Nieuwe ontwikkelingen in behandeling en revalidatie bij hoofd-halskanker

Klinische praktijk
A.J. (Jacqueline) Timmermans
Michiel W.M. van den Brekel
Lisette van der Molen
Arash Navran
Theo F. Nijssen
Frans J.M. Hilgers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5059
Abstract
Download PDF

Samenvatting

  • Hoofd-halskanker is relatief zeldzaam: in Nederland worden jaarlijks ruim 2600 nieuwe patiënten geregistreerd.

  • De behandeling is gecentraliseerd en wordt feitelijk alleen uitgevoerd in erkende centra van de Nederlandse Werkgroep Hoofd-HalsTumoren (NWHHT).

  • Hoewel de overleving slechts marginaal is verbeterd, is de behandeling de afgelopen jaren wel veranderd. Deze behandeling is steeds meer gericht op orgaan- en functiebehoud.

  • De gevolgen van zowel de tumor als de behandeling kunnen het functioneren en de kwaliteit van leven van een patiënt nadelig beïnvloeden. Het is dan ook noodzakelijk om na de behandeling voldoende aandacht te besteden aan de revalidatie van deze patiënten.

  • Recentelijk heeft het Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in samenwerking met revalidatiecentrum Reade een speciaal hoofd-halsrevalidatieprogramma ontwikkeld. Dit programma staat ook ter beschikking van de andere centra die zijn aangesloten bij de NWHHT.

In de periode 2000-2010 werden in Nederland jaarlijks gemiddeld 2640 nieuwe patiënten met hoofd-halskanker gediagnosticeerd (tabel 1). Hierbij werden huidtumoren en schildkliercarcinomen niet meegerekend. De incidentie steeg van 2483 tumoren in 2000 naar 2857 in 2010. De meeste zijn mondholtecarcinomen (ongeveer 880), gevolgd door larynxcarcinomen (ongeveer 700). Patiënten met hoofd-halskanker hebben een verhoogd risico op gelijktijdige (synchrone) of later ontwikkelde (metachrone) 2e primaire tumoren in het hoofd-halsgebied en in de longen.1

Figuur 1

De belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van hoofd-halskanker zijn langdurig nicotine- en alcoholgebruik.2 De combinatie van beide factoren en een familiale predispositie verhogen dit risico nog meer. Daarnaast is duidelijk geworden dat het humaan papillomavirus (HPV) een steeds grotere rol speelt bij het ontstaan van orofarynxcarcinomen.3 Het nasofarynxcarcinoom is zeldzaam in Nederland. De ongedifferentieerde vorm van het nasofarynxcarcinoom dat gerelateerd is aan infecties met het Epstein-Barr-virus, komt hier echter vaker voor sinds de instroom van migranten uit China, Indonesië en de landen rond de Middellandse Zee.4

Hoofd-halskanker wordt vaker bij mannen dan bij vrouwen gediagnosticeerd en vooral na het 50e levensjaar. Omdat mannen en vrouwen vooral steeds meer eenzelfde leefstijl hebben wat betreft rook- en drinkgedrag, beginnen de incidentiecurven ook meer op elkaar te lijken. De incidentie van het larynxcarcinoom is met 15% afgenomen doordat mannen minder roken. Het aantal mondholte- en orofarynxcarcinomen neemt wel toe door de vergrijzing en door een toename van het aantal HPV-gerelateerde orofarynxcarcinomen bij jongere patiënten.3 Helaas worden nog veel hoofd-halstumoren pas in een vergevorderd stadium (T3 of T4, N+) gediagnosticeerd, afhankelijk van de locatie. Dit komt omdat de symptomen niet goed worden herkend.

In dit artikel beschrijven we kort de behandelmogelijkheden voor patiënten met hoofd-halskanker en de morbiditeit die het gevolg is van de tumor en van de behandeling ervan. Vervolgens bespreken we een aantal vernieuwende revalidatiemogelijkheden en het recent ontwikkelde multidisciplinaire revalidatieprogramma.

Behandelmogelijkheden

De opkomst van chemoradiatie, laserchirurgie, robotchirurgie en fotodynamische therapie heeft het aantal behandelingsmogelijkheden en behandelcombinaties vergroot. De belangrijkste verandering is de tendens om te starten met radiotherapie, met name bij orofarynx- en larynxcarcinomen. Vroeger werden uitgebreide tumoren, vooral die in de larynx of de oro- en hypofarynx, behandeld met chirurgie gevolgd door radiotherapie. Tegenwoordig wordt echter vaker gekozen voor een orgaansparende combinatiebehandeling van chemo- en radiotherapie.5 Hoewel dit mogelijk heeft geleid tot een slechtere prognose bij het vergevorderde larynxcarcinoom, is de overleving bij grote oro- en hypofarynxcarcinomen waarschijnlijk verbeterd.6-8

De radiotherapeutische behandelingen zijn sterk verbeterd in de afgelopen jaren. Door de opkomst van ‘intensity-modulated radiation therapy’ en ‘image-guided radiation therapy’ kan veel gerichter bestraald worden, waarbij belangrijke structuren zoals speekselklieren en slikspieren, meer gespaard kunnen worden. Overigens staat image-guided-radiotherapie nog in de kinderschoenen en wordt deze techniek niet regulier toegepast. Ook zijn de bestralingsschema’s effectiever geworden door een verkorting van de behandelduur bij een gelijkblijvende dosis. Dit gebeurt door het geven van dezelfde dosis in minder tijd (acceleratie) of van meerdere fracties per dag (hyperfractionatie).

Voor kleinere tumoren, bijvoorbeeld een larynxcarcinoom (T1), wordt vaker gekozen voor primaire functiesparende chirurgie met een CO2-laser. Bij oppervlakkige tumoren is fotodynamische therapie met behulp van een fotosensitizer een goed alternatief.9 Daarnaast wordt ook in het hoofd-halsgebied gekeken naar de toegevoegde waarde vantransorale robotchirurgie.10 Wanneer een halsklierdissectie nodig is, wordt in toenemende mate gekozen voor een sparende, selectieve halsklierdissectie in plaats van de radicale vorm, waardoor minder schouderklachten ontstaan.11

Morbiditeit door tumor en behandeling

De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de kwaliteit van leven van patiënten met hoofd-halskanker. De bovenste lucht- en voedselwegen en het aangezicht zijn belangrijk voor vitale functies als ademhalen, ruiken, slikken, kauwen, stemgeving en articulatie en voor het zelfbeeld van de patiënt. Verstoring van de anatomie en functie van structuren in dit gebied kunnen dan ook ernstige gevolgen hebben. Hierbij staan problemen met eten en drinken (dysfagie), communicatie problemen, cosmetische problemen en sociale isolatie op de voorgrond.

Chirurgie brengt vrijwel altijd functionele schade toe. Bij uitgebreide resecties waar bijvoorbeeld een groot deel van de tong of het gehele strottenhoofd (totale laryngectomie) wordt verwijderd, is de functionele schade in de vorm van articulatieproblemen, slikproblemen of abnormale stemgeving het grootst.

Hoewel bij een groot deel van de patiënten de anatomie intact kan worden gelaten bij radiotherapie en chemoradiatie, betekent dit helaas niet dat er ook altijd behoud van functie is. Zo bleek bijvoorbeeld in een recente studie van het Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) dat 5 jaar na behandeling met radiotherapie of chemoradiatie nog circa 10% van de patiënten afhankelijk is van sondevoeding. Circa 50% van de patiënten had blijvende slikproblemen en kon geen normaal dieet gebruiken. Ook de smaak was bij 33% na 5 jaar nog niet genormaliseerd.12 Er zijn nooit goede vergelijkende studies gedaan naar chirurgie gecombineerd met postoperatieve radiotherapie en chemoradiatie. Echter, uit de literatuur kan wel gededuceerd worden dat de combinatie van chirurgie en radiotherapie bij meer patiënten blijvende slik- en articulatieproblemen veroorzaakt en dat deze problemen verlies van werk betekenen.

Revalidatiemogelijkheden

Slikrevalidatie na chemoradiatie en chirurgie

Een van de belangrijkste problemen voor deze groep patiënten zijn slikproblemen. Het slikmechanisme kan nadelig beïnvloed worden door weefselschade (door zowel de tumor als de behandeling), fibrose, mucositis, xerostomie en pijn tijdens en na de behandeling; dit kan vervolgens weer leiden tot atrofie van de slikspieren doordat deze niet gebruikt worden.13 Het gericht verminderen van de dosis radiotherapie op de slik- en kauwspieren lijkt niet voldoende om deze morbiditeit helemaal te voorkomen.14

Met reconstructieve chirurgie kunnen helaas ook niet alle functionele gevolgen van ablatieve chirurgie hersteld worden. Meerdere studies hebben inmiddels sterke aanwijzingen gegeven dat al dan niet preventieve, intensieve logopedische oefentherapie toegevoegde waarde heeft.15-17 Het trainen van de slik- en kauwspieren – ook tijdens de behandeling – kan de langetermijngevolgen beperken. In veel centra wordt slikrevalidatie routinematig uitgevoerd, waarbij de betrokkenheid van de diëtiste van groot belang is. Deze slikrevalidatie richt zich op de preventie van de door de behandeling geïnduceerde problemen met behulp van compensatietechnieken, slikstrategieën en slikoefeningen.

Revalidatie na totale laryngectomie

Spraakrevalidatie Er zijn 3 manieren van spraakrevalidatie na totale laryngectomie: slokdarm-, elektrolarynx- of stemprothesespraak. Beluister hieronder de 3 geluidsfragmenten.

 

Slokdarmspraak


 
Elektrolarynxspraak

 
Stemprothesespraak

 

Slokdarmspraak is moeilijk aan te leren en slechts ongeveer de helft van de patiënten slaagt hierin. De methode werd in Nederland al in 1925 uitvoerig bestudeerd en is later internationaal gepropageerd; daarom wordt deze ook wel de ‘Dutch method’ genoemd.18-20 De patiënt wordt geleerd om lucht in de slokdarm te injecteren en de lucht daarna weer naar boven te werken. Deze lucht brengt dan het slijmvlies in de farynx in trilling. Met het geluid dat zo ontstaat kan de patiënt weer spreken. Een nadeel van deze methode is dat slechts circa 80 ml lucht beschikbaar is, waardoor de fonatieduur vrij kort is (1-2 s vergeleken met 20 s bij ‘normale’ spraak). Daarnaast duurt het vaak vele maanden voordat de patiënt de methode beheerst, wat veel logopedische begeleiding en inspanning vergt en tot frustraties bij de patiënt kan leiden. Het voordeel is dat de patiënt geen hulpmiddelen nodig heeft om te kunnen spreken.

De 2e methode is elektrolarynxspraak. Een elektrolarynx is een apparaat dat geluid produceert dat via de huid van de hals aan de keelholte wordt doorgegeven. Met dit geluid kan de patiënt door te articuleren weer spreken. Deze methode is vaak eenvoudig aan te leren, maar een nadeel is dat de stem erg monotoon en robotachtig klinkt. In Nederland wordt elektrolarynxspraak dan ook vooral als reservemethode ingezet.

In de meeste ontwikkelde landen heeft stemprothesespraak tegenwoordig de voorkeur. Bij deze vorm van spraakrevalidatie wordt een stemprothese (een eenrichtingsventiel) tussen trachea en oesofagus geplaatst (figuur 1). Hierdoor kan wel lucht uit de longen via de stemprothese naar de keel stromen, terwijl het voedsel niet in de luchtpijp kan komen. Deze luchtstroom brengt net als bij de slokdarmspraak het slijmvlies in de farynx in trilling, waardoor het stemgeluid ontstaat; dit wordt tracheo-oesofageale spraak genoemd. Nadat Mozolewski de techniek had ontwikkeld in Polen, populariseerden Blom en Singer haar in de Verenigde Staten.21,22 Nederland heeft een vooraanstaande rol gespeeld in de ontwikkeling van stemprotheses. Begin jaren 80 van de vorige eeuw werd in Groningen de Groninger-prothese ontwikkeld, die voor het eerst permanent in de fistel kon worden gelaten. In Nederland zijn daarna nog diverse andere protheses ontwikkeld, waarvan de Provox-prothese nu wereldwijd de meest gebruikte is.23 Een nadeel van stemprothesespraak is dat het stoma met een vinger moet worden afgesloten, waardoor de patiënt als het ware naar zijn handicap wijst tijdens het spreken. Inmiddels zijn er ook automatische spreekkleppen die voor het stoma of op een canule geplaatst kunnen worden, waardoor een deel van de patiënten nu ook zonder handen kan spreken.24

Figuur 2

Luchtwegrevalidatie Na een laryngectomie is de gehele luchtwegfysiologie ingrijpend veranderd. De patiënt ademt door een stoma, waardoor de bovenste luchtweg is kortgesloten en de lucht die in de longen terechtkomt niet meer eerst wordt opgewarmd, bevochtigd en gefilterd in de neus en farynx. Dit leidt tot longproblemen, zoals chronisch hoesten, excessieve sputumproductie en tracheïtis, en ook tot chronische vermoeidheid en verminderde sociale contacten. De toepassing van warmte- en vochtwisselende filters kan deze problemen aanzienlijk beperken (figuur 2),25 en de kwaliteit van leven en de stem verbeteren. De laatste jaren is veel onderzoek gedaan naar het optimaliseren van deze filters en is de capaciteit van luchtbevochtiging aanzienlijk verbeterd.26

Figuur 3

Reukrevalidatie Een ander gevolg van het ademhalen door een stoma is dat de patiënt niet meer op de normale manier passief kan ruiken, omdat de daarvoor noodzakelijke luchtstroom door de neus ontbreekt. In het NKI-AVL is een techniek ontwikkeld, waarmee een voldoende luchtstroom in de neus kan worden gegenereerd en actief ruiken voor de meeste gelaryngectomeerde patiënten weer mogelijk wordt.27 De patiënt laat met gesloten lippen snel en repeterend de tong en mondbodem zakken (een soort ‘beleefde’ gaap- of kauwbeweging), waardoor een luchtstroom in de neus wordt opgewekt.28

Een gunstig aspect bij de revalidatie van patiënten met hoofd-halskanker in Nederland is dat er 2 actieve patiëntenverenigingen zijn: de patiëntenvereniging voor stembandlozen, de Nederlandse Stichting voor Gelaryngectomeerden, en voor andere patiënten met hoofd-halskanker is er de Stichting Klankbord. Deze verenigingen bevorderen onder andere het lotgenotencontact en zijn vaak betrokken bij pre- en postoperatieve counseling van patiënten.

Revalidatie van hals en schoudergordel

Na een halsklierdissectie, en in mindere mate na chemoradiatie, bestaat er een grote kans op nek- en schouderklachten, zoals krachtsverlies, pijn in de schouderregio en een mobiliteitsbeperking. Naarmate de halsklierdissectie uitgebreider is, neemt de prevalentie van deze klachten toe. Als de N. accessorius in de dissectie is meegenomen, is de kans op pijn en disfunctie groter dan wanneer de zenuw gespaard blijft.11 De fysiotherapeut kan door middel van oefeningen en instructies de schouderfunctie verbeteren en de pijn verminderen. Met ergonomische adviezen kan de ergotherapeut de belemmeringen en pijn tijdens dagelijkse activiteiten zoveel mogelijk beperken.

Multidisciplinair revalidatieprogramma

De behandeling van patiënten met hoofd-halskanker kenmerkt zich door een grote variëteit en complexiteit van problemen waarvoor specifieke kennis en vaardigheden zijn vereist. Een team van behandelaren op medisch, paramedisch en verpleegkundig gebied is bij de behandeling betrokken; de behandeling is dan ook bij uitstek geschikt voor een multidisciplinaire aanpak. Het Integraal Kankercentrum Nederland heeft een richtlijn ‘Oncologische Revalidatie’ opgesteld in 2011, waarvan het concept nu online staat.29 Vooruitlopend hierop ontwikkelden het NKI-AVL en Reade, een centrum voor revalidatie en reumatologie, in de periode 2009-2010 een multidisciplinair hoofd-halsrevalidatie(HHR)-programma (het programma is te downloaden op: www.nki.nl/Ziekenhuis/Patienten/Kanker+en+Behandeling/Soorten+kanker/HoofdHalskanker.htm).

Dit HHR-programma is waar mogelijk wetenschappelijk onderbouwd en kent een aantal behandelmodules. Alle patiënten die behandeld zijn of worden voor hoofd-halskanker en bij wie sprake is van meervoudig complexe problematiek komen voor het programma in aanmerking. Na screening door de revalidatiearts en de casemanager worden patiënten aangemeld voor behandeling in het team. Vóór, tijdens en na de behandeling wordt een aantal geprotocolleerde metingen verricht. De betrokken behandelaren vergaderen wekelijks, waarbij per patiënt doelen worden gesteld en aangescherpt (tabel 2). Afhankelijk van het ziektebeloop vindt de gehele behandeling plaats in het NKI-AVL of volgt overdracht naar behandelaren in de eerste lijn.

Figuur 4

Problemen die veelvuldig worden behandeld zijn slikproblemen, stem- of spraakproblemen, conditieverlies, schouderklachten, gewichtsafname, beperkingen tijdens dagelijkse activiteiten en problemen in de omgang met de ziekte. Daarnaast is er speciale aandacht voor vermoeidheid, een veelvoorkomend probleem bij deze groep patiënten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen fysieke en mentale aspecten van vermoeidheid. Bij fysieke vermoeidheid, waarbij de energieverdeling vaak een probleem is, kunnen de fysio- en ergotherapeut de patiënt begeleiden met training en adviezen. In geval van mentale vermoeidheid, bijvoorbeeld bij een onderliggende depressie, wordt de psycholoog of psychiater bij de behandeling betrokken. Deze kan ook andere psychosociale klachten en eventuele neuropsychologische functiestoornissen gerelateerd aan de behandeling inventariseren.

Het HHR-programma van het NKI-AVL en Reade is in 2010 door DBC-Onderhoud, een organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwikkelen en onderhouden van het DBC-systeem, erkend als multidisciplinaire revalidatie en valt daarmee onder de basisverzekering. Daardoor wordt dit programma sinds 2011 structureel gefinancierd door de zorgverzekeraars. Dit lijkt ook haalbaar voor de andere centra die bij de Nederlandse Werkgroep Hoofd-HalsTumoren zijn aangesloten; een aantal daarvan is al actief bezig met de implementatie van het programma.

Conclusie

Er is steeds meer aandacht voor revalidatie en het beperken van bijwerkingen van de behandeling bij patiënten met hoofd-halskanker. De recente ontwikkeling van evidencebased richtlijnen voor deze revalidatie is daarbij van groot belang. Het implementeren van een gestructureerd multidisciplinair revalidatieprogramma door oncologische centra die zijn aangesloten bij de Nederlandse Werkgroep Hoofd-HalsTumoren in samenwerking met een revalidatiekliniek kan een grote aanwinst zijn voor de hoofd-halskankerzorg in Nederland.

Leerpunten

  • De demografie van hoofd-halskanker is de laatste jaren veranderd: de incidentie van het larynxcarcinoom is afgenomen en het aantal mondholte- en orofarynxcarcinomen is toegenomen.

  • De behandeling van hoofd-halskanker is steeds meer gericht op het behouden van de orgaanfunctie en de levenskwaliteit.

  • Het Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis en revalidatiecentrum Reade hebben een speciaal multidisciplinair hoofd-halsrevalidatieprogramma ontwikkeld dat gericht is op de verdere verbetering van de kwaliteit van leven van patiënten met hoofd-halskanker.

Literatuur
  1. Priante AV, Castilho EC, Kowalski LP. Second primary tumors in patients with head and neck cancer. Curr Oncol Rep. 2011;13:132-7.

  2. De Bruin-Visser JC, Ackerstaff AH, Rehorst H, Retel VP, Hilgers FJ. Integration of a smoking cessation program in the treatment protocol for patients with head and neck and lung cancer. Eur Arch Otorhinolaryngol. 2012;269:659-65 Medline. doi:10.1007/s00405-011-1673-0

  3. Ang KK, Sturgis EM. Human papillomavirus as a marker of the natural history and response to therapy of head and neck squamous cell carcinoma. Semin Radiat Oncol. 2012;22:128-42 Medline. doi:10.1016/j.semradonc.2011.12.004

  4. Visser O, van Leeuwen FE. Cancer risk in first generation migrants in North-Holland/Flevoland, The Netherlands, 1995-2004. Eur J Cancer. 2007;43:901-8 Medline. doi:10.1016/j.ejca.2006.12.010

  5. Revisie richtlijn ‘Larynxcarcinoom’. Bunnik: Nederlandse Werkgroep Hoofd-HalsTumoren; 2007. Link

  6. Chen AY, Halpern M. Factors predictive of survival in advanced laryngeal cancer. Arch Otolaryngol Head Neck Surg. 2007;133:1270-6 Medline. doi:10.1001/archotol.133.12.1270

  7. Carvalho AL, Nishimoto IN, Califano JA, Kowalski LP. Trends in incidence and prognosis for head and neck cancer in the United States: a site-specific analysis of the SEER database. Int J Cancer. 2005;114:806-16 Medline. doi:10.1002/ijc.20740

  8. Dziegielewski PT, O’Connell DA, Klein M, et al. Primary total laryngectomy versus organ preservation for T3/T4a laryngeal cancer: a population-based analysis of survival. J Otolaryngol Head Neck Surg. 2012;41(Suppl 1):S56-64 Medline.

  9. Karakullukcu B, Stoker SD, Wildeman AP, Copper MP, Wildeman MA, Tan IB. A matched cohort comparison of mTHPC-mediated photodynamic therapy and trans-oral surgery of early stage oral cavity squamous cell cancer. Eur Arch Otorhinolaryngol. 2012 (epub) Medline. doi:10.1007/s00405-012-2104-6

  10. Weinstein GS, O’Malley BW Jr, Snyder W, Hockstein NG. Transoral robotic surgery: supraglottic partial laryngectomy. Ann Otol Rhinol Laryngol. 2007;116:19-23 Medline.

  11. Robbins KT, Doweck I, Samant S, Vieira F. Effectiveness of superselective and selective neck dissection for advanced nodal metastases after chemoradiation. Arch Otolaryngol Head Neck Surg. 2005;131:965-9 Medline. doi:10.1001/archotol.131.11.965

  12. Ackerstaff AH, Rasch CR, Balm AJ, et al. Five-year quality of life results of the randomized clinical phase III (RADPLAT) trial, comparing concomitant intra-arterial versus intravenous chemoradiotherapy in locally advanced head and neck cancer. Head Neck. 2012;34:974-80 Medline. doi:10.1002/hed.21851

  13. Rosenthal DI, Lewin JS, Eisbruch A. Prevention and treatment of dysphagia and aspiration after chemoradiation for head and neck cancer. J Clin Oncol. 2006;24:2636-43 Medline. doi:10.1200/JCO.2006.06.0079

  14. Eisbruch A, Schwartz M, Rasch C, et al. Dysphagia and aspiration after chemoradiotherapy for head-and-neck cancer: which anatomic structures are affected and can they be spared by IMRT? Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2004;60:1425-39 Medline. doi:10.1016/j.ijrobp.2004.05.050

  15. Kulbersh BD, Rosenthal EL, McGrew BM, et al. Pretreatment, preoperative swallowing exercises may improve dysphagia quality of life. Laryngoscope. 2006;116:883-6 Medline. doi:10.1097/01.mlg.0000217278.96901.fc

  16. Carnaby-Mann G, Crary MA, Schmalfuss I, Amdur R. ‘Pharyngocise’: randomized controlled trial of preventative exercises to maintain muscle structure and swallowing function during head-and-neck chemoradiotherapy. Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2012;83:210-9 Medline. doi:10.1016/j.ijrobp.2011.06.1954

  17. Van der Molen L, van Rossum MA, Burkhead LM, Smeele LE, Rasch CR, Hilgers FJ. A randomized preventive rehabilitation trial in advanced head and neck cancer patients treated with chemoradiotherapy: feasibility, compliance, and short-term effects. Dysphagia. 2011;26:155-70 Medline. doi:10.1007/s00455-010-9288-y

  18. Burger H, Kaiser L. Speech without a larynx. Acta Otolaryngol. 1925;8:90-116. doi:10.3109/00016482509118215

  19. Damsté PH. Oesophageal speech after laryngectomy [proefschrift]. Groningen: Universiteit Groningen; 1958.

  20. Moolenaar-Bijl A. The importance of certain consonants in esophageal voice after laryngectomy. Ann Otol Rhinol Laryngol. 1953;62:979-89 Medline.

  21. Mozolewski E, Zietek E, Jach K. Surgical rehabilitation of voice and speech after laryngectomy. Pol Med Sci Hist Bull. 1973;15:373-7 Medline.

  22. Singer MI, Blom ED. An endoscopic technique for restoration of voice after laryngectomy. Ann Otol Rhinol Laryngol. 1980;89:529-33 Medline.

  23. Hilgers FJ, Schouwenburg PF. A new low-resistance, self-retaining prosthesis (Provox) for voice rehabilitation after total laryngectomy. Laryngoscope. 1990;100:1202-7 Medline. doi:10.1288/00005537-199011000-00014

  24. Hilgers FJ, Ackerstaff AH, Van As CJ, Balm AJ, Van den Brekel MW, Tan IB. Development and clinical assessment of a heat and moisture exchanger with a multi-magnet automatic tracheostoma valve (Provox FreeHands HME) for vocal and pulmonary rehabilitation after total laryngectomy. Acta Otolaryngol. 2003;123:91-9 Medline. doi:10.1080/0036554021000028083

  25. Ackerstaff AH, Hilgers FJ, Aaronson NK, et al. Heat and moisture exchangers as a treatment option in the post-operative rehabilitation of laryngectomized patients. Clin Otolaryngol Allied Sci. 1995;20:504-9 Medline. doi:10.1111/j.1365-2273.1995.tb01589.x

  26. Scheenstra RJ, Muller SH, Vincent A, Ackerstaff AH, Jacobi I, Hilgers FJ. A new heat and moisture exchanger for laryngectomized patients: endotracheal temperature and humidity. Respir Care. 2011;56:604-11 Medline. doi:10.4187/respcare.00810

  27. Hilgers FJ, Van Dam FS, Keyzers S, Koster MN, Van As CJ, Muller MJ. Rehabilitation of olfaction after laryngectomy by means of a nasal airflow-inducing maneuver: the “polite yawning” technique. Arch Otolaryngol Head Neck Surg. 2000;126:726-32 Medline.

  28. Hilgers FJ, Jansen HA, Van As CJ, Polak MF, Muller MJ, Van Dam FS. Long-term results of olfaction rehabilitation using the nasal airflow-inducing (“polite yawning”) maneuver after total laryngectomy. Arch Otolaryngol Head Neck Surg. 2002;128:648-54 Medline.

  29. Conceptrichtlijn ‘Oncologische revalidatie’. Utrecht: Integraal Kankercentrum Nederland; 2011. Link

Auteursinformatie

Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Amsterdam.

Afd. Hoofd-Halsoncologie en -Chirurgie: drs. A.J. Timmermans, arts-onderzoeker; prof.dr. M.W.M. van den Brekel en prof.dr. F.J.M. Hilgers, kno-artsen en hoofd-halschirurgen (beiden tevens: UvA, Instituut voor Fonetische Wetenschappen/Amsterdam Center for Language and Communication, Amsterdam, en AMC, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Amsterdam); dr. L. van der Molen, klinisch linguïst en logopedist.

Afd. Radiotherapie: drs. A. Navran, radiotherapeut.

Afd. Revalidatiegeneeskunde: drs. T.F. Nijssen, revalidatiearts (tevens: Reade, Amsterdam, en Slotervaartziekenhuis, afd. Revalidatiegeneeskunde, Amsterdam).

Contact prof.dr. M.W.M. van den Brekel (m.vd.brekel@nki.nl)

Verantwoording

Liset Lansaat, onderzoekscoördinator NKI-AVL, leverde een bijdrage aan de totstandkoming van dit artikel.
Belangenconflict: het instituut waar M.W.M. van den Brekel en F.J.M. Hilgers werkzaam zijn ontving een onafhankelijk onderzoekssubsidie van Atos Medical. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 12 augustus 2012

Auteur Belangenverstrengeling
A.J. (Jacqueline) Timmermans ICMJE-formulier
Michiel W.M. van den Brekel ICMJE-formulier
Lisette van der Molen ICMJE-formulier
Arash Navran ICMJE-formulier
Theo F. Nijssen ICMJE-formulier
Frans J.M. Hilgers ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties