Optimaliseer uw overdracht: 10 tips

Klinische praktijk
Stephanie van der Leij
Margriet M.E. Schneider
Suzanne E. Geerlings
Karin A.H. Kaasjager
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A9085
Abstract
Download PDF

In een serie artikelen in de rubriek Stand van zaken worden de huidige kennis en recente inzichten over een onderwerp samengevat in enkele praktische tips. Meer achtergrondinformatie over deze tips is te vinden op www.ntvg.nl.

Samenvatting

De overdracht is van groot belang voor de continuïteit van de zorg en draagt bij aan de patiëntveiligheid. Volgens de Joint Commission International (JCI), een Amerikaans kwaliteitsinstituut, is 67% van de medische fouten het gevolg van miscommunicatie. Meer dan de helft van deze fouten blijkt toe te schrijven aan een gebrekkige medische overdracht. De JCI en de World Health Organization bevelen aan de overdracht te standaardiseren en artsen te trainen, om zo de kwaliteit van de medische overdracht te verbeteren. Tijdens de opleiding tot arts of medisch specialist is er weinig aandacht voor overdragen als essentiële medische competentie. In veel klinieken ontbreekt het aan training of een gestandaardiseerd format voor de overdracht. In dit artikel bespreken wij 10 tips ter verbetering van de kwaliteit van uw intradisciplinaire overdracht.

Het is vrijdagmiddag half vijf, de weekendoverdracht is begonnen. Het is een komen en gaan van aiossen. Piepers en telefoons gaan af. Zaalarts A start met de overdracht: ‘Er wordt vanavond een Hb aan je doorgebeld.’ Vervolgens draagt zaalarts B over: ‘Meneer Jansen 68 jaar, met in de voorgeschiedenis hypertensie, is gisteren opgenomen met een bloeding op basis van een ulcus duodeni. Er is vanmiddag een tweede gastroscopie verricht waarbij er hemostase is bereikt door middel van het plaatsen van clips. Zijn laatste Hb-gehalte om 14:00 uur was 6,8 mmol/l na 2 bloedtransfusies. Er volgt om 20:00 uur een Hb-controle. Indien het Hb is gezakt onder de 5 mmol/l of indien patiënt hemodynamisch instabiel wordt, dient er overlegd te worden met de radioloog ten aanzien van een angiografische embolisatie. Er dient tevens een bloedtransfusie plaats te vinden bij een Hb onder de 5 mmol/l. De dienstdoende radioloog is reeds op de hoogte van de mogelijke noodzaak van embolisatie.’

De intradisciplinaire overdracht is van groot belang voor de continuïteit van de zorg en draagt bij aan de patiëntveiligheid. Volgens de Joint Commission International (JCI), een Amerikaans kwaliteitsinstituut, is 67% van de medische fouten het gevolg van miscommunicatie. Meer dan de helft van deze fouten blijkt toe te schrijven aan een gebrekkige overdracht. De JCI en de World Health Organization bevelen aan om de overdracht te standaardiseren. In dit artikel geven wij 10 tips om uw overdracht te verbeteren.

Tip 1: Standaardiseer format en inhoud van de overdracht

Het format en de inhoud van de overdracht dienen gestandaardiseerd te zijn. Onderdelen die aan bod moeten komen zijn: de relevante medische voorgeschiedenis, de actuele probleemlijst, de actielijst – lopende consulten, volgend aanvullend onderzoek –, een anticiperend beleid voor te verwachten problemen en eventuele behandelbeperkingen.

Tip 2: Draag selectief over

De tijdsdruk is een beperkende factor voor de kwaliteit van de overdracht. Afhankelijk van het type overdracht – ochtend-, avond-, nacht- of weekendoverdracht – kan er een selectie worden gemaakt van patiënten en onderdelen die aan bod dienen te komen. Bij de ochtend- of avondoverdracht kan er bijvoorbeeld meer nadruk worden gelegd op het educatieve aspect, terwijl de nacht- en weekendoverdracht vooral de continuïteit van de zorg als doel hebben.

Tip 3: Zorg voor een anticiperend beleid

Gedurende de overdracht moet het duidelijk zijn welke specifieke acties er worden verwacht van de dienstdoende arts bij bepaalde bevindingen. Deze moeten zo concreet mogelijk zijn, bijvoorbeeld bij welke Hb-waarde een bloedtransfusie gegeven moet worden.

Tip 4: Wees duidelijk over behandelbeperkingen

Als de dienst begint, moet het duidelijk zijn of en welke behandelbeperkingen er gelden. Voor de dienst zijn vooral de volgende categorieën van belang: (a) maximaal beleid; (b) niet reanimeren, wel intensive care (IC); en (c) niet reanimeren, geen IC. Ook het besluit om behandelbeperkingen in te stellen voor eventuele operaties of het beginnen met hemodialyse zou idealiter al genomen moeten worden voordat de dienst begint.

Tip 5: Standaardiseer de volgorde van te bespreken patiënten

De overdracht dient uiteraard te beginnen met patiënten die direct door een collega moeten worden gezien. Wij adviseren om hierna een vaste volgorde aan te houden voor de overige te bespreken patiënten. Een bruikbare volgorde is bijvoorbeeld om na de spoedeisende patiënten de nieuw opgenomen patiënten per afdeling te bespreken, gevolgd door de nieuwe ontwikkelingen bij patiënten die al opgenomen zijn.

Het verdient aanbeveling om de dienstdoende assistent al voor de overdracht 1 of 2 leerzame patiënten te laten selecteren die relatief uitgebreid besproken worden, zeker wanneer er sprake is van een opleidingssituatie. Hierbij dient er voldoende tijd te zijn om aanvullend onderzoek en overwegingen uitgebreid aan bod te laten komen. De overige te bespreken patiënten dienen relatief kort en bondig overgedragen te worden.

Tip 6: Wijs een voorzitter aan

De medische overdracht dient geleid te worden door een voorzitter die niet alleen de inhoud en structuur van de overdracht, maar ook de klok in de gaten houdt. De voorzitter bewaakt dat er ruimte is voor opmerkingen, correcties en vragen. Dit kan de opleider zijn, maar ook een ander staflid. Ook aiossen kunnen de overdracht voorzitten om zich te bekwamen in de competentie ‘organisatie’.

Tip 7: Beperk onnodige onderbrekingen

Voorkom dat de overdracht onnodig wordt onderbroken door piepers of telefoons en collega’s die te laat binnenkomen. Piepers en telefoons staan tijdens de overdracht uit. De dienstpiepers of -telefoons kunnen tijdelijk worden beheerd door een van de aiossen, buiten de overdrachtsruimte. De verpleegkundigen en poli-assistenten kunnen geïnstrueerd worden om alleen in noodgevallen te storen tijdens de overdracht.

Tip 8: Stel aanwezigheid verplicht

Idealiter zijn alle aiossen en supervisoren van de klinische afdelingen tijdens de overdracht aanwezig. De supervisor kan de aios zo nodig aanvullen bij vragen of discussie over een patiënt. Vooral in het weekend is de aanwezigheid van de supervisor van belang voor de continuïteit van de zorg.

Tip 9: Overdragen kan worden aangeleerd

Ondanks de cruciale betekenis van de medische overdracht voor de continuïteit en veiligheid van de zorg, wordt hier vaak niet op getraind. Het format moet voor iedereen duidelijk zijn, ook voor beginnende aiossen. Leg dit dus vast in het inwerkprogramma en gebruik eventueel zakkaartjes of een poster in de overdrachtsruimtes. De klinische praktijkbeoordelingen kunnen worden gebruikt voor feedback ter verbetering van de overdrachtsvaardigheden.

Tip 10: Zorg voor een veilige leeromgeving

De mogelijkheid om tijdens de overdracht vragen te stellen leidt tot een beter begrip van de casus. De aanwezigheid van de dienstdoende supervisor draagt bij aan een veilig leerklimaat.

De medische overdracht wordt vaak gekoppeld aan onderwijs. Er kan voor gekozen worden om een ‘vraag van de dag’ of ‘vraag van de week’ te laten beantwoorden. Hierbij wordt een kwestie uitgezocht die onbeantwoord bleef bij het bespreken van een casus; het antwoord wordt aansluitend aan een volgende overdracht gepresenteerd. Ook terugkoppeling van het klinische beloop van eerder gepresenteerde complexe casuïstiek is leerzaam.

Achtergrond

Er zijn verschillende soorten overdrachten: (a) de intradisciplinaire overdracht, zoals die tussen de dag- en avonddienst binnen één specialisme plaatsvindt, (b) de interdisciplinaire overdracht, bijvoorbeeld wanneer een patiënt door de internist aan de chirurg wordt overgedragen, en (c) de transmurale overdracht, wanneer de patiënt uit het ziekenhuis ontslagen wordt. In dit artikel bespreken wij de intradisciplinaire overdracht.

De overdracht is van groot belang voor de continuïteit van de zorg en draagt bij aan de patiëntveiligheid. Volgens de Joint Commission International (JCI), een Amerikaans kwaliteitsinstituut, is 67% van de medische fouten het gevolg van miscommunicatie. Meer dan de helft van deze fouten blijkt toe te schrijven aan een gebrekkige medische overdracht.1 De JCI en de World Health Organization bevelen aan om de overdracht te standaardiseren en om artsen te trainen ter verbetering van de kwaliteit van de medische overdracht.1,2

Vrijwel alle artsen hebben te maken met medische overdrachten. Desondanks is er tijdens de opleiding tot arts of medisch specialist weinig aandacht voor overdragen als essentiële medische competentie. In veel klinieken ontbreekt het aan training of aan een gestandaardiseerd format voor de overdracht.

Eind 2014 vond het congres ‘Modernisering medische vervolgopleidingen’ plaats, dat werd georganiseerd door de KNMG. Hier werd door 2 van de auteurs (S.E.G. en K.A.H.K.) de workshop ‘Optimalisatie van de dienstoverdracht’ gegeven. Tijdens deze workshop gaven artsen uit diverse vakgebieden verbeterpunten voor de overdracht aan. Naar aanleiding van deze workshop en een literatuuronderzoek hebben wij 10 tips geformuleerd ter verbetering van de kwaliteit van uw intradisciplinaire overdracht.

Tip 1: Standaardiseer format en inhoud van de overdracht

Het format en de inhoud van de overdracht dienen gestandaardiseerd te zijn. Onderdelen die aan bod moeten komen zijn: de relevante medische voorgeschiedenis, de actuele probleemlijst, de actielijst – lopende consulten, volgend aanvullend onderzoek –, een anticiperend beleid voor te verwachten problemen en tot slot de eventuele behandelbeperkingen.1,3-11

Bij alle patiënten, ook degenen die niet mondeling worden overgedragen, dient er tevens een geschreven overdracht te zijn in het patiëntendossier. Het maken van onderscheid tussen hoofd- en bijzaken en het overdragen van de essentie van een casus is leerzaam voor de aios en leidt tevens tot het behoud van de aandacht van degenen die bij de overdracht aanwezig zijn.

In een recent onderzoek, dat werd uitgevoerd in de opleidingsklinieken van Harvard Medical School en gepubliceerd in The New England Journal of Medicine, werd het effect onderzocht van een vernieuwd overdrachtsprogramma op medische fouten.4 Het programma bestond onder andere uit een gestandaardiseerde overdracht en een training in communicatie rond de overdracht. De implementatie van dit overdrachtsprogramma leidde tot een afname in medische fouten en vermijdbare onbedoelde nadelige effecten tot 30%.

Ook in andere studies leidde het standaardiseren van de inhoud van de overdracht tot een toename van de kwaliteit en volledigheid van de overdracht en tot een afname in medische fouten.3,4,6,12

Er zijn diverse ezelsbruggetjes ontwikkeld voor het standaardiseren van de overdracht (tabel). Er is op grond van de literatuur geen voorkeur aan te geven voor het gebruik van een van deze ezelsbruggetjes.8

Tip 2: Draag selectief over

Als er veel patiënten over te dragen zijn in korte tijd, zoals tijdens de maandagochtendoverdracht, moet voorkomen worden dat de ziekste of leerzaamste patiënten te weinig aandacht krijgen.

Afhankelijk van het type overdracht – ochtend-, avond-, nacht- of weekendoverdracht – kan er een selectie worden gemaakt van patiënten en onderdelen die aan bod dienen te komen. Bij de ochtend- of avondoverdracht kan er bijvoorbeeld meer nadruk worden gelegd op het educatieve aspect van de overdracht, terwijl de nacht- en weekendoverdracht vooral tot doel hebben de continuïteit van de zorg te bewerkstelligen.

Tijdens de ochtendoverdracht moeten alle nieuw opgenomen patiënten besproken worden. Bij de overige overdrachten is het van belang om te bedenken voor welke patiënten een aanvullende mondelinge overdracht gewenst is. Ernstig zieke patiënten, leerzame casuïstiek en patiënten bij wie tijdens de dienst een specifieke actie wordt verlangd, dienen mondeling overgedragen te worden.

Zeker als er sprake is van een opleidingssituatie, verdient het aanbeveling om 1 of 2 leerzame patiënten relatief uitgebreid te bespreken. Ook aanvullend onderzoek en overwegingen kunnen hierbij worden besproken. Vervolgens kunnen patiënten met eenvoudige problematiek kort en bondig overgedragen worden. Patiënten die kort kunnen worden overgedragen zijn bijvoorbeeld patiënten bij wie een eenduidige diagnose is gesteld, bijvoorbeeld ‘appendicitis’ of ‘pneumonie’.

Tip 3: Zorg voor een anticiperend beleid

Een frequent genoemde tekortkoming van de overdracht is het ontbreken aan een anticiperend beleid.5,8-11,13 Gedurende de overdracht moet het duidelijk zijn welke specifieke acties er worden verwacht van de dienstdoende arts bij bepaalde bevindingen. Deze specifieke acties moeten zo concreet en meetbaar mogelijk zijn, bijvoorbeeld: bij welke Hb-waarde dient de patiënt een bloedtransfusie te krijgen? Een anticiperend beleid leidt tot continuïteit; het zorgt ervoor dat de dienstdoende arts minder onnodig opzoekwerk hoeft te doen en dat de patiënt tijdig zorg ontvangt.

Tip 4: Wees duidelijk over behandelbeperkingen

Op het moment dat de dienst begint moet het duidelijk zijn of en welke behandelbeperkingen er gelden. Deze dienen niet alleen tijdens de overdracht vermeld te worden, maar ze dienen tevens eenvoudig in het elektronische patiëntendossier terug te vinden te zijn.

Voor de dienst zijn vooral de volgende categorieën van belang: (a) maximaal beleid; (b) niet reanimeren, wel intensive care (IC); en (c) niet reanimeren, geen IC. In veel ziekenhuizen wordt het beleid met een code aangeduid. Doordat in het land verschillende codes worden gebruikt – code B kan in het ene ziekenhuis iets anders betekenen dan in een ander ziekenhuis – kan er verwarring optreden, vooral bij beginnende arts-assistenten die nog niet vertrouwd zijn met de terminologie van hun ziekenhuis. Wij willen er daarom voor pleiten om tijdens de overdracht niet met codes te werken, maar met ondubbelzinnige termen. Ook het besluit om behandelbeperkingen in te stellen voor eventuele operaties of het beginnen met hemodialyse zou idealiter al genomen moeten worden voordat de dienst begint.

Structuur

Tip 5: Standaardiseer de volgorde van te bespreken patiënten

De overdracht zou moeten beginnen met de meest spoedeisende patiënt, naar wie eventueel direct een collega toe moet om de zorg over te nemen.10,11 Wij adviseren om na de presentatie van de meest spoedeisende patiënt een vaste planning aan te houden voor de overige te presenteren patiënten. Een bruikbare volgorde is bijvoorbeeld om na de spoedeisende patiënt de nieuw opgenomen patiënten per afdeling te bespreken, gevolgd door de nieuwe ontwikkelingen bij patiënten die al opgenomen zijn. Het aanhouden van een vaste structuur tijdens de overdracht leidt tot een afname van het aantal patiënten dat vergeten wordt over te dragen.10

Aandacht voor patiënten die zijn opgenomen op een leenbed – dat wil zeggen: op een verpleegafdeling van een ander specialisme – is van groot belang, aangezien de zorg voor deze patiënten extra alertheid en logistieke inspanningen vereist.

Tip 6: Wijs een voorzitter aan

De medische overdracht dient geleid te worden door een voorzitter die zelf geen dienst heeft of heeft gehad. De voorzitter bewaakt de inhoud en structuur van de overdracht, houdt de tijd in de gaten en leidt eventuele discussies. De voorzitter moet uiteraard op de hoogte zijn van het lokale format van de medische overdracht.

Het dient van tevoren bekend te zijn wie deze voorzittersrol op zich neemt. Naast opleiders of stafleden kunnen ook aiossen de overdracht voorzitten; aiossen kunnen zo de competentie ‘organisatie’ ontwikkelen.

Aangezien de overdracht een belangrijk opleidingsmoment is, dient de voorzitter te bewaken dat er ruimte is voor opmerkingen, correcties of vragen. Het is van belang om afspraken te maken over het moment van vragenstellen. Wij geven er de voorkeur aan om dit na de presentatie van elke casus te doen om het aantal onderbrekingen te beperken.

Tip 7: Beperk onnodige onderbrekingen

Voorkom dat de overdracht onnodig wordt onderbroken door piepers en telefoons of door collega’s die te laat binnenkomen, aangezien dit de concentratie verstoort en daarmee de kwaliteit van de overdracht negatief beïnvloedt. Frequente onderbrekingen leiden tevens tot een langere overdrachtstijd.13

Piepers en telefoons behoren tijdens de overdracht uit te staan. De dienstpiepers of -telefoons kunnen tijdelijk worden beheerd door een van de aiossen buiten de overdrachtsruimte.

In een aantal ziekenhuizen wordt gebruikgemaakt van posters met ‘niet storen tijdens de dienstoverdracht’. Deze posters hangen op de verpleegkundige teamposten om te voorkomen dat electieve telefoontjes worden verricht tijdens overdrachtstijd.14

Onderwijs en opleiding

Tip 8: Stel aanwezigheid verplicht

De aanwezigheid van de dienstdoende supervisor draagt bij aan een veilig opleidingsklimaat voor de aios. De supervisor kan de dienstdoende aios zo nodig aanvullen bij vragen of discussie over een gepresenteerde patiënt.

Het is van belang dat alle verantwoordelijke aiossen tijdens de overdrachten aanwezig zijn om relevante patiënten voor de dienst over te dragen of eventuele informatie te ontvangen over veranderingen bij patiënten die al opgenomen zijn. Idealiter zijn ook alle supervisoren van de klinische afdelingen aanwezig. Tijdens de weekendoverdrachten is de dienstdoende supervisor zo mogelijk aanwezig om de continuïteit te waarborgen.

De aanwezigheid van de verantwoordelijke artsen tijdens de overdracht voorkomt extra telefoontjes nadien. Aangezien deze telefoontjes nogal eens ongelegen komen, is er minder gelegenheid om aanvullende vragen te stellen en daarmee minder begrip van de casus. Het gebrek aan contact van aangezicht tot aangezicht wordt in onderzoek aangemerkt als risicofactor voor miscommunicatie.3,5

Tip 9: Overdragen kan worden aangeleerd

Ondanks de cruciale rol van de medische overdracht in de continuïteit en de veiligheid van de zorg, ontbreekt het vaak aan training hierin. Het aantal artsen dat in deeltijd werkt is de laatste jaren toegenomen.15 Het aantal overdrachten en het belang van een kwalitatieve overdracht is hiermee toegenomen.

Er is onderzoek gedaan naar het effect van overdrachtstraining in combinatie met het implementeren van een vast format voor de overdracht. In deze studies werden significante afnames in het aantal medische fouten en onbedoelde nadelige effecten gezien.4,6,11,12 Overdragen, al dan niet in een gestandaardiseerd format, is een vaardigheid die kan worden aangeleerd.

Aangezien er een continue instroom is van nieuwe aiossen, is het van belang om het overdrachtsformat vast te leggen in het inwerkprogramma en op zakkaartjes of posters.

De klinische praktijkbeoordelingen – bijvoorbeeld standaard op de maandagochtend – kunnen worden gebruikt voor feedback ter verbetering van de overdrachtsvaardigheden van de aios.

De Nederlandse Internisten Vereniging heeft een trainingsmodule ontwikkeld ter verbetering van de dienstoverdracht. Deze trainingsmodule is bedoeld voor de overdracht van de interne geneeskunde, maar is ook bruikbaar voor andere specialismen. Ook is er een evaluatieformulier beschikbaar om de kwaliteit van uw overdracht te beoordelen (www.internisten.nl/kwaliteit/dienstoverdrachten/dienstoverdrachten).14

Tip 10: Zorg voor een veilige leeromgeving

De overdracht is een belangrijk opleidingsmoment voor de aios. De mogelijkheid om tijdens de overdracht vragen te stellen naar aanleiding van een casus leidt tot een beter begrip van de casus.3,11Het in aanraking komen met – nieuwe – ziektebeelden en eventuele discussies naar aanleiding van casuïstiek leiden tot een toename van medische kennis en begrip. Tijdens het overdragen zelf worden diverse medische competenties ontwikkeld, zoals medisch handelen, organiseren, communicatie en samenwerken.

Het is van belang om te zorgen voor een veilig leerklimaat. De aanwezigheid van de dienstdoende supervisor draagt zoals eerder genoemd hieraan bij. Het veranderen van de opstelling bij de overdracht, bijvoorbeeld door de aios vooraan plaats te laten nemen, kan bijdrage aan een laagdrempelig klimaat om vragen te stellen.

Tijdsdruk is een beperkende factor voor het educatieve aspect van de overdracht. Het aanhouden van een vaste structuur en planning van de overdracht zal echter leiden tot meer tijd voor leerzame casuïstiek.

De medische overdracht wordt vaak gekoppeld aan een opleidingsmoment in de vorm van een presentatie. In sommige klinieken wordt ervoor gekozen om een ‘vraag van de dag’ of ‘vraag van de week’ te laten beantwoorden. Dit kan een diagnostische, therapeutische of prognostische vraag zijn die onbeantwoord bleef bij het bespreken van een casus tijdens de overdracht. Een van de aiossen verricht een literatuuronderzoek en presenteert deze aansluitend aan de overdracht. De terugkoppeling van eerder gepresenteerde complexere casuïstiek kan eveneens als opleidingsmoment dienen.

Conclusie

De overdracht is een essentieel maar onderbelicht onderdeel van onze dagelijkse werkzaamheden. De overdracht is van groot belang voor de continuïteit van de zorg en de patiëntveiligheid. Daarnaast voorkómt een goede overdracht tijdrovende en onnodige werkzaamheden voor de dienstdoende arts.

De overdracht is ook een belangrijk opleidingsmoment. Het prioriteren van te bespreken patiënten en het creëren van een veilig leerklimaat, waarbij laagdrempelig vragen kunnen worden gesteld, leidt tot een beter begrip van casuïstiek.

Door het invoeren van een aantal eenvoudige aanpassingen, zoals het standaardiseren van de inhoud en structuur en het trainen van artsen, wordt de overdracht niet alleen kwalitatief beter, maar ook leerzamer en efficiënter.

Literatuur
  1. Sentinel event data: root causes by event type. Chicago: The Joint Commission; 2014.

  2. World Health Organization Collaborating Centre for Patient Safety. Patient Safety Solutions. Genève: WHO; 2007.

  3. Graham KL, Marcantonio ER, Huang GC, Yang J, Davis RB, Smith CC. Effect of a systems intervention on the quality and safety of patient handoffs in an internal medicine residency program. J Gen Intern Med. 2013;28:986-93. doi:10.1007/s11606-013-2391-7 Medline

  4. Starmer AJ, Spector ND, Srivastava R, et al; I-PASS Study Group. Changes in medical errors after implementation of a handoff program. N Engl J Med. 2014;371:1803-12. doi:10.1056/NEJMsa1405556 Medline

  5. Arora V, Johnson J, Lovinger D, Humphrey HJ, Meltzer DO. Communication failures in patient sign-out and suggestions for improvement: a critical incident analysis. Qual Saf Health Care. 2005;14:401-7. doi:10.1136/qshc.2005.015107 Medline

  6. Starmer AJ, Sectish TC, Simon DW, et al. Rates of medical errors and preventable adverse events among hospitalized children following implementation of a resident handoff bundle. JAMA. 2013;310:2262-70. doi:10.1001/jama.2013.281961 Medline

  7. Starmer AJ, O’Toole JK, Rosenbluth G, et al; I-PASS Study Education Executive Committee. Development, implementation, and dissemination of the I-PASS handoff curriculum: A multisite educational intervention to improve patient handoffs. Acad Med. 2014;89:876-84. doi:10.1097/ACM.0000000000000264 Medline

  8. Starmer AJ, Spector ND, Srivastava R, Allen AD, Landrigan CP, Sectish TC; I-PASS Study Group. I-pass, a mnemonic to standardize verbal handoffs. Pediatrics. 2012;129:201-4. doi:10.1542/peds.2011-2966 Medline

  9. Bump GM, Jovin F, Destefano L, et al. Resident sign-out and patient hand-offs: opportunities for improvement. Teach Learn Med. 2011;23:105-11. doi:10.1080/10401334.2011.561190 Medline

  10. Tapia NM, Fallon SC, Brandt ML, Scott BG, Suliburk JW. Assessment and standardization of resident handoff practices: PACT project. J Surg Res. 2013;184:71-7. doi:10.1016/j.jss.2013.04.063 Medline

  11. Arora VM, Manjarrez E, Dressler DD, Basaviah P, Halasyamani L, Kripalani S. Hospitalist handoffs: a systematic review and task force recommendations. J Hosp Med. 2009;4:433-40. doi:10.1002/jhm.573 Medline

  12. Bigham MT, Logsdon TR, Manicone PE, et al. Decreasing handoff-related care failures in children’s hospitals. Pediatrics. 2014;134:e572-9. doi:10.1542/peds.2013-1844 Medline

  13. Date DF, Sanfey H, Mellinger J, Dunnington G. Handoffs in general surgery residency, an observation of intern and senior residents. Am J Surg. 2013;206:693-7. doi:10.1016/j.amjsurg.2013.07.006 Medline

  14. Tervoor M, van Gurp P, Geerlings SE, Schouten L. De overdracht kan een stuk beter. Med Contact (Bussum). 2013;68:2391-3.

  15. Capaciteitsplan 2013. Utrecht: Stichting Capaciteitsorgaan voor Medische en Tandheelkundige Vervolgopleidingen; 2013.

Auteursinformatie

UMC Utrecht, afd. Interne Geneeskunde, Utrecht.
Drs. S. van der Leij, aios interne geneeskunde;
prof.dr. M.M.E. Schneider, prof.dr. K.A.H. Kaasjager, internisten, opleiders.
AMC Amsterdam, afd. Interne Geneeskunde, Amsterdam.
Prof.dr. S.E. Geerlings, internist, opleider.
Contactpersoon: prof.dr. M.M.E. Schneider
(m.m.e.schneider@umcutrecht.nl).

Contact (m.m.e.schneider@umcutrecht.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Stephanie van der Leij ICMJE-formulier
Margriet M.E. Schneider ICMJE-formulier
Suzanne E. Geerlings ICMJE-formulier
Karin A.H. Kaasjager ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Praktische tips

Gerelateerde artikelen

Reacties