Oorzaken en preventie van chronische ziekten bij ouderen; het Erasmus Rotterdam gezondheid en ouderen (ERGO)-onderzoek

Perspectief
F.A. van den Ouweland
D.E. Grobbee
P.T.V.M. de Jong
A. Hofman
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1991;135:574-7
Download PDF

Het aantal oudere patiënten met chronische aandoeningen neemt toe in Nederland, evenals in andere westerse landen.1 Een belangrijke oorzaak hiervan is dat in de afgelopen decennia het deel van de bevolking dat een hoge leeftijd bereikt, steeds groter is geworden.2 De te verwachten levensduur bij geboorte is in de 20e eeuw aanzienlijk toegenomen en tevens is de te verwachten levensduur op middelbare en hoge leeftijd gestegen, zij het bij mannen in mindere mate dan bij vrouwen.3 Helaas zijn er aanwijzingen dat steeds meer mensen de laatste jaren van hun leven in ziekte en invaliditeit doorbrengen.4 Dit pleit ervoor preventieve activiteiten niet alleen te richten op verdere verlenging van de te verwachten levensduur op oudere leeftijd, maar ook aandacht te geven aan verbetering van de kwaliteit van het leven. Om de kwaliteit van het leven te verbeteren, is het belangrijk het tijdstip van het begin van een chronische aandoening uit te stellen.5

Preventieve maatregelen om uitstel van ziekte te bewerkstelligen, vereisen inzicht in de incidentie en in de determinanten van ziekten. Epidemiologisch onderzoek bestudeert met behulp van kwantitatieve methoden de mate van invloed van determinanten, ook wel risicofactoren genoemd, op het ontstaan of het verergeren van ziekten.6 Dergelijk onderzoek zal zich in eerste instantie moeten richten op chronische aandoeningen die frequent voorkomen en met een langdurige en invaliderende ziekteperiode gepaard gaan. In het bijzonder geldt dit voor neurogeriatrische ziekten, hart- en vaatziekten, ziekten van het bewegingsapparaat en aandoeningen van de zintuigen. Enkele epidemiologische kerngegevens betreffende deze aandoeningen worden in figuur 1, figuur 2 en figuur 3 weergegeven.7-9

In dit artikel beschrijven wij een Nederlands epidemiologisch onderzoek dat vanuit deze overwegingen is opgezet en in juni 1990 te Rotterdam van start is gegaan. Dit zogenaamde Erasmus Rotterdam gezondheid en ouderen (ERGO)-onderzoek concentreert zich op vraagstellingen rond dementie, hart- en vaatziekten, osteoporose, artrose en oogziekten.

Het onderzoek

Het ERGO-onderzoek is een prospectief follow-up-onderzoek onder de inwoners van de Rotterdamse wijk Ommoord die 55 jaar of ouder zijn. Het onderzoek duurt in totaal 5 jaar en is verdeeld in 2 fasen van elk 2,5 jaar. In de eerste fase worden uitgangswaarden van ziekten en determinanten vastgelegd en in de tweede fase zal vervolgonderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van nieuwe ziekten en veranderingen van determinanten in de tijd.

Alle inwoners van 55 jaar en ouder in de wijk Ommoord, 4.600 mannen en 7.300 vrouwen, worden voor de eerste fase van het onderzoek uitgenodigd. Een deel van het onderzoek, een anamnese, vindt bij de deelnemers thuis plaats met behulp van een interactief vragenprogramma dat is geïnstalleerd op een draagbare computer. Vervolgens wordt het onderzoek uitgevoerd in het ERGO-onderzoekcentrum, gelokaliseerd midden in de wijk Ommoord. In het onderzoekcentrum zal beperkt lichamelijk onderzoek worden verricht en zullen aanvullende klinische en biochemische metingen plaatsvinden.

Bij het uitvoeren van het onderzoek wordt samengewerkt met een aantal klinische en basiswetenschappelijke onderzoeksgroepen binnen en buiten Nederland. De belangrijkste aspecten van de 4 onderzoeksgebieden in ERGO zullen hier kort worden besproken.

Neurogeriatrische ziekten

De vraagstellingen op het gebied van de neurogeriatrische ziekten omvatten onder meer:

– Wat is de incidentie van dementie, opgesplitst in ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en overige dementieën?

– Wat zijn de risicofactoren voor de verschillende categorieën van dementie?

Achtergrond

Dementie is één van de belangrijkste oorzaken van ernstig functieverlies bij ouderen. Nationaal en internationaal onderzoek naar de frequentie van dementie heeft zich tot nu toe vooral beperkt tot bestudering van de prevalentie en de incidentie van opneming wegens dementie.1011 Recente gegevens maken het waarschijnlijk dat de prevalentie van dementie in Nederland ten minste 5 is bij ouderen boven de 65 en 25 bij ouderen boven de 85 jaar.8 Naar schatting zullen de kosten van psychogeriatrische verpleegvoorzieningen ruim 40 vormen van het totale budget voor de geestelijke gezondheidszorg in het jaar 2000.12 Deze overwegingen, te zamen met het gebrek aan gegevens over de werkelijke incidentie van dementie, vormen een belangrijk motief voor dit onderdeel van het onderzoek.

Uit etiologische overwegingen is het van belang onderscheid te maken tussen verschillende vormen van dementie die elk een verschillende pathofysiologische achtergrond hebben. Voor een onderzoek naar de incidentie betekent dit enerzijds dat diagnostische faciliteiten beschikbaar moeten zijn om de subtypen van dementie te onderscheiden en anderzijds dat de omvang van het onderzoek voldoende moet zijn om per subtype de incidentie vast te stellen. De bepaling van de incidentie van dementie zal worden uitgevoerd als onderdeel van een onderzoek in de landen van de Europese Gemeenschap.

Hart- en vaatziekten

Met dit deel van het onderzoek wordt beoogt inzicht te verkrijgen in de factoren die het optreden van hart- en vaatziekten bij ouderen bevorderen of uitlokken. De vraagstellingen zijn onder meer:

– Vormen afwijkingen in de bloedstolling risicofactoren voor het optreden en het verergeren van hart- en vaatziekten?

– Is aanwezigheid of toename van afwijkingen van de bloedvatwand bij oudere patiënten van voorspellende waarde voor het optreden van hart- en vaatziekten, en wat zijn hiervan de determinanten?

Achtergrond

Hart- en vaatziekten vormen in Nederland de belangrijkste sterfte-oorzaak, en jaarlijks worden ruim 80.000 personen in ziekenhuizen opgenomen ten gevolge van aandoeningen van hart en bloedvaten.13 Een groot deel van deze ziekte- en sterftelast treft het oudere deel van onze bevolking.14 Bij het zoeken naar mogelijkheden om de ziektelast ten gevolge van hart- en vaatziekten bij ouderen gunstig te beïnvloeden, zijn factoren die tot atherosclerose leiden van beperkt belang. De meeste personen boven de 50 jaar hebben in meer of mindere mate atherosclerotische veranderingen van de vaten.

Uit een aantal onderzoeken is naar voren gekomen dat afwijkingen in de hemostase, bij aanwezige atherosclerose, een rol kunnen spelen bij het ontstaan van symptomatische hart- en vaatziekten.1516 Deze bevinding wordt gesteund door de resultaten van onderzoek naar de rol van orale anticoagulantia en trombocyten-aggregatieremmers bij de primaire en secundaire preventie van hart- en vaatziekten.1718 Met het stijgen van de leeftijd komen met grotere kans op hart- en vaatziekten samengaande veranderingen in de stolling meer voor. Omgekeerd heeft aanwezigheid van atherosclerotische afwijkingen mogelijk een invloed op de stolling, en dit maakt het noodzakelijk het aandeel van verschillende stollingscomponenten in het uitlokken of het verergeren van hart-en vaatziekten in een longitudinaal onderzoek vast te stellen. Recente ontwikkelingen op het gebied van noninvasieve technieken om de vaatwand af te beelden, maken het mogelijk de samenhang te bestuderen tussen vaatwand- en stollingsveranderingen, alsmede de interactie met reeds aanwezige schade aan hart en vaten.19

Aandoeningen van het bewegingsapparaat

Osteoporose en artrose zijn aandoeningen van het bewegingsapparaat die frequent voorkomen bij ouderen en vormen een belangrijke oorzaak van beperkingen in het zelfstandig functioneren. Vraagstellingen op het gebied van de osteoporose omvatten onder meer:

– Wat is de incidentie van heup- en wervelfracturen bij oudere mannen en vrouwen in verband met de botmassa?

– Wat zijn de determinanten van botmassa en fracturen bij mannen en vrouwen op oudere leeftijd?

Op het gebied van de artrose richt het onderzoek zich onder meer op:

– de determinanten van beperkingen in het zelfstandig functioneren, gegeven de aanwezigheid van voor osteo-artrose kenmerkende afwijkingen op röntgenopnamen;

– de vraag wat de determinanten zijn voor progressie van beperkingen in het zelfstandig functioneren.

Achtergrond

Het optreden van fracturen bij ouderen betekent vaak langdurige invalidering, die op zich weer de kans op het optreden van andere ziekte met zich meebrengt.20 Naast andere factoren is de botmassa een belangrijke determinant van het ontstaan van fracturen.21 Kennis over de factoren die de snelheid van botverlies met de leeftijd bepalen, kan leiden tot meer inzicht in de mogelijkheden van preventie van fracturen. Het ERGO-onderzoek zal antwoord geven op de vraag of en op welke wijze een groep met grote kans op fracturen in de algemene bevolking gevonden kan worden.22

Uit eerder epidemiologisch bevolkingsonderzoek is gebleken dat röntgenologische tekenen van osteoartrose zeer frequent voorkomen in de algemene bevolking.23 De omvang van de gevolgen van artrose voor het zelfstandig functioneren zijn grotendeels onbekend. Er is een aanzienlijke discrepantie tussen symptomen en bevindingen bij onderzoek. Over de prognose van degeneratieve gewrichtsafwijkingen is eveneens weinig bekend. Inzicht in determinanten van beperkingen of van progressie van aanwezige beperkingen kan, gegeven de aanwezigheid van röntgenologische afwijkingen, mogelijkheden aangeven voor secundaire preventie.

Oogziekten

Op het gebied van de oogziekten wordt getracht een antwoord te verkrijgen op:

– de vraag naar de prevalentie van maculadegeneratie en van glaucoom in de algemene bevolking;

– de vraag welke factoren samenhangen met het optreden van deze aandoeningen.

Achtergrond

De vier meest voorkomende oorzaken van slechtziendheid op hoge leeftijd zijn grijze staar of cataract, maculadegeneratie, netvliesafwijkingen bij diabetes mellitus, en glaucoom.2425 Staar is doorgaans operatief goed te verhelpen, maar met name voor de maculadegeneratie vallen de resultaten van behandeling tegen. Ook voor voortgeschreden glaucoom zijn de therapeutische mogelijkheden gering. Gezien de geringe mogelijkheden tot behandeling zal men moeten trachten het optreden van deze aandoeningen te verminderen via preventieve maatregelen. Door bestudering van de risicofactoren kan men mogelijk komen tot het ontwikkelen van specifieke en effectieve maatregelen.

Besluit

Nederland zal in de komende decennia te maken krijgen met een toenemend aantal oudere inwoners. Aangezien de toename van de te verwachten levensduur in de westerse wereld niet vergezeld is gegaan van een verlenging van dat deel van het leven dat men in gezondheid doorbrengt, worden velen gehinderd door de gevolgen van chronisch invaliderende ziekten. Tot nu toe is veel medisch-wetenschappelijk onderzoek gericht op mogelijkheden om vroegtijdige sterfte te voorkomen. De aandacht voor preventie van ziekte op oudere leeftijd is hierbij achtergebleven. Een vermindering van de ziektelast door uitstel van het optreden van ziekte of van de complicaties van bestaande aandoeningen zou de kwaliteit van het leven van de groeiende groep ouderen kunnen verbeteren. Om preventie mogelijk te maken, is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de specifieke determinanten van ziekten op oudere leeftijd.

In het ERGO-onderzoek wordt samengewerkt met de Ommoordse huisartsen F.M.Braams, A.J.Bras, M.Th.Breier, C.J.Esser, C.M.A.Grimbergen, R.H.Ham, J.Heringa, G.Joppe, R.J.T.Mooij, P.van der Rijst, A.T.van der Schoot en R.H.Vervat. Daarnaast bestaan samenwerkingsverbanden met vele groepen binnen de Erasmus Universiteit en daarbuiten. Het ERGO-onderzoek wordt mogelijk gemaakt door een subsidie van het Nederlands Stimuleringsprogramma Ouderenonderzoek (NESTOR), ingesteld door de ministeries van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen. Daarnaast zijn de belangrijkste subsidiegevers voor deelprojecten: de gemeente Rotterdam, de Nederlandse Hartstichting, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Europese Gemeenschap, de Stichting ROMERES, het Haagse Ondersteuningsfonds, de Nederlandse Vereniging ter Voorkoming van Blindheid, de Stichting Blindenhulp, de Stichting Rotterdamse Blindenbelangen en de Stichting Volkskracht.

Literatuur
  1. Schneider EL, Guralnik JM. The aging of America –Impact on health care costs. JAMA 1990; 263: 2335-40.

  2. Fries JF. Ageing, natural death and the compression ofmorbidity. N Engl J Med 1980; 303: 130-5.

  3. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). 1899-1984.Vijfentachtig jaren statistiek in tijdreeksen. 's-Gravenhage:Staatsuitgeverij, 1984.

  4. Stout RW, Crawford V. Active life expectancy and terminaldependency: trends in long-term geriatric care over 33 years. Lancet 1988; i:281-3.

  5. Fries JF, Green LW, Levine S. Health promotion and thecompression of morbidity. Lancet 1989; i: 481-3.

  6. Vandenbroucke JP, Hofman A. Grondslagen der epidemiologie.Utrecht: Bunge, 1988.

  7. Leeuw CJ de, Hofman A. De incidentie van opname wegensdementie in Rotterdam van 1981-1985.Ned Tijdschr Geneeskd 1987; 113:1616-8.

  8. Hoogendoorn D. Enkele gegevens over 64.453 fracturen vanhet proximale uiteinde van het femur (collum plus trochantergebied)1967-1979. Ned Tijdschr Geneeskd 1982;126: 963-8.

  9. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vademecumgezondheidsstatistiek Nederland 1989. 's-Gravenhage: SDU uitgeverij,1989.

  10. Haynes SG, Feinleib M, eds. The epidemiology of ageing.NIH publication 80-969. Bethesda Md: National Institutes of Health,1980.

  11. Rocca WA, Amaducci LA, Schoenberg BS. Epidemiology ofclinically diagnosed Alzheimer's disease. Ann Neurol 1986; 19:415-24.

  12. Stuurgroep Toekomstscenario's Gezondheidszorg (SJG).Zorgen voor de geestelijke volksgezondheid in de toekomst. Houten: BohnStafleu Van Loghum, 1990.

  13. Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg.Ziekten in beeld. Utrecht: SIG, 1990.

  14. Grobbee DE. Hart- en vaatziekten. In: Maas PJ van der,Hofman A, Dekker E, eds. De epidemiologische basis van gezondheidsbeleid.Alphen aan den Rijn: Samsom Stafleu, 1988.

  15. Ross R. The pathogenesis of atherosclerosis – anupdate. N Engl J Med 1986; 314: 488-500.

  16. Meade TW, Mellows S, Brozovic M, et al. Haemostaticfunction and ischaemic heart disease: principal results of the Northwick Parkheart study. Lancet 1986; ii: 533-7.

  17. Sixty Plus Reinfarction Study Research Group. Adouble-blind trial to assess longterm oral anticoagulant therapy in elderlypatients after myocardial infarction. Lancet 1980; ii: 989-94.

  18. The Steering Committee of the Physicians Health StudyResearch Group. Final report on the aspirin component of the ongoingPhysicians‘ Health Study. N Engl J Med 1989; 321: 129-35.

  19. Salonen R, Salonen JT. Progression of carotidatherosclerosis and its determinants: a population-based ultrasonographystudy. Atherosclerosis 1990; 81: 33-40.

  20. Cummings SR, Kelsey JL, Nevitt MC, O'Dowd KJ.Epidemiology of osteoporosis and osteoporotic fractures. Epidemiol Rev 1985;7: 178-209.

  21. Melton JL, Wahner HW, Richelon LS, O'Fallon WM,Riggs BL. Osteoporosis and the risk of hip fracture. Am J Epidemiol 1986;124: 254-61.

  22. Tinetti ME, Speechley M, Ginter SF. Risk factors forfalls among elderly persons in the community. N Engl J Med 1988; 319:1701-7.

  23. Saase JLCM van, Romunde LKJ van, Cats A, VandenbrouckeJP, Valkenburg HA. Epidemiology of osteoarthritis: Zoetermeer survey.Comparison of radiological osteoarthritis in a Dutch population with that in10 other populations. Ann Rheum Dis 1989; 48: 271-80.

  24. Leibowitz HM, Krueger DE, Maunder LR, et al. TheFramingham Eye Study monograph: an ophthalmological and epidemiological studyof cataract, glaucoma, diabetic retinopathy, macular degeneration, and visualacuity in a general population of 2631 adults, 1973-1975. Surv Ophthalmol1980; 24: 335-610.

  25. Gibson JM, Lavery JR, Rosenthal AR. Blindness and partialsight in an elderly population. Br J Ophthalmol 1986; 70:700-5.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Instituut Epidemiologie en Biostatistiek: dr.F.A.van den Ouweland, internist; dr.D.E.Grobbee en prof.dr.A.Hofman, epidemiologen.

Instituut Oogheelkunde: prof.dr.P.T.V.M.de Jong, oogheelkundige.

Contact prof.dr.A.Hofman

Gerelateerde artikelen

Reacties