De diagnose berust nooit op één symptoom

Onverklaarde wegrakingen

Klinische praktijk
M.J. (Jolein) Overdijk
Dirk P. Saal
Roland D. Thijs
J.G. (Gert) van Dijk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8626
Abstract
Download PDF
Leerdoelen
  • Bij patiënten met syncope zijn een gedetailleerde anamnese en hetero-anamnese over de prodromen, positie, duur en verschijnselen van groot belang om de juiste zorg te kunnen leveren.
  • Wegrakingen in liggende houding zijn vaak een alarmsymptoom wijzend op een mogelijke cardiale oorzaak.
  • Slaapsyncope is een relatief weinig bekend type reflexsyncope met extreme vagotonie, waarbij de patiënt ontwaakt wegens abdominale klachten en aandrang in de nacht.
  • Een vasovagale aanval kan gevolgd worden door een psychogene pseudosyncope, waarbij een wegraking ontstaat met bijzonder lange duur en tegenstrijdige symptomen.

Dames en Heren,

Huisartsen, neurologen, cardiologen, geriaters, internisten en eerstehulpposten krijgen veelvuldig patiënten met een wegraking te zien. Belangrijk voor een juiste differentiële diagnose is het gedetailleerd uitvragen van de anamnese en de heteroanamnese. De medicus kan in bijzondere gevallen op een dwaalspoor worden gebracht, zelfs als er kenmerkende klinische verschijnselen zijn en een richtlijn voor patiënten met syncope is gevolgd. Wij presenteren 2 patiënten bij wie kenmerkende verschijnselen een valkuil vormden.

Bij 3% van de patiënten die naar de SEH komen is er sprake van een wegraking.1 Om te bepalen of er sprake was van syncope is een gedetailleerde anamnese essentieel, zo stelt de syncope-richtlijn van de European Society of Cardiology (ESC).2 Denk hierbij aan het uitvragen van aspecten als frequentie, uitlokking, prodromale verschijnselen, positie, duur, bijkomende verschijnselen en het beloop tijdens herstel. Toch kan het ook met de richtlijn van de ESC in de hand moeilijk zijn om syncope te onderscheiden van andere aandoeningen.2 Dit kan leiden tot onzekerheid bij de patiënt, verkeerde diagnosen en overdiagnostiek.

Patiënt A, een 45-jarige vrouw, bezoekt de polikliniek Neurologie wegens recidiverende wegrakingen. Haar voorgeschiedenis is blanco, behoudens subklinische hypothyreoïdie; ze gebruikt geen medicatie. Er komt geen epilepsie of plotse dood in de familie voor. Als kind viel ze makkelijk flauw, bijvoorbeeld bij bloedprikken, maar hiervoor is ze nooit onderzocht. Nu heeft zij al ruim 10 jaar lang wegrakingen ’s nachts, ongeveer 2 per jaar.

De aanvallen verlopen altijd op dezelfde manier: patiënte wordt wakker zonder aanwijsbare reden, begint na 20 s heftig te transpireren en voelt zich onwel, met misselijkheid, buikpijn en aandrang tot ontlasting. Patiënte probeert door spieren aan te spannen en de benen hoger te houden een wegraking te voorkomen, maar dat is zelden succesvol. Op grond van ervaring rolt zij zich meestal uit bed, omdat zij in bed geen incontinentie voor urine wil krijgen. Tijdens het rollen of op de grond liggend verliest ze dan haar bewustzijn. Haar echtgenoot meldt dat er wel eens een verkramping te zien is, maar nooit waren er schokken van enige omvang, een tongbeet of uitvalsverschijnselen nadien.

De aanvallen duren ongeveer een minuut. Nadien voelt zij zich trillerig en labiel, maar weet ze zich meteen goed te herinneren wat er is gebeurd. Na zichzelf te hebben gewassen vanwege de incontinentie, slaapt zij vlot weer in en de volgende dag na ontwaken heeft zij vrijwel altijd eenmalig diarree.

Bij lichamelijk en neurologisch onderzoek worden geen afwijkingen gevonden. Een ecg toont geen bijzonderheden. Bij een kantelproef (‘tilt table test’), waarbij patiënte met het hoofd omhoog wordt gebracht tot bijna verticale positie, tonen bloeddruk en hartslag, continu non-invasief gemeten aan de vinger, eerst geen afwijkingen. 10 min na het kantelen dalen de bloeddruk en hartfrequentie echter plotseling snel. De laagste bloeddruk is 48/32 mmHg en er ontstaat een asystolie gedurende 9 s tijdens terugkantelen. Patiënte geeft kort van tevoren aan dat ze niet lekker wordt. Ze voelt zich licht in het hoofd, heeft darmklachten en het wordt zwart voor de ogen. Ze wordt bleek, raakt buiten bewustzijn, verkrampt en is incontinent voor urine. Het eeg toont een vertraging en wordt vlak gedurende circa 18 s. Na afloop herkennen zowel patiënte als haar echtgenoot de verschijnselen als gelijk aan die bij de nachtelijke wegrakingen. Hierop wordt de diagnose ‘slaapsyncope’ gesteld.

Het onderzoek werd gevolgd door een korte oefensessie waarin bloeddrukverhogende manoeuvres geoefend worden, zoals het kruisen van de benen met aangespannen spieren.

Patiënt B, een 16-jarige scholiere met een blanco voorgeschiedenis, werd verwezen naar de polikliniek Neurologie in verband met recidiverende wegrakingen. Zij gebruikt geen medicatie en er komt geen epilepsie of plotse dood in de familie voor. Zij is eenmalig op de SEH geweesten door de kinderarts gezien, voorafgaand aan het bezoek aan de neuroloog. De aanvallen begonnen op 9-jarige leeftijd. Op de basisschool maakte zij 3 aanvallen door. Sinds haar 12e nemen de aanvallen toe en op het moment dat de ze de polikliniek bezoekt treden ze maandelijks op.

De eerste aanval ooit kreeg ze tijdens de gymles na het maken van een koprol. Toen ze daarna opstond werd ze licht in het hoofd en verloor ze kortdurend het bewustzijn. Later traden aanvallen ook op in het bijzijn van ouders bij een vaccinatie en bij het ‘schieten’ van gaatjes voor oorbellen. Ze wordt dan bleek en valt slap neer. De ouders hebben nooit schokken opgemerkt. Er was 1 maal sprake van urine-incontinentie, nooit van een tongbeet.

Patiënte ligt bij een aanval lang slap op de grond met de ogen dicht. De geschatte duur van de bewusteloosheid is 6 min. Na de wegraking is ze meteen helder; wel is zij moe en heeft zij hoofdpijn. Een enkele maal is het gelukt een wegraking te voorkomen door bij duizeligheid direct te gaan zitten. De recente aanvallen treden onder wisselende omstandigheden op: tijdens sporttraining, liggend op bed of zittend achter de computer. Vergeleken met vroeger voelt ze de aanvallen nu niet altijd aankomen en duren ze langer.

Bij lichamelijk en neurologisch onderzoek worden geen afwijkingen gevonden. Het ecg is niet afwijkend. Bij een kantelproef wordt een aanval opgewekt: na 10 min passief omhoog gekanteld staan treden klachten van duizeligheid op die gepaard gaan met een daling van de bloeddruk van 98/59 naar 70/44 mmHg; de hartslag stijgt van 100 naar 110 slagen/min. Enkele seconden later verslapt zij opeens en vallen haar hoofd en romp opzij en reageert zij niet op aanspreken. Haar ogen zijn gesloten. Bij terugkantelen is er vlot herstel van de bloeddruk, maar aanspreken lokt geen reactie uit, aanschudden evenmin. Op het eeg is tijdens deze episode geen afwijking te zien. Na 3 min opent patiënte weer de ogen. Na afloop geeft zij aan dat zij zich niets van de hele situatie kan herinneren. Hierop worden de gecombineerde diagnosen ‘vasovagale syncope’ en ‘psychogene pseudosyncope’ gesteld. De kantelproef wordt direct benut om bloeddrukverhogende manoeuvres te onderwijzen.

Patiënte wordt naar een psycholoog verwezen voor gerichte behandeling, waarbij met name exploratie plaatsvindt naar mogelijke onderliggende problematiek.

Beschouwing

Wegrakingen worden onderverdeeld in 3 hoofdtypen, waaronder syncope (tabel 1). Syncope is een plotseling, vanzelf overgaand verlies van bewustzijn door globale cerebrale hypoperfusie.

Ook syncope kan weer onderverdeeld worden in 3 subtypen: reflexsyncope, orthostatische hypotensie en cardiale syncope (tabel 2). Binnen de syncopegroep zijn de prodromale verschijnselen transpireren, bleekheid en misselijkheid kenmerkend voor reflexsyncope. Het optreden van syncope in liggende houding geldt vaak als een krachtige aanwijzing voor een mogelijke cardiale oorzaak.2 De achterliggende reden is dat het in liggende houding in de regel een complete circulatiestilstand vergt om bewusteloosheid te doen ontstaan. In staande houding volstaat een lage bloeddruk zonder circulatiestilstand om bewusteloosheid te veroorzaken.

Er is een uitzondering op de regel dat bewusteloosheid bij een liggende patiënt pas optreedt bij een circulatiestilstand: slaapsyncope. Dit is een relatief kort geleden herkend subtype van reflexsyncope.3

Slaapsyncope

Bij patiënt A wezen de aanvallen zeer sterk op syncope, niet op insulten of psychogene wegrakingen. Het moment van optreden, ’s nachts tijdens de slaap, verschilt wel sterk van een klassieke vasovagale syncope. Toch berust het wegraken bij slaapsyncope op hetzelfde mechanisme, met bradycardie en een bloeddrukdaling.

De meeste patiënten met slaapsyncope ontwaken wegens prodromale verschijnselen en buikklachten waarna zij het bewustzijn verliezen, ofwel liggend in bed, ofwel na het opstaan, wat ze vaak doen om naar de wc te gaan. De abdominale verschijnselen bij slaapsyncope kunnen lijken op de kenmerkende ‘epigastric rising sensation’ bij temporale epilepsie. Maar ook bij een klassieke reflexsyncope kan al een opstijgend gevoel in de buik optreden, en bij slaapsyncope lijken de aandrang tot defecatie en mictie tot de autonome uitingen van de reflex zelf te behoren.3

In vergelijking met klassieke vasovagale syncope gaan aanvallen van slaapsyncope vaker gepaard met ernstige cardio-inhibitie en asystolie en treden ze vaker op bij patiënten in horizontale positie. Hoewel syncope bij een liggende patiënt geldt als cardiaal risicoteken, is dit niet altijd juist; bij syncope geeft de combinatie van verschijnselen de doorslag, niet een enkel symptoom. Waarschijnlijk is slaapsyncope niet zeldzaam; bij personen met klassieke vasovagale syncope treedt soms ook een slaapsyncope op. Waarschijnlijk wordt deze aandoening onvoldoende herkend.

Psychogene pseudosyncope

Bij patiënt B was sprake van een veranderend patroon van de aanvallen. Het debuut van de aanvallen, met onder meer pijn als uitlokkende factor, de prodromen en de ictale verschijnselen passen in feite alleen bij vasovagale syncope.2 Later duurden de aanvallen langer, wat meestal geassocieerd wordt met een gegeneraliseerd insult. Consistent gesloten ogen tijdens bewusteloosheid passen echter noch bij syncope noch bij epilepsie, maar goed bij een psychogene oorzaak.4,5

Deze patiënte bleek 2 aandoeningen tegelijk te hebben: bij de kantelproef werd de vasovagale aanval gevolgd door een psychogene wegraking, ofwel een psychogene pseudosyncope. Dit is een psychiatrische aandoening met uiterlijke kenmerken van bewusteloosheid – de patiënt is bewegingsloos en niet responsief – maar zonder afwijkingen van de bloeddruk, hartslag of het eeg tijdens de episoden. De gesloten ogen en de lange duur van de aanval vormen krachtige argumenten voor de diagnose.6

Vrijwel hetzelfde klinische beeld kan gezien worden bij patiënten met vasovagale syncope en direct aansluitende slaap, maar dit is zeldzaam en komt vrijwel uitsluitend voor bij kinderen onder de 8 jaar.7 Deze mogelijkheid was bij onze patiënte uitgesloten, aangezien het eeg tijdens de uitgelokte aanval niet paste bij slaap maar bij waak. Het optreden van een aanval tijdens de kantelproef staat een zekere diagnose toe, vooral als men gelijktijdig de bloeddruk registreert, een ecg en een eeg maakt en de aanval op video vastlegt. De dubbelpresentatie van een vasovagale plus psychogene variant van syncope is tot op heden zelden beschreven in de literatuur.6 Onze ervaring is dat deze combinatie regelmatig gezien wordt op tertiaire syncopepoliklinieken. Onderzoeken naar het beloop ontbreken vooralsnog.

Etiologie en indeling van syncope

Bij syncope zijn de aanwezigheid en de aard van een uitlokkende factor essentieel voor de diagnose. Bij reflexsyncope worden enkele typen onderscheiden (zie tabel 2): (a) vasovagale syncope bij langdurig staan of bij emotionele stress (angst, pijn); (b) situationele syncope bij specifieke prikkels (hoesten, niezen, lachen, defecatie, slikken, mictie); (c) de sinus-caroticussyncope.2 Hiernaast kan syncope door staan ook optreden via orthostatische hypotensie.

De 3 vormen van orthostatische hypotensie worden ingedeeld naar het tijdstip van optreden: direct na het opstaan (initiële orthostatische hypotensie), binnen 3 min na het opstaan (klassieke orthostatische hypotensie) of bij lang staan (late orthostatische hypotensie, > 3 min na opstaan).8 De snelste bloeddrukveranderingen kunnen alleen worden vastgesteld met continue bloeddrukmetingen, bijvoorbeeld via non-invasieve vingerplethysmografie. De klassieke vorm kan een uiting zijn van schade van het autonome zenuwstelsel – waarbij men onderscheid maakt tussen primair autonoom falen (puur autonoom falen, multipele systeematrofie, ziekte van Parkinson, ‘Lewy body’-dementie) en secundair autonoom falen (bijvoorbeeld diabetes of amyloïdose) –, door medicatie worden uitgelokt of optreden bij volumedepletie.2 Orthostatische hypotensie duidt op een afwijkende bloeddrukregeling, maar is geenszins een bewijs van autonoom falen; het kan asymptomatisch voorkomen bij ouderen.8

Provocatie met kantelproef

Om de oorzaak van wegrakingen te achterhalen is provocatie nuttig, bijvoorbeeld door de patiënt actief te laten opstaan of met een kantelproef (’tilt table test’).2 De essentie van de kantelproef is dat men probeert een aanval op te wekken. De patiënt ligt eerst 10 min plat op de kanteltafel terwijl de bloeddruk en het ecg continu wordt gemeten; in sommige instituten, waaronder het LUMC, wordt hierbij tevens een video-eeg verricht. Daarna wordt, terwijl alle metingen doorgaan, de tafel zo gekanteld dat de patiënt met het hoofd omhoog in een hoek van circa 70° komt te staan, dus vrijwel rechtop.

De beenspieren worden bij het kantelen niet aangespannen, zodat de spierpomp inactief blijft; normaliter draagt die ertoe bij dat in staande houding bloed vanuit de benen terug wordt gepompt naar het hart. Deze houding wordt 20 min volgehouden waarna, als er geen wegraking heeft plaatsgevonden, de patiënt een vaatverwijdend middel krijgt toegediend en nogmaals 20 min wordt gewacht. Als vaatverwijder gebruikt men meestal nitroglycerine 0,4 mg, onder de tong. Het onderzoek wordt gestaakt als een wegraking plaatsvindt, wanneer klachtenherkenning optreedt of de tijd verstreken is.2

Dames en Heren, een incomplete anamnese van een patiënt met syncope kan verwarrend werken, zoals de 2 ziektegeschiedenissen illustreren, vooral als elk symptoom afzonderlijk beoordeeld wordt; de diagnose berust namelijk vrijwel nooit op één symptoom.5,9,10 Het symptoomcomplex kan al vrij snel enkele conflicterende symptomen bevatten en dan het is de kunst voor de clinicus om signaal van ruis te onderscheiden. De diverse elementen in het verhaal van de patiënt staan niet op zichzelf, maar moeten als geheel worden bekeken. Dit is bij uitstek een vaardigheid waarin de expert zich van een beginnend arts onderscheidt.

Waar een niet-expert nog geen referentiekader heeft om de verschillende argumenten af te wegen, kan een expert elk argument stuk voor stuk van een gewicht voorzien. Bij diagnostische twijfel is verwijzing naar een tertiaire syncopepolikliniek dan ook zeker op zijn plaats. Overleg met een expert, bijvoorbeeld via het bestaande syncopenetwerk, kan in een vroeg stadium na afronding van de initiële analyse plaatsvinden. Dit kan tijd besparen en overmatige diagnostiek of zelfs een onnodige behandeling voorkómen.

Literatuur
  1. Thijs RD, Granneman E, Wieling W, van Dijk JG. Gebruikte termen voor ‘voorbijgaande bewusteloosheid’ op de Eerste Hulp; een inventarisatie. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:1625-30 Medline.

  2. Moya A, Sutton R, Ammirati F, et al; Task Force for the Diagnosis and Management of Syncope; European Society of Cardiology (ESC); European Heart Rhythm Association (EHRA); Heart Failure Association (HFA); Heart Rhythm Society (HRS). Guidelines for the diagnosis and management of syncope (version 2009). Eur Heart J. 2009;30:2631-71 doi:10.1093/eurheartj/ehp298. Medline

  3. Busweiler L, Jardine DL, Frampton CM, Wieling W. Sleep syncope: important clinical associations with phobia and vagotonia. Sleep Med. 2010;11:929-33. doi:10.1016/j.sleep.2010.04.013. Medline

  4. Hoefnagels WA, Padberg GW, Overweg J, van der Velde EA, Roos RA. Transient loss of consciousness: the value of the history for distinguishing seizure from syncope. J Neurol. 1991;238:39-43. doi:10.1007/BF00319709 Medline

  5. Thijs RD, Bloem BR, van Dijk JG. Falls, faints, fits and funny turns. J Neurol. 2009;256:155-67. doi:10.1007/s00415-009-0108-y. Medline

  6. Tannemaat MR, van Niekerk J, Reijntjes RH, Thijs RD, Sutton R, van Dijk JG. The semiology of tilt-induced psychogenic pseudosyncope. Neurology. 2013;81:752-8. doi:10.1212/WNL.0b013e3182a1aa88. Medline

  7. Lamberts RJ, Sander JW, Thijs RD. Postictal sleep: syncope or seizure? Seizure. 2011;20:350-1. doi:10.1016/j.seizure.2010.12.018. Medline

  8. van Dijk JG, Thijs RD. Het meten van orthostatische hypotensie. Tijdschr Neurol Neurochir. 2014;115:43-46.

  9. Wieling W, Thijs RD, van Dijk N, Wilde AA, Benditt DG, van Dijk JG. Symptoms and signs of syncope: a review of the link between physiology and clinical clues. Brain. 2009;132:2630-42. doi:10.1093/brain/awp179 Medline

  10. Thijs RD, Wagenaar WA, Middelkoop HA, Wieling W, van Dijk JG. Transient loss of consciousness through the eyes of a witness. Neurology. 2008;71:1713-8. doi:10.1212/01.wnl.0000335165.68893.b0 Medline

Auteursinformatie

Medisch Centrum Haaglanden (MCH), afd. Neurologie, Den Haag.

Drs. M.J. Overdijk, aios neurologie (tevens LUMC, Leiden).

Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), afd. Neurologie, Leiden.

Drs. D.P. Saal, aios neurologie; dr. R.D. Thijs, neuroloog-klinisch neurofysioloog (tevens: Stichting Epilepsie Instellingen Nederland (SEIN), Heemstede); prof.dr. J.G. van Dijk, neuroloog-klinisch neurofysioloog.

Contact prof.dr. J.G. van Dijk (j.g.van_dijk@lumc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: ICMJE-formulieren zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
M.J. (Jolein) Overdijk ICMJE-formulier
Dirk P. Saal ICMJE-formulier
Roland D. Thijs ICMJE-formulier
J.G. (Gert) van Dijk ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties