patients with spinalosteoporotic fractures. Osteoporos Int 1998;8:261-7.

  4. Galibert P, Deramond H, Rosat P, Le Gars D. Notepréliminaire sur le traitement des angiomes vertébraux parvertébroplastie acrylique percutanée. Neurochirurgie1987;33:166-8.

  5. Cortet B, Cotten A, Boutry N, Dewatre F, Flipo RM,Duquesnoy B, et al. Intérêt de la vertébroplastie dans letraitement des metastases ostéolytiques et du myélome. Rev Rhum(Ed Fr) 1997;64:189-95.

  6. Cotten A, Duquesnoy B. La vertébroplastie:données actuelles et développements potentials. Rev Rhum (EdFr) 1997;64:735-40.

  7. Cotten A, Dewatre F, Cortet B, Assaker R, Leblond D,Duquesnoy B, et al. Percutaneous vertebroplasty for osteolytic metastases andmyeloma: effects of the percentage of lesion filling and the leakage ofmethyl methacrylate at clinical follow-up. Radiology1996;200:525-30.

  8. Kaemmerlen P, Thiesse P, Jonas P, Berard CL, Duquesnel J,Bascoulergue Y, et al. Percutaneous injection of orthopedic cement inmetastatic vertebral lesions. N Engl J Med 1989;321:121.

  9. Laredo JD, Bellaiche L, Hamze B, Naouri JF, Bondeville JM,Tubiana JM. Current status of musculoskeletal interventional radiology.Radiol Clin North Am 1994;32:377-98.

  10. Weill A, Chiras J, Simon JM, Rose M, Sola-Martinez T,Enkaoua E. Spinal metastases: indications for and results of percutaneousinjection of acrylic surgical cement. Radiology 1996;199:241-7.

  11. Bostrom MPG, Lane JM. Future directions. Augmentation ofosteoporotic vertebral bodies. Spine 1997;22(24 Suppl):38S-42S.

  12. Gangi A, Kastler BA, Dietemann JL. Percutaneousvertebroplasty guided by a combination of CT and fluoroscopy. AJNR Am JNeuroradiol 1994;15:83-6.

  13. Belkoff SM, Maroney M, Fenton DC, Mathis JM. An in vitrobiomechanical evaluation of bone cements used in percutaneous vertebroplasty.Bone 1999;25(2 Suppl):23S-6S.

  14. Belkoff SM, Mathis JM, Erbe EM, Fenton DC. Biomechanicalevaluation of a new bone cement for use in vertebroplasty. Spine2000;25:1061-4.

  15. Deramond H, Wright NT, Belkoff SM. Temperature elevationcaused by bone cement polymerization during vertebroplasty. Bone 1999;25(2Suppl):17S-21S.

  16. Tohmeh AG, Mathis JM, Fenton DC, Levine AM, Belkoff SM.Biomechanical efficacy of unipedicular versus bipedicular vertebroplasty forthe management of osteoporotic compression fractures. Spine1999;24:1772-6.

  17. San Millan Ruiz D, Burkhardt K, Jean B, Muster M, MartinJB, Bouvier J, et al. Pathology findings with acrylic implants. Bone1999;25(2 Suppl):85S-90S.

  18. Jefferiss CD, Lee AJC, Ling RSM. Thermal aspects ofself-curing polymethylmethacrylate. J Bone Joint Surg Br1975;57:511-8.

  19. Jensen ME, Evans AJ, Mathis JM, Kallmes DF, Cloft HJ,Dion JE. Percutaneous polymethylmethacrylate vertebroplasty in the treatmentof osteoporotic vertebral body compression fractures: technical aspects. AJNRAm J Neuroradiol 1997;18:1897-904.

  20. Cyteval C, Sarrabere MP, Roux JO, Thomas E, Jorgensen C,Blotman F, et al. Acute osteoporotic vertebral collapse: open study onpercutaneous injection of acrylic surgical cement in 20 patients. AJR Am JRoentgenol 1999;173:1685-90.

  21. Martin JB, Jean B, Sugiu K, San Millan Ruiz D, Piotin M,Murphy K, et al. Vertebroplasty. Bone 1999;25(2 Suppl):11S-5S.

  22. Cortet B, Cotten A, Boutry N, Flipo RM, Duquesnoy B,Chastanet P, et al. Percutaneous vertebroplasty in the treatment ofosteoporotic vertebral compression fractures. J Rheumatol1999;26:2222-8.

  23. Barr JD, Barr MS, Lemley TJ, McCann RM. Percutaneousvertebroplasty for pain relief and spinal stabilization. Spine2000;25:923-8.

  24. Grados F, Depriester C, Cayrolle G, Hardy N, Deramond H,Fardellone P. Long-term observations of vertebral osteoporotic fracturestreated by percutaneous vertebroplasty. Rheumatology 2000;39:1410-4.

  25. Heini PF, Walchli B, Berlemann U. Percutaneoustranspedicular vertebroplasty with PMMA. A prospective study for thetreatment of osteoporotic compression fractures. Eur Spine J2000;9:445-50.

  26. Ryu KS, Park CK, Kim MC, Kang JK. Dose-dependent epiduralleakage of polymethylmethacrylate after percutaneous vertebroplasty inpatients with osteoporotic vertebral compression fractures. J Neurosurg2002;96(1 Suppl):56-61.

  27. Kallmes DF, Schweickert PA, Marx WF, Jensen ME.Vertebroplasty in the mid- and upper thoracic spine. AJNR Am J Neuroradiol2002;23:1117-20.

  28. Zoarski GH, Snow P, Olan WJ, Stallmeyer MJB, Dick BW,Hebel JR, et al. Percutaneous vertebroplasty for osteoporotic compressionfractures: quantitative prospective evaluation of long-term outcomes. J VascInterv Radiol 2002;13(2 Pt 1):139-48.

  29. Peh WCG, Gilula LA, Peck DD. Percutaneous vertebroplastyfor severe osteoporotic vertebral body compression fractures. Radiology2002;223:121-6.

  30. Vasconcelos C, Gailloud P, Beauchamp NJ, Heck DV, MurphyKJ. Is percutaneous vertebroplasty without pretreatment venography safe?Evaluation of 205 consecutives procedures. AJNR Am J Neuroradiol2002;23:913-7.

  31. Watts NB, Harris ST, Genant HK. Treatment of painfulosteoporotic vertebral fractures with percutaneous vertebroplasty orkyphoplasty. Osteoporos Int 2001;12:429-37.

  32. Hardouin P, Grados F, Cotten A, Cortet B. Shouldpercutaneous vertebroplasty be used to treat osteoporotic fractures? Anupdate. Joint Bone Spine 2001;68:216-21.

  33. Mathis JM, Barr JD, Belkoff SM, Barr MS, Jensen ME,Deramond H. Percutaneous vertebroplasty: a developing standard of care forvertebral compression fractures. AJNR Am J Neuroradiol2001;22:373-81.

  34. Liebschner MAK, Rosenberg WS, Keaveny TM. Effects of bonecement volume and distribution on vertebral stiffness after vertebroplasty.Spine 2001;26:1547-54.

  35. Kim AK, Jensen ME, Dion JE, Schweickert PA, Kaufmann TJ,Kallmes DF. Unilateral transpedicular percutaneous vertebroplasty: initialexperience. Radiology 2002;222:737-41.

  36. McGraw JK, Heatwole EV, Strnad BT, Silber JS, Patzilk SB,Boorstein JM. Predictive value of intraosseous venography before percutaneousvertebroplasty. J Vasc Interv Radiol 2002;13(2 Pt 1): 149-53.

  37. Deramond H, Depriester C, Galibert P, Le Gars D.Percutaneous vertebroplasty with polymethylmethacrylate. Technique,indications, and results. Radiol Clin North Am 1998;36:533-46.

  38. Wong W, Mathis J. Is intraosseous venography asignificant safety measure in performance of vertebroplasty? J Vasc IntervRadiol 2002;13(2 Pt 1):137-8.

  39. Gaughen jr JR, Jensen ME, Schweickert PA, Kaufmann TJ,Marx WF, Kallmes DF. Relevance of antecedent venography in percutaneousvertebroplasty for the treatment of osteoporotic compression fractures. AJNRAm J Neuroradiol 2002;23:594-600.

  40. Huskisson EC. Measurement of pain. Lancet1974;2(7889):1127-31.

  41. Cotten A, Boutry N, Cortet B, Assaker R, Demondion X,Leblond D, et al. Percutaneous vertebroplasty: state of the art.Radiographics 1998;18:311-20.

  42. Vasconcelos C, Gailloud P, Martin JB, Murphy KJ.Transient arterial hypotension induced by polymethylmethacrylate injectionduring percutaneous vertebroplasty. J Vasc Interv Radiol2001;12:1001-2.

  43. Harrington KD. Major neurological complications followingpercutaneous vertebroplasty with polymethylmethacrylate: a case report. JBone Joint Surg Am 2001;83:1070-3.

  44. Lee BJ, Lee SR, Yoo TY. Paraplegia as a complication ofpercutaneous vertebroplasty with polymethylmethacrylate: a case report. Spine2002;27:E419-22.

  45. Jang JS, Lee SH, Jung SK. Pulmonary embolism ofpolymethylmethacrylate after percutaneous vertebroplasty: a report of threecases. Spine 2002;27:E416-8.

  46. Kado DM, Browner WS, Palermo L, Nevitt MC, Genant HK,Cummings SR. Vertebral fractures and mortality in older women: a prospectivestudy. Arch Intern Med 1999;159:1215-20.

  47. Lindsay R, Silverman SL, Cooper C, Hanley DA, Barton I,Broy SB, et al. Risk of new vertebral fracture in the year following afracture. JAMA 2001;285:320-3.

  48. Ettinger B, Black DM, Mitlak BH, Knickerbocker RK,Nickelsen T, Genant HK, et al. Reduction of vertebral fracture risk inpostmenopausal women with osteoporosis treated with raloxifene: results froma 3-year randomized clinical trial. Multiple Outcomes of RaloxifeneEvaluation (MORE) Investigators. JAMA 1999;282:637-45.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Utrecht, Heidelberglaan 100, 3584 CX Utrecht.

Afd. Radiologie: mw.C.A.Hendrikse, medisch student (thans assistent-geneeskundige, Gelre Ziekenhuizen, afd. Radiologie, Apeldoorn); prof.dr.W.P.Th.M.Mali, radioloog.

Divisie Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde: mw.dr.S.Kalmijn, klinisch epidemioloog.

Zorgeenheid Geriatrie: dr.H.J.J.Verhaar, internist-klinisch geriater.

Sint Elisabeth Ziekenhuis, afd. Radiologie, Tilburg.

M.H.J.Voormolen, assistent-geneeskundige.

Contact prof.dr.W.P.Th.M.Mali (c.p.sies@azu.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties