Nitrofurantoïne minder effectief bij patiënten met een verminderde nierfunctie*

Onderzoek
Dubbelpublicatie
Thijs ten Doesschate
Eva van Haren
Rixt A. Wijma
Birgit C.P. Koch
Marc J.M. Bonten
Cornelis H. van Werkhoven
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2020;164:D5087
Abstract

Samenvatting

Doel

Bepaling van het effect van de nierfunctie op het risico op therapiefalen bij gebruik van nitrofurantoïne, fosfomycine of trimethoprim bij patiënten met cystitis.

Opzet

Retrospectieve gegevensanalyse.

Methode

Uit Nederlandse huisartspraktijken werden gegevens verkregen over antibiotica voorgeschreven aan patiënten met cystitis in de periode januari 2013-juni 2019. Bij behandeling met nitrofurantoïne gedurende 5 dagen (NF5), eenmalig fosfomycine/trometamol (FT1) of trimethoprim gedurende 3 dagen (TMP3) bij niet-zwangere vrouwen (> 11 jaar) ging het om episodes van ongecompliceerde cystitis, en bij behandeling gedurende 7 dagen met nitrofurantoïne (NF7) of trimethoprim (TMP7) om gecompliceerde cystitis. Therapiefalen was gedefinieerd als een tweede antibioticumvoorschrift voor een urineweginfectie binnen 28 dagen. Logistische regressieanalyse werd toegepast met correctie voor demografische gegevens, comorbiditeit en urineweginfectie in de voorgeschiedenis.

Resultaten

Elke daling in de nierfunctie met 10 ml/min verhoogde het risico op therapiefalen bij gebruik van NF5 (gecorrigeerde oddsratio (aOR): 1,05; 95%-BI: 1,01-1,09) en NF7 (aOR: 1,05; 1,02-1,09), maar niet bij gebruik van FT1 (aOR: 0,96; 0,92-1,01), TMP3 (aOR: 0,98; 0,89-1,08) of TMP7 (aOR: 1,02; 0,93-1,14). In de groep patiënten met ongecompliceerde cystitis en een eGFR ≥ 60 ml/min trad therapiefalen op bij 14,6% van de episodes na NF5 tegenover 20,7% na FT1 (aOR FT1 vs. NF5: 1,37; 1,18-1,59) en 20,8% na TMP3 (aOR vs. NF5: 1,42; 1,07-1,87). In de groep met een eGFR < 60 ml/min resulteerde behandeling met FT1 bij 16,0% van de patiënten in therapiefalen en met NF5 bij 23,3% van de patiënten (aOR: 0,61; 0,39-0,95).

Conclusie

Bij patiënten met ongecompliceerde cystitis en een niet-afwijkende nierfunctie resulteert behandeling met fosfomycine of trimethoprim vaker in therapiefalen dan behandeling met nitrofurantoïne, terwijl bij patiënten met een eGFR < 60 ml/min nitrofurantoïne vaker therapiefalen geeft dan fosfomycine. Als de nierfunctie bekend is, moet deze worden meegenomen in de besluitvorming over de behandeling van cystitis.

Auteursinformatie

UMC Utrecht, Utrecht, Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijnszorg: drs. T. ten Doesschate, aios interne geneeskunde; dr. C.H. van Werkhoven, arts en klinisch epidemioloog; afd. Medische Microbiologie en Infectieziekten: prof.dr. M.J.M. Bonten, arts-microbioloog. Erasmus MC, afd. Medische Microbiologie en Infectieziekten, Rotterdam: drs. E. van Haren, apotheker; dr. R.A. Wijma, apotheker (tevens: Ziekenhuisapotheek); Ziekenhuisapotheek: dr. B.C.P. Koch, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog.

Contact T. ten Doesschate (t.tendoesschate@umcutrecht.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: er zijn mogelijke belangen gemeld bij dit artikel. ICMJE-formulieren met de belangenverklaring van de auteurs zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Verantwoording

De eerste twee auteurs leverden een gelijke bijdrage aan dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Thijs ten Doesschate ICMJE-formulier
Eva van Haren ICMJE-formulier
Rixt A. Wijma ICMJE-formulier
Birgit C.P. Koch ICMJE-formulier
Marc J.M. Bonten ICMJE-formulier
Cornelis H. van Werkhoven ICMJE-formulier
Welk antibioticum bij cystitis?
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Huisartsgeneeskunde

Gerelateerde artikelen

Reacties