Parvovirus-B19-infectie in de zwangerschap: een oorzaak van non-immune hydrops foetalis

Klinische praktijk
P.H. van Gessel
H.I.J. Wildschut
T.E. Cohen-Overbeek
Chr. Vermeij-Keers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:3-4
Abstract
Download PDF

Dames en Heren,

Met de verbeterde resolutie en het toenemend gebruik van echoscopie neemt ook de frequentie van het aantal bij toeval gevonden foetale afwijkingen toe. Een voorbeeld daarvan is hydrops foetalis.

Hydrops foetalis is een toestand van excessieve vochtophoping in het extravasculaire compartiment van de foetus. Deze kan gepaard gaan met een diffuse zwelling van de huid (oedeem), ascites, hydrothorax en hydropericard. Afhankelijk van de oorzaak wordt hydrops foetalis ingedeeld in een immune en een non-immune vorm. De immune vorm berust op hemolyse door een antigeen-antilichaamreactie. Non-immune hydrops foetalis wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door chromosomale afwijkingen, zoals Turner-syndroom (45,X) en Down-syndroom (trisomie 21), hartfunctiestoornissen ten gevolge van ritmestoornissen of structurele afwijkingen, en virale infecties, waaronder humaan parvovirus B19. Infectie met parvovirus B19 is in 8-10 van de gevallen de oorzaak van non-immune hydrops foetalis; in ongeveer 40 van de gevallen van non-immune hydrops foetalis wordt de oorzaak niet gevonden.1-3

In deze les presenteren wij eerst 4 casussen waarbij een infectie met parvovirus B19 een rol speelde in de zwangerschap. Daarna gaan wij dieper in op de achtergronden van de parvovirus-B19-infectie.

Patiënt A is 39 jaar en gravida V, para III, abortus I. Zij heeft 2 gezonde kinderen. Ongeveer een jaar geleden maakte zij bij 18 weken amenorroe een intra-uteriene vruchtdood door, zonder aanwijsbare oorzaak. De eerste prenatale controle van de huidige graviditeit vindt plaats bij een amenorroe van 11 4/7 weken. Patiënte vertelt dat zij 3 weken tevoren een dag huiduitslag had, die een aantal dagen later gevolgd werd door gezwollen handen en voeten met pijnlijke gewrichten. Echoscopisch onderzoek toont een levenloos embryo; de kop-stuitlengte is 35 mm, passend bij een amenorroe van ruim 10 weken. Laboratoriumonderzoek toont hoge IgM- en IgG-titers tegen parvovirus B19, passend bij een recentelijk doorgemaakte infectie.

Besloten wordt tot een poliklinische curettage, waarna het verkregen weefsel wordt onderzocht. Met behulp van een polymerasekettingreactie (PCR) wordt in placenta, been- en armspier en dooierzak het parvovirus-B19-genoom aangetoond. Pathologisch onderzoek toont een beeld zoals reeds eerder in de literatuur is beschreven bij een vroege intra-uteriene infectie met parvovirus B19.45 Beide ogen van het embryo hebben een misvormde lens, hyperplasie van het retinabinnenblad, aplasie van de voorste oogkamer en iris en een niet-gedifferentieerde cornea. Het hart vertoont myocarditis en autolyse, waardoor het extreem beschadigd is tijdens de curettage (figuur 1). Er is een gegeneraliseerde vacuolaire degeneratie van het dwarsgestreept spierweefsel en er zijn perivasculaire lymfocytaire infiltraten. Verder worden intranucleaire insluitsels gezien, die passen bij een infectie met parvovirus B19.

Patiënt B is 39 jaar en gravida IX, para III, abortus V. Zij heeft 3 gezonde kinderen. Aanvankelijk ziet patiënte in deze graviditeit af van prenatale diagnostiek op leeftijdsindicatie.

In verband met elders geconstateerde hydrops foetalis wordt zij voor geavanceerd echoscopisch onderzoek naar de foetale anatomische structuren bij een amenorroe van 22 5/7 weken verwezen naar onze polikliniek. Bij echoscopisch onderzoek worden foetaal nek- en huidoedeem en ascites vastgesteld (figuur 2). Ook worden cardiomegalie met mitralisinsufficiëntie en een verdikte placenta gezien. Bij navraag vertelt patiënte dat zij in de 4e tot 8e week amenorroeduur een periode van griep doormaakte. Laboratoriumonderzoek wordt ingezet en er wordt amniocentese verricht.

Bij herhaling van het echoscopisch onderzoek ruim een week later wordt intra-uteriene vruchtdood vastgesteld. De hydrops foetalis lijkt toegenomen. Laboratoriumonderzoek toont een hoge IgM- en IgG-titer tegen parvovirus B19 en na analyse van het vruchtwater wordt een normaal foetaal karyogram vastgesteld. Met PCR wordt in vruchtwatercellen het parvovirus-B19-genoom aangetoond, wijzend op intra-uteriene infectie.

De baring wordt ingeleid met sulproston waarna een levenloos meisje wordt geboren met een gewicht van 695 g. Pathologisch onderzoek toont macroscopisch zichtbare hydrops foetalis. Het microscopisch onderzoek wordt bemoeilijkt door ernstige autolyse van de weefsels. Wel staat in het pathologieverslag dat het hartspierweefsel celrijk is, mogelijk ten gevolge van myocarditis.

Patiënt C is 34 jaar en gravida III, para II. Haar obstetrische voorgeschiedenis is blanco. Ook deze patiënte wordt van elders voor geavanceerd echoscopisch onderzoek van de foetale structuren verwezen wegens hydrops foetalis. Bij een amenorroe van 21 weken wordt ernstig huidoedeem (de huid is 7 mm dik) geconstateerd en ascites. Tevens wordt een verdikt myocard gezien. Anamnestisch zijn er geen bijzonderheden en laboratoriumonderzoek toont een beeld passend bij een recente parvovirus-B19-infectie. Na analyse van het vruchtwater wordt een normaal foetaal karyogram vastgesteld; met behulp van PCR wordt het parvovirus-B19-genoom in vruchtwatercellen aangetoond. Voor verdere evaluatie en behandeling wordt patiënte verwezen naar het Academisch Ziekenhuis Leiden, waar bij een amenorroeduur van 24 5/7 weken een intra-uteriene bloedtransfusie plaatsvindt. De foetale hemoglobineconcentratie voor de ingreep is 5,3 mmol/l, erna 8,9 mmol/l. Bij poliklinische revisie 3 dagen na de transfusie is geen ascites meer te zien. Patiënte wordt terugverwezen naar de eigen gynaecoloog en bevalt à terme van een gezonde zoon van 2340 g.

Patiënt D is 34 jaar en gravida II, para I. De voorgeschiedenis is zonder bijzonderheden. Patiënte wordt voor nader geavanceerd echoscopisch onderzoek van de foetale structuren naar onze polikliniek verwezen, nadat bij een ‘pret-echo’ hydrops foetalis is geconstateerd. Wij stellen echoscopisch bij een amenorroe van 21 3/7 weken geïsoleerde ascites vast. Aanvullend laboratoriumonderzoek toont een hoge IgG-titer tegen parvovirus B19, terwijl IgM tegen parvovirus B19 niet aantoonbaar is; een beeld dat kan passen bij een al of niet recentelijk doorgemaakte parvovirus-B19-infectie. Met behulp van PCR op vruchtwatercellen wordt een intra-uteriene infectie met parvovirus B19 aangetoond. Het foetale karyogram is normaal. Bij herhaling van de echoscopie, anderhalve week later, wordt nauwelijks ascites meer gezien. Patiënte wordt terugverwezen en zij bevalt à terme van een gezonde dochter van 2800 g.

Het parvovirus B19 is een enkelstrengs DNA-virus dat in 1975 bij toeval werd ontdekt tijdens screening van donorbloed op hepatitis B. Daar heeft het ook zijn toevoeging ‘B19’ aan ontleend. Het werd namelijk gevonden in panel B, monsternummer 19.6 Het virus is verwant aan verschillende animale parvovirussen. Parvovirus B19 is tot nu toe het enige humaan pathogene parvovirus. Binnen de familie Parvoviridae is parvovirus B19 ingedeeld in het genus erythrovirus, omdat het zich hoofdzakelijk vermenigvuldigt in de erytroïde cellijn. Sinds medio jaren tachtig is bekend dat parvovirus B19 erythema infectiosum bij kinderen veroorzaakt. Deze zogenaamde ‘vijfde ziekte’ wordt verspreid via de luchtwegen en kan vanwege de hoge besmettelijkheid epidemisch verlopen. Piekincidenties treden meestal op in de lente.

Erythema infectiosum geeft bij kinderen een ziektebeeld dat zelflimiterend is en gepaard gaat met een geringe temperatuurstijging en een typisch exantheem in het gelaat. Hierdoor wordt het ziektebeeld ook wel het ‘slapped-cheek syndrome’ genoemd. Viremie en dus besmettelijkheid treden op van de 7e tot 12e dag na infectie; pas 5-7 dagen later ontstaat het typische exantheem. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een immunologische reactie van de gastheer, omdat deze samenvalt met de stijging van antilichaamtiters.

Kinderen tot 10 jaar zijn de voornaamste bron van infectie bij volwassenen. Het risico van besmetting in familiekring is ongeveer 50 en bij een epidemie van erythema infectiosum op school 20-30.7 Om besmetting te voorkomen, is het vermijden van kinderen met klinische symptomen zinloos, omdat de besmettelijke periode dan reeds voorbij is.

Van de volwassenen heeft 30-60 op kinderleeftijd een infectie doorgemaakt en is immuun. Een klinisch verlopende parvovirusinfectie geeft bij volwassenen meestal een ander beeld dan bij kinderen; een griepachtig beeld staat op de voorgrond met artralgieën die een aantal weken kunnen aanhouden. Vaak echter verloopt een infectie met parvovirus B19 asymptomatisch.

Anemie

Vanwege de affiniteit met het erytroïde systeem ontstaan hemolyse en rodebloedcelaplasie. Herstel van het beenmerg treedt in 2-3 weken op. De anemie is van weinig klinische betekenis bij overigens gezonde kinderen en volwassenen. Echter, bij patiënten met afwijkingen in de rode cellijn kan infectie een ernstige anemische crisis veroorzaken. Ook immuungecompromitteerden zijn een risicogroep, in het bijzonder voor het ontstaan van een chronische infectie met chronische anemie.

Intra-uteriene infectie

Een derde risicogroep vormen zwangere vrouwen. Naar de incidentie van parvovirus-B19-infectie in de zwangerschap is weinig prospectief onderzoek verricht, maar percentages van 3-7 worden beschreven.8-10 Bij ongeveer 30 treedt verticale transmissie op en bij 2-9 is die voor de foetus fataal.2

Afhankelijk van het tijdstip en de ernst van de (intra-uteriene) infectie zijn er verschillende consequenties voor de zich ontwikkelende vrucht. Infectie met parvovirus B19 vroeg in de zwangerschap kan leiden tot spontane abortus met multipele congenitale afwijkingen bij de foetus.45 Het parvovirus B19 vermenigvuldigt zich in snel delende cellen, zodat ten tijde van de infectie weefsels in aanleg het kwetsbaarst zijn. Dit is het geval bij patiënt A, bij wie vroegtijdige infectie waarschijnlijk tot ernstige embryopathie heeft geleid. Non-immune hydrops foetalis is de meest voorkomende uiting van intra-uteriene parvovirus-B19-infectie en ontstaat meestal in het tweede trimester van de zwangerschap, wanneer het foetale bloedvolume zich verveelvoudigt; dit is het geval bij patiënt B, C en D. Soms beperkt de infectie zich niet tot de rode bloedcellijn en ontstaat een pancytopenie. De anemie bij de foetus leidt tot echoscopisch zichtbare verschijnselen van decompensatio cordis, zoals ascites en cardiomegalie. Aanvankelijk werd myocardverdikking geduid als gevolg van de decompensatie. Nu wordt deze gezien als cofactor in het ontstaan van de decompensatie, omdat bij postmortaal onderzoek vaak een myocarditis gevonden wordt, veroorzaakt door het parvovirus B19. Hydrops foetalis herstelt zich veelal spontaan, zoals beschreven in de casus van patiënt D.

Retrospectief wordt bij de zwangere soms een parvovirusinfectie geconstateerd, nadat bij de foetus een hydrops foetalis is vastgesteld. Bij navraag blijkt dat sommige vrouwen een klinische infectie hadden en een aantal zal zich herinneren in contact geweest te zijn met personen met klinische verschijnselen, in het bijzonder kinderen. Meestal levert de anamnese echter geen bijzonderheden op.

Serologisch onderzoek en PCR

Aanvullende diagnostiek bij vermoeden van een parvovirus-B19-infectie begint met serologisch onderzoek. IgM-antilichamen tegen parvovirus B19 worden aantoonbaar ongeveer 14 dagen na infectie en blijven tot ongeveer 4 maanden nadien aanwezig. De sensitiviteit van de IgM-bepaling is meer dan 90.11 IgG-antilichamen verschijnen enkele dagen na de IgM-antilichamen en blijven waarschijnlijk levenslang aanwezig. De sensitiviteit van IgG-bepalingen als indicator voor recente of eerder doorgemaakte infectie is eveneens meer dan 90. Ook kan het virale DNA in bloedmonsters worden aangetoond door middel van in-situhybridisatie en PCR. Multigraviditeit en jonge leeftijd zijn voorspellende factoren voor seropositiviteit voor parvovirus B19.8

Intra-uteriene infectie kan worden aangetoond aan de hand van viraal DNA in vruchtwatercellen of foetaal bloed met behulp van PCR of in-situhybridisatie. Sensitiviteit van PCR op vruchtwatercellen is 83, op foetale bloedmonsters 62; voor in-situhybridisatie is de sensitiviteit respectievelijk 72 en 100.12

Als bij hydrops foetalis een intra-uteriene infectie met parvovirus B19 is aangetoond, zijn er twee opties: een afwachtend beleid met frequente echoscopische controle en eventueel cordocentese met eventueel intra-uteriene bloedtransfusie. Vooralsnog wordt intra-uteriene transfusie alleen geadviseerd in geval van progressieve hydrops foetalis of ernstige anemie bij de foetus.2 Bij patiënt B had intra-uteriene bloedtransfusie wellicht de gevolgen van de fatale infectie kunnen voorkomen als de oorzaak van de hydrops foetalis tijdig aangetoond was.

Hygiëne

Ter preventie van infectie wordt geadviseerd hygiënische maatregelen te nemen, zoals frequent handen wassen. Dit geldt vooral voor zwangeren uit de risicogroep, onder wie leraressen en vrouwen werkzaam in kinderdagverblijven. Als een parvovirus-B19-infectie is aangetoond, is frequente echoscopische controle aangewezen. Het effect van een tijdige behandeling van de complicaties van intra-uteriene parvovirus-B19-infectie is niet bewezen. Nader onderzoek naar de incidentie van de infectie is gewenst. Een vaccin is (nog) niet beschikbaar, al wordt momenteel een potentieel middel getest. Wellicht dat in de toekomst vaccinatie op kinderleeftijd het probleem van parvovirusinfectie in de zwangerschap kan voorkomen.7

Dames en Heren, in deze les heeft u kunnen zien dat het ziektebeeld van een parvovirus-B19-infectie bij zwangeren heel wisselend kan zijn. Bij de vrouw kan de infectie symptoomloos verlopen of leiden tot een griepachtig beeld met artralgie. Vooral als de infectie heerst onder kinderen (vijfde ziekte) of als de zwangere risicofactoren heeft (bijvoorbeeld als zij werkt met kinderen), moet men erop bedacht zijn dat zich parvovirus-B19-infectie kan voordoen.

Infectie van de vrucht vroeg in de zwangerschap kan de oorzaak zijn van ernstige embryopathie met vruchtdood tot gevolg. Later in de zwangerschap kan infectie leiden tot foetale anemie met decompensatieverschijnselen en mogelijk ook tot infectie in andere weefsels, zoals de hartspier. Een intra-uteriene infectie wordt aangetoond met behulp van amniocentese of cordocentese. Infectie later in de zwangerschap heeft waarschijnlijk een heel redelijke tot goede prognose, maar zorgvuldige echoscopische controle is geïndiceerd en intra-uteriene bloedtransfusie dient te worden overwogen. Indien intra-uteriene vruchtdood optreedt ten gevolge van hydrops foetalis, is het raadzaam foetale weefsels en (of) de placenta te onderzoeken op de aanwezigheid van het genoom van parvovirus B19. De gevolgen van een intra-uteriene infectie op de latere gezondheid van het kind zijn onvoldoende bekend.

De intra-uteriene bloedtransfusie werd uitgevoerd door F.J.C.M. Klumper, gynaecoloog. Ing.L.Boshart maakte en fotografeerde de pathologiecoupes.

Literatuur
  1. Seeds JW, Herbert WNP, Bowes jr WA, Cefalo RC. Recurrentidiopathic fetal hydrops: results of prenatal therapy. Obstet Gynecol1984;64(3 Suppl):30S-3S.

  2. Levy R, Weissman A, Blomberg G, Hagay ZJ. Infection byparvovirus B 19 during pregnancy: a review. Obstet Gynecol Surv 1997;52:254-9.

  3. Jordan JA. Identification of human parvovirus B19infection in idiopathic nonimmune hydrops fetalis. Am J Obstet Gynecol1996;174(1 Part 1):37-42.

  4. Tiessen RG, Elsacker-Niele AMW van, Vermeij-Keers C,Oepkes D, Roosmalen J van, Gorsira MCB. A fetus with a parvovirus B19infection and congenital anomalies. Prenat Diagn 1994;14:173-6.

  5. Weiland HT, Vermey-Keers C, Salimans MMM, Fleuren GJ,Verwey RA, Anderson MJ. Parvovirus B19 associated with fetal abnormality.Lancet 1987;i:682-3.

  6. Cossart YE, Field AM, Cant B, Widdows D. Parvovirus-likeparticles in human sera. Lancet 1975;i:72-3.

  7. Elsacker-Niele AMW van. Human parvovirus B19; clinicalconsequences of infection proefschrift. Leiden:Rijksuniversiteit, 1998.

  8. Gratacós E, Torres PJ, Vidal J, Antolín E,Costa J, Jiménez de Anta MT, et al. The incidence of human parvovirusB19 infection during pregnancy and its impact on perinatal outcome. J InfectDis 1995; 171:1360-3.

  9. Skjöldebrand-Sparre L, Fridell E, Nyman M, Wahren B.A prospective study of antibodies against parvovirus B19 in pregnancy. ActaObstet Gynecol Scand 1996;75:336-9.

  10. Guidozzi F, Ballot D, Rothberg AD. Human B19 parvovirusinfection in an obstetric population. A prospective study determining fetaloutcome. J Reprod Med 1994;39:36-8.

  11. Carlsen K. Human Parvovirus B19. Dublin: BiotrinInternational, 1996.

  12. Zerbini M, Musiani M, Gentilomi G, Venturoli S,Gallinella G, Morandi R. Comparative evaluation of virological andserological methods in prenatal diagnosis of parvovirus B19 fetal hydrops. JClin Microbiol 1996;34:603-8.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, Dr. Molewaterplein 40, 3015 GD Rotterdam.

Afd. Obstetrie en Gynaecologie, sector Verloskunde en Prenatale Diagnostiek: P.H.van Gessel, assistent-geneeskundige; dr.H.I.J.Wildschut, gynaecoloog; mw.T.E.Cohen-Overbeek, arts.

Afd. Anatomie/Instituut Plastische Heelkunde: mw.dr.Chr.Vermeij-Keers, embryoloog.

Contact P.H.van Gessel

Gerelateerde artikelen

Reacties

A.
Knol

Groningen, januari 1999,

In hun interessante klinische les noemen Van Gessel et al. de sensitiviteit van enkele serologische methoden zonder de specificiteit te vermelden (1999:3-7). Dergelijke gegevens lijken informatief, maar zijn onvolledig.

De relatie met de diagnostische oddsratio (DOR, dat wil zeggen het quotiënt van de ‘likelihood’-ratio (LR) van een positieve en de LR van een negatieve testuitslag) en sensitiviteit en specificiteit is:1 DOR = (sensitiviteit × specificiteit) / ((100 - sensitiviteit) × (100 - specificiteit)). Hieruit volgt dat voor DOR = 1 (dat wil zeggen: geen verband): sensitiviteit + specificiteit = 100.

Dit betekent dat voor elke waarde van sensitiviteit tussen 0 en 100 eenvoudig een specificiteit kan worden berekend waarbij de DOR = 1 en er dus geen oorzakelijk verband bestaat van de onderzochte serumwaarde met de uitkomst van de test. Zelfs een sensitiviteit van 100% geeft geen enkele informatie als het betrokken kenmerk zowel bij de onderzochte groep als bij de controlegroep bij allen voorkomt.

In het algemeen is het dus zinloos alleen de sensitiviteit van onderzoeken te vermelden zonder de specificiteit. Eventueel is de DOR of de LR een alternatief.

A. Knol
Literatuur
  1. Knol A. Sensitiviteit, specificiteit en odds. Orghidee 1998;dec:33-4.

R.
Reintjes

Rotterdam, januari 1999,

In hun klinische les geven Van Gessel et al. een goed overzicht en klinische voorbeelden over parvovirus-B19-infectie in de zwangerschap; een reeds langer bekend en nu weer actueel probleem. De zogenaamde vijfde ziekte heeft in het voorjaar van 1998 veel onrust in het hele land veroorzaakt. Uit de cijfers van virologische laboratoria,1 en van de Rotterdamse Huisartsenpeilstations voor Infectieziekten werd een duidelijke verheffing in de eerste helft van 1998 zichtbaar. Vaak worden huisartsen en GGD's met vragen van verontruste zwangeren en ouders van jonge kinderen geconfronteerd.

Van Gessel et al. beschrijven vrouwen die veel contact met kinderen hebben, zoals leraressen en vrouwen werkzaam in kinderdagverblijven, als risicogroep. Dit blijkt ook uit een uitbraak van parvovirus-B19-infectie die wij zagen onder medewerkers van een kinderdagverblijf in Rotterdam. In maart 1998 presenteerden 3 leidsters zich vrijwel gelijktijdig met opvallende rode vlekken in het gelaat nadat een kind in één van hun groepen ook een vlekjesziekte had doorgemaakt. Er waren op dat moment geen andere kinderen met vlekjes aanwezig. De leiding van het kinderdagverblijf informeerde de GGD. Het kinderdagverblijf werd bezocht en de leidsters met klachten werden onderzocht. Zij voelden zich ondanks het opvallend felle exantheem in het gelaat en op de romp niet ziek. Wel klaagden zij over gewrichtspijn die zich tijdens of voor het optreden van het exantheem had voorgedaan. Initieel werden van 2 van hen bloedmonsters en keeluitstrijkjes afgenomen. De sera bleken beide positief voor parvovirus B19. Een week later meldden twee andere leidsters ook dezelfde klachten. Dit is de aanleiding geweest deze uitbraak epidemiologisch te onderzoeken en te beschrijven. Van alle 13 medewerkers van het kinderdagverblijf werden bloedmonsters afgenomen en hun werd verzocht een vragenlijst in te vullen. Van de 13 leidsters hadden er 6 symptomen die passen bij een recente vijfde ziekte. De diagnose werd serologisch bij hen bevestigd. De symptomen waren in een periode van 4 weken ontstaan. In week 10 was er 1 nieuw ziektegeval, in week 11 waren er 3 en in week 12 en 13 steeds 1.

Serologisch onderzoek maakte duidelijk dat 3 van de medewerkers IgG-positief en IgM-negatief waren en dus immuun voor een recente infectie met parvovirus B19 waren. Zij waren klachtenvrij. Van de 10 vatbare personen werden er 6 tijdens deze uitbraak geïnfecteerd. Dit infectiepercentage (‘attack rate’) is met 60% duidelijk hoger dan Van Gessel et al. noemen bij parvovirus-B19-infectie op scholen. Dit hoge percentage wijst op een duidelijke risicogroep en is verklaarbaar omdat kinderdagverblijven, wat betreft intensieve onderlinge contacten, de gezinssituatie sterk benaderen. Deze bevindingen tijdens een landelijke verheffing van parvovirus-B19-infecties bevestigen dat deze infectie goed overdraagbaar is. Om het belang van parvovirus-B19-infecties op volksgezondheidniveau in te schatten is echter behalve aan de beschrijving van casussen van complicaties in de zwangerschap ook behoefte aan risicokwantificering: wat is de incidentie van geïnfecteerde zwangeren en wat is de complicatiefrequentie? Hierover zijn tot op heden nog steeds uiteenlopende resultaten van onderzoek beschreven. Pas op basis van duidelijke gegevens kunnen wij het probleem van parvovirus-B19-infecties in de zwangerschap goed beoordelen.

R. Reintjes
A. Bosman
J. Buitenwerf
Literatuur
  1. Steenbergen JE van. Toename parvovirus. Infectieziekten Bulletin 1998;9:173-4.

P.H.
van Gessel

Rotterdam, februari 1999,

De reactie van collega Knol is terecht. Om een goede indruk te krijgen van testeigenschappen is het van belang naast sensitiviteit ook specificiteit te vermelden. Uit de literatuur blijkt dat de specificiteit van parvovirus-B19-immunoassays 91-98% is.1

Afgezien van de sensitiviteit en de specificiteit hangt de betekenis van een positief of negatief testresultaat samen met de prevalentie van de aandoening in de onderzochte populatie.2 In dit kader zijn wij het met collegae Reintjes et al. eens dat een incidentieonderzoek naar parvovirus-B19-infectie in de zwangerschap gewenst is. Wij zijn voornemens hier binnenkort mee te starten.

P.H. van Gessel
H.I.J. Wildschut
T.T. Cohen-Overbeek
Chr. Vermeij-Keers
Literatuur
  1. Pickering JW, Forghani B, Shell GR, Wu L. Comparative evaluation of three recombinant antigen-based enzyme immunoassays for detection of IgM and IgG antibodies to human parvovirus B19. Clin Diagn Virol 1998;9:57-63.

  2. Peters TJ, Wildschut HIJ, Weiner CP. Epidemiologic considerations in screening. In: Wildschut HIJ, Weiner CP, Peters TJ, editors. When to screen in obstetrics and gynecology. Londen: Saunders; 1996. p. 1-12.