Onhandig
Open

Redactioneel
04-03-2009
Joost Zaat

Je kunt heel goed lang huisarts zijn en je toch een beetje onhandig voelen. Veel specialisten verdienen en genezen met hun handen, maar ik doe dat voornamelijk met mijn oren en mijn mond. Spoedeisende zorg is wel aardig, maar als er veel techniek bij komt kijken, heb ik al snel het gevoel dat ik te weinig ervaring heb. Een kwarteeuw in het vak is niet voldoende om me een beetje zekerheid te geven. Voor leuke nieuwe elektronische gadgets ben ik meestal wel in, maar een echogeleid perifeer infuus (bl. 430) of een botnaald (bl. 444) zie ik me in de huisartsenpraktijk nog niet snel gebruiken.

Het is druk in mijn dienst, en ik ben bij een 61-jarige vrouw met wat pijn op de borst en kortademigheid. Haar klachten passen overal en toch weer nergens specifiek bij. Ze heeft diabetes en hypertensie sinds 3 jaar en is fors te zwaar. Zelf vindt ze alle commotie onzin, maar haar man en dochter maken zich ongerust. Ik wik en weeg, en besluit uiteindelijk op mijn ‘niet-pluis’-gevoel haar toch door te verwijzen. Volgens het protocol bel ik eerst de ambulance. Daarna hoor ik een waakinfuus in te brengen. Ik zie slechts één heel dun vaatje en doe dus niets. Per slot van rekening deed ik dat ook niet toen ik nog niet rondreed in een auto met zwaailicht, voorzien van alle mogelijke spullen. De kans om goed te doen weegt nu niet op tegen de kans haar enige vat te verknallen.

Kern van dit probleem is het onderhouden van vaardigheden en het toepassen van die vaardigheden in moeilijke omstandigheden. Want het is heel wat anders om een infuus aan te leggen bij een adipeuze patiënt in het schemerdonker en aan de verkeerde kant van het bed, dan om hetzelfde te doen in een mooi ‘skills lab’.

Volgens de nieuwe herregistratie-eisen hoef ik nog maar 25 uur per jaar dienst te doen; dat zijn 5 avonddienstjes per jaar. Op die manier onderhoud ik vaardigheden als deze dus nooit, laat staan dat ik iets nieuws zoals het plaatsen van zo’n botnaald goed in de vingers krijg.

Terecht ziet de inspectie toe op bijvoorbeeld laparoscopische vaardigheden bij chirurgen, maar hoe gaan we als beroepsgroep de kwaliteit van deze ‘kleine technieken’ waarborgen?