CBO-richtlijn 'Larynxcarcinoom'

Klinische praktijk
G.J. Hordijk
J.H.A.M. Kaanders
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:998-4
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Met de richtlijn ‘Larynxcarcinoom’ wordt beoogd bestaande verschillen in behandelingsinzichten omtrent de diverse stadia van het larynxcarcinoom op te heffen.

- Voor het diagnostisch traject zijn voor beeldvorming en verslaglegging aangaande het biopt strikte kwaliteitseisen opgesteld om patiënten zo goed mogelijk in een prognostische categorie te kunnen plaatsen.

- Gelet op mogelijke vervolgbehandelingen is voor ernstige dysplasie/carcinoma in situ een chirurgische behandeling de eerste optie, bij voorkeur een laserbehandeling. Voor alle overige stadia wordt een larynxsparend beleid door middel van radiotherapie voorgesteld.

- Slechts indien van radiotherapie onvoldoende soelaas wordt verwacht bij volumineuze tumoren met invasie door het larynxskelet is chirurgisch ingrijpen de primaire behandeling.

- Revalidatie en begeleiding dienen aan vastgelegde minimumeisen te voldoen.

- Gezien de zeldzaamheid van de ziekte en de complexiteit van de behandeling dient een patiënt met een larynxcarcinoom minstens eenmaal in een hoofd-halscentrum te worden gezien.

Zie ook het artikel op bl. 985.

Hoofd-halstumoren zijn relatief zeldzaam en de betreffende patiënten worden mede vanwege de complexiteit van de diagnostiek en behandeling meestal verwezen naar de academische centra en de categorale kankerinstituten. De hoofd-halstumorwerkgroepen van deze behandelinstituten hebben zich verenigd in de Nederlandse Werkgroep Hoofd-Halstumoren (NWHHT). De NWHHT stelde vast dat de vigerende behandelingsrichtlijnen van de diverse hoofd-halscentra aangaande gelijke tumoren soms in nuance, maar soms ook essentieel verschilden.

Het larynxcarcinoom is de meest voorkomende tumor in het hoofd-halsgebied. Om landelijke uniformiteit in diagnostiek, behandeling, begeleiding en revalidatie te verkrijgen werd een consensusbespreking geïnitieerd door de NWHHT in samenwerking met het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO (CBO) en de Vereniging van Integrale Kankercentra (VIKC); het doel was te komen tot een richtlijn voor het larynxcarcinoom.

De richtlijn is zoveel mogelijk gebaseerd op betrouwbare literatuurgegevens (‘evidence-based’). Zo deze niet beschikbaar waren, formuleerde de werkgroep zelf een standpunt (‘opinion-based’). Hierbij werd de procedure van richtlijnontwikkeling gevolgd zoals voorgesteld door het CBO.1 Voor alle nuances en overwegingen die tot een bepaald advies hebben geleid verwijzen wij naar de oorspronkelijke consensustekst.2

epidemiologie en diagnostiek

Epidemiologie en vroege diagnostiek

Jaarlijks wordt bij 700 patiënten een larynxtumor vastgesteld.3 Dit betekent dat per huisartsenpraktijk slechts eenmaal per 10-15 jaar deze diagnose wordt gesteld. Het bij huisartsen geaccepteerde beleid om patiënten met een langer dan 3 weken bestaande heesheid voor verdere diagnostiek door te verwijzen leidt tot een relatief hoog percentage gediagnosticeerd glottisch carcinoom in stadium I en II (respectievelijk 60 en 20 van alle glottische carcinomen). Er zijn geen aanwijzingen dat het aanscherpen van dit beleid het aantal in een vroeg stadium gediagnosticeerde tumoren doet toenemen.

De lage incidentie en de afwezigheid van specifieke symptomen en klachten maken vroege diagnostiek van het supraglottisch larynxcarcinoom voor de huisarts zeer moeilijk. Bij klachten als heesheid en keelpijn/slikklachten die een ongewoon beloop hebben, moet men bedacht zijn op een maligniteit in de mond-keelholte zonder dat de exacte lokalisatie op dat moment al duidelijk is. Gezien (a) het frequente vóórkomen van de aspecifieke klachten in de huisartsenpraktijk en de geringe incidentie van het supraglottisch larynxcarcinoom, (b) de geringe voorspellende waarde van de klachten, (c) het feit dat 92 van deze klachten spontaan verdwijnt binnen 4 weken,4 en (d) het feit dat 2 weken uitstel na deze periode waarschijnlijk niet leidt tot een veel ongunstiger ziektestadium, maar wel veel onnodige verwijzingen en onnodige onrust (iatrogene schade) voorkomt, lijkt de redelijkste optie: doorverwijzen naar de kno-arts bij langer dan 6 weken bestaande keelklachten.

Klinische diagnostiek

De mucosale uitbreiding van het carcinoom en de beweeglijkheid van de stembanden kunnen het betrouwbaarst worden vastgesteld met indirecte laryngoscopie of met fiberlaryngoscopie. Endoscopie tijdens narcose is noodzakelijk voor het verkrijgen van weefsel voor histologisch onderzoek.

De prevalentie van multipele primaire tumoren (synchrone en metachrone) bij patiënten met hoofd-halscarcinomen is blijkens een recente meta-analyse 15.5 Bij larynxcarcinomen worden de synchrone tumoren meestal in de long gevonden en in mindere mate in de bovenste lucht- en voedselwegen. Tijdens de endoscopie, waarbij de patiënt onder narcose is, kan men naast de larynx ook de mondholte, de orofarynx en hypofarynx inspecteren.

Gezien het grote belang dat de werkgroep aan het klinische onderzoek hecht, is ze van mening dat ook de patiënten met een als ‘klein’ aangeduid larynxcarcinoom op zijn minst eenmaal in een hoofd-halsoncologisch centrum beoordeeld moeten worden. Dit heeft een tweeledig doel: in de eerste plaats kan daar bepaald worden of laserchirurgie eventueel in aanmerking komt en in de tweede plaats is vaststelling van de exacte uitbreiding vóór radiotherapie van belang omdat men op basis hiervan, indien zich een recidief voordoet, de mogelijkheden van een partiële larynxoperatie kan inventariseren.

Beeldvormende diagnostiek

De werkgroep is van mening dat CT of MRI geïndiceerd is bij alle larynxtumoren, uitgezonderd het carcinoom dat beperkt is tot één stemband, zonder uitbreiding tot in de voorste commissuur en met normale beweeglijkheid. MRI heeft een hogere sensitiviteit dan CT in het aantonen van kraakbeenaantasting, maar een lagere specificiteit.6 7 Het tumorvolume is een relevante prognostische factor voor het optreden van tumorrecidief na bestraling.8 9 De kwaliteit van de volumemeting is afhankelijk van de ervaring met zulke meting; daarom verdient het de voorkeur dat volumemetingen in gespecialiseerde centra worden verricht.10 11

CT en MRI hebben wat de detectie van lymfkliermetastasen betreft een onderling vergelijkbare sensitiviteit en specificiteit, beter dan die van palpatie.12 Voor de detectie van lymfkliermetastasen in de klinisch niet afwijkende hals echter heeft echogeleide punctie een hogere sensitiviteit en specificiteit.12 Bij alle larynxtumoren - behalve kleine glottische tumoren - waarbij op de CT- of MRI-opname dubieus vergrote klieren gezien worden, is echogeleide punctie geïndiceerd.

Een echografisch onderzoek is niet compleet indien er geen mogelijkheid bestaat tot cytologisch onderzoek van een vergrote lymfklier. Om een hoge sensitiviteit en specificiteit te verkrijgen moet men klieren met een minimale axiale diameter ? 5 mm puncteren. Bij de keuze van de klieren dient men zich ook te laten leiden door het drainagepatroon van het larynxcarcinoom.

Traditioneel wordt het onderzoek naar metastasen bij een larynxcarcinoom beperkt tot het screenen op longmetastasen. Metastasen op andere locaties (lever, bot) komen weinig voor, waardoor een routinescreening daarop niet gerechtvaardigd is.

Biopsie

Landelijke uniformering van de gehanteerde terminologie voor de histologische beschrijving van het gebiopteerde weefsel is noodzakelijk. De indeling van Delemarre verdient vanwege de eenvoud de voorkeur.13

Een larynxbiopsie dient uitsluitsel te geven over het al dan niet bestaan van een invasief plaveiselcelcarcinoom. In geval van een epitheliale hyperplasie dient het histologisch beeld dusdanig te worden omschreven dat de afwijking zo nauwkeurig mogelijk kan worden gepositioneerd in het continuüm tussen enerzijds hyperplasie zonder atypie en anderzijds carcinoma in situ. Het maken van onderscheid tussen carcinoma in situ en ernstige dysplasie is niet klinisch relevant aangezien de kans op maligne ontaarding in beide gevallen gelijk is.14

behandeling

Ernstige dysplasie/carcinoma in situ

Er zijn sterke aanwijzingen dat ernstige dysplasie of carcinoma in situ uitgaande van de ware stembanden zonder behandeling bij ongeveer de helft van de patiënten leidt tot conversie naar invasief carcinoom.14 Er bestaat derhalve een indicatie voor behandeling. Het verdient de voorkeur om ernstige dysplasie/carcinoma in situ van de ware stemband te behandelen met een endoscopische decorticatie, waarbij wordt aanbevolen om dit met de CO2-laser te doen.15 Als decorticatie op technische gronden of als gevolg van de uitbreiding niet goed mogelijk is zonder dat de functie van de stemband in gevaar komt, is radiotherapie een goed alternatief. De endoscopische decorticatie heeft een relatief voordeel boven radiotherapie doordat decorticatie meerdere keren op dezelfde lokalisatie toegepast kan worden; radiotherapie kan dan in reserve gehouden worden voor uitgebreidere recidieven of tweede primaire tumoren.

T1-larynxcarcinoom

De werkgroep is van mening dat een glottisch T1-larynxcarcinoom16 het best kan worden behandeld met radiotherapie, doch dat voor het oppervlakkig groeiende T1a-carcinoom endoscopische decorticatie een goed alternatief is (H.F.Mahieu, schriftelijke mededeling, 1999).

In de literatuur worden 3 verschillende behandelingsopties als geaccepteerde behandeling voor het supraglottisch T1-larynxcarcinoom beschouwd: radiotherapie, endoscopische behandeling (meestal met een CO2-laser) en horizontale supraglottische laryngectomie. In het algemeen lijkt radiotherapie bij een dergelijk carcinoom de voorkeur te verdienen.17 Bij geselecteerde patiënten is horizontale supraglottische laryngectomie dan wel endoscopische resectie echter een gelijkwaardig alternatief voor radiotherapie.18 19

Recidieven van T1-larynxcarcinoom worden in het algemeen behandeld met een andere therapievorm dan de primaire behandeling. Dit betekent dat na radiotherapie chirurgische behandeling is aangewezen. Bij geselecteerde patiënten kan men volstaan met een beperkte resectie: een verticale of horizontale hemilaryngectomie. Na primaire chirurgische behandeling (laserchirurgie bij een supraglottisch dan wel een beperkt glottisch carcinoom) bestaat de behandeling van het recidief uit radiotherapie.

T2-/T3-/T4-larynxcarcinoom

Omdat een functiesparende therapie de levensverwachting niet nadelig beïnvloedt, is bij elke patiënt met een larynxcarcinoom een larynxsparende therapie de eerste keuze, ook indien er sprake is van een gevorderd ziektestadium. Alleen indien lokale functionele beperkingen of het tumorvolume (> 3,5 cm3 voor glottische carcinomen) daartoe aanleiding geven, geniet primair chirurgische behandeling de voorkeur.

Radiotherapie is de standaard voor larynxpreservatie. Voor het T2-larynxcarcinoom16 met verminderde beweeglijkheid van de larynxhelft en het T3-/T4-larynxcarcinoom16 heeft geaccelereerde radiotherapie de voorkeur. Hiermee kan de lokale controle worden verbeterd.20 21 Er zijn aanwijzingen dat ook hyperfractionering en combinaties van radiotherapie met chemotherapie of hypoxische ‘sensitizers’ de resultaten van de behandeling kunnen verbeteren. Deze behandelingen worden echter nog als experimenteel beschouwd.

Bij het supraglottisch larynxcarcinoom is voor geselecteerde patiënten een horizontale supraglottische laryngectomie dan wel een endoscopische partiële laryngectomie een gelijkwaardig alternatief voor radiotherapie, mits strikte criteria aangaande tumoruitbreiding, slik- en longfunctie in acht worden genomen.22 De combinatie van een horizontale supraglottische laryngectomie met postoperatieve radiotherapie kan leiden tot meer morbiditeit en een slechter functioneel herstel.23

Hals zonder klinisch waarneembare metastasen

De kans op occulte halskliermetastasen bij het glottisch T1-/T2-carcinoom met normale beweeglijkheid van de larynx is zo gering dat er geen reden is voor electieve behandeling van de hals.24 25 Ook voor het supraglottisch T1-carcinoom zijn er aanwijzingen dat de kans op occulte kliermetastasen (mits de ziekte met behulp van moderne radiologische technieken wordt gestadieerd) ? 15 is, zodat er geen reden is om de hals electief te behandelen.24 Bij het glottisch T2N0-carcinoom met verminderde beweeglijkheid van de larynx, het glottisch T3-/T4N0- en het supraglottisch T2-/T3-/T4N0-larynxcarcinoom is het aannemelijk dat de kans op occulte halskliermetastasen groter is dan 15; daarom is daarbij electieve therapie van de halsklierstations aangewezen.24 26 Er zijn aanwijzingen dat bij subglottische uitbreiding (> 10 mm onder de rima) de kans op positieve paratracheale lymfklieren rond de 30 ligt.27 Vandaar dat bij keuze van primaire radiotherapie geadviseerd wordt de paratracheale lymfklierstations in het bestralingsveld op te nemen.

Hals met klinisch waarneembare metastasen

Met radiotherapie wordt een goede regionale controle bereikt bij halskliermetastasen met een diameter ? 3 cm.26 28 Voor klieren > 3 cm neemt de kans op regionale controle met primaire radiotherapie af; hierbij kiest men veelal voor een halsklierdissectie met, op indicatie, postoperatieve radiotherapie. De kans op lokale controle na radiotherapie voor het T2-/T3-/T4-larynxcarcinoom lijkt onafhankelijk te zijn van de N-status.29 Het is derhalve niet altijd noodzakelijk dat de therapievorm voor de primaire tumor en voor de positieve halsklier(en) dezelfde is. Gezien het positieve stemsparende effect van primaire radiotherapie lijkt het verantwoord om de hals eventueel chirurgisch te behandelen en de primaire tumor in tweede instantie te bestralen.

Postoperatieve radiotherapie

De indicaties voor postoperatieve radiotherapie ter vermindering van het lokaal/regionaal recidief worden gesteld op basis van klinische, maar vooral histopathologische tumorkenmerken.30 31 Als er geen klinische contra-indicaties zijn, begint de radiotherapie uiterlijk binnen 6 weken na operatie - bij voorkeur zo snel mogelijk postoperatief.

Recidief van T2-/T3-/T4-larynxcarcinoom

Een recidief na eerdere radiotherapie zal in het algemeen behandeld worden met een totale laryngectomie. Een beperkte larynxoperatie valt slechts te overwegen bij patiënten met een als ‘klein’ aangeduid recidief van een oorspronkelijk beperkt T2-/T3-/T4-larynxcarcinoom. Indien de primaire behandeling heeft bestaan uit een beperkte chirurgische ingreep is radiotherapie van het lokale recidief een eerste optie. Indien geen halskliermetastasen aantoonbaar zijn, kan van een halsklierdissectie worden afgezien mits oorspronkelijk de hals ook als N0 was geclassificeerd. Als in de hals bij primaire behandeling reeds metastasen aanwezig waren, zal - ongeacht de klinische status van de hals ten tijde van het recidief - een halsklierdissectie worden verricht.

begeleiding, revalidatie en follow-up

Informatie en voorlichting

Het is onvermijdelijk dat de patiënt een bepaalde periode in onzekerheid verkeert over de uitslag van de diagnostiek en de daaraan verbonden vervolgstappen. Het is van groot belang deze periode zo kort mogelijk te houden. Informatie over de behandeling en de consequenties daarvan dient dan ook zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de diagnose gegeven te worden aan de patiënt en diens naasten. Ook de andere hulpverleners die bij de patiënt betrokken zijn, zoals de huisarts, dienen daarbij geïnformeerd te worden. Naast ondersteuning door de familie en sociale ondersteuning, blijkt kwalitatief goede informatie door de hulpverleners van invloed te zijn op het uiteindelijke resultaat van de revalidatie.32 Schriftelijk voorlichtingsmateriaal blijkt in een belangrijke behoefte te voorzien, maar vooral in combinatie met mondelinge voorlichting.

Psychosociale hulpverlening

Psychische problemen komen veel voor bij patiënten met kanker in het hoofd-halsgebied, zowel voor als na de behandeling.33 Psychosociale begeleiding door de behandelaars en vroegtijdige onderkenning en vastlegging van psychische problemen zijn van groot belang. Het verdient aanbeveling dat de patiënt gezien wordt door een hulpverlener met speciale aandacht voor en deskundigheid in psychosociale problemen (bijvoorbeeld een verpleegkundige of een maatschappelijk werkende). Lotgenotencontact dient te worden aangeboden, in het bijzonder aan patiënten die een laryngectomie ondergaan.

Roken, alcohol en voeding

Overmatig alcoholgebruik en roken verhogen het risico op postoperatieve problemen en versterken de acute bijwerkingen en de langetermijnbijwerkingen van de radiotherapie.34 35 Dit, gevoegd bij het verhoogde risico op tweede primaire tumoren, betekent dat het multidisciplinaire team van behandelaars veel aandacht moet geven aan het stoppen met roken en het staken van overmatig alcoholgebruik van de patiënt. Het controleren van het gewichtsverloop vóór, tijdens en na de behandeling is noodzakelijk, ook bij bestralingspatiënten, die vaak hun voedselinname verminderen ten gevolge van de bestralingsmucositis.

Logopedie na radiotherapie

Meer aandacht voor begeleiding van bestraalde patiënten is noodzakelijk, omdat een aanzienlijk deel van hen na de radiotherapie stemproblemen houdt.36 De werkgroep is van mening dat de kwaliteit van de stem van elke patiënt die bestraald is wegens een larynxcarcinoom, op gezette tijden (bijvoorbeeld na 6 maanden, 1 en 2 jaar) dient te worden geëvalueerd. Hiervoor kan een basisprotocol voor stemonderzoek worden gebruikt, dat tenminste een korte vragenlijst over stemgebruik omvat. Als uit dit basisprotocol blijkt dat de patiënt stemproblemen heeft, wordt een uitgebreidere stemanalyse aanbevolen. Dit onderzoek kan, nadat overleg heeft plaatsgevonden met arts, logopedist en patiënt, in individuele gevallen aanleiding geven om met stemtherapie te beginnen.

Stemgeving na laryngectomie: chirurgische en prothetische aspecten

Tijdens de revalidatieperiode na een totale laryngectomie kan de patiënt problemen ondervinden met het aanleren van een goede slokdarmspraak. De oorzaak is veelal een verhoogde tonus of spasme van het faryngo-oesofageale segment.37 Daarom wordt gepleit voor het uitvoeren van aanvullende chirurgische procedures om dit te voorkomen.

Tijdens de laryngectomie moet men rekening houden met de grootte en de vorm van het tracheostoma. Hierdoor kan het gebruik van canules worden beperkt en de toepassing van aanvullende tracheostomakleppen en -filters worden vereenvoudigd.38 Dit draagt bij aan de revalidatie van de patiënt en bevordert een goede pulmonale hygiëne. Stem- en spraakrevalidatie met behulp van een stemprothese benadert perceptief het meest de laryngeale stemgeving en is in vele opzichten superieur aan de traditionele slokdarmspraak.39

Follow-up

Het volgens een vast schema controleren van een patiënt die wegens een larynxcarcinoom een behandeling met curatieve intentie heeft ondergaan, heeft als hoofddoel het vroegtijdig opsporen van een lokaal of regionaal recidief. In Nederland bestaat er min of meer consensus over de frequentie van deze controles, namelijk: eens per 2 maanden in het 1e jaar, eens per 3 maanden in het 2e jaar, eens per 4 maanden in het 3e jaar en eens per 6 maanden in het 4e en 5e jaar; daarna eventueel nog eenmaal per jaar. Gegevens over de doelmatigheid van dit controleschema - en van andere schema's - ontbreken; totdat er nieuwe gegevens voorhanden zijn, is het wenselijk dat dit schema gehandhaafd wordt.

Hypothyreoïdie komt na combinatiebehandeling meer dan incidenteel voor. De genoemde frequenties variëren van 6-30. Men dient hierop bedacht te zijn en kan overwegen de schildklierfunctie routinematig te controleren.40

Het is gebleken dat een jaarlijkse thoraxröntgenfoto voor vroege opsporing van een tweede primaire tumor in de longen niet bijdraagt tot een langere overlevingsduur.41

In de voorbereidingswerkgroep hadden zitting: mw.A.M.S.van Aarnhem, huisarts; prof.dr.R.J.Baatenburg de Jong, kno-arts; mw.E.Baldal, verpleegkundige; dr.J.M.H.van der Beek, kno-arts; dr.M.F.de Boer, kno-arts; mw.E.F.M.Bors, logopedist; F.R.Burlage, radiotherapeut; dr.J.A.Castelijns, radioloog; dr. J.W.W.Coebergh, epidemioloog; mr.dr.D.P.Engberts, ethicus; dr.A.de Graeff, internist-oncoloog; mw.M.S.C.van Heerden-van Putten, secretaresse; dr.F.J.M.Hilgers, kno-arts; mw.E. Hogenkamp, verpleegkundige; prof.dr.G.J.Hordijk, kno-arts, voorzitter; dr.F.B.M.Joosten, radioloog; dr.J.H.A.M.Kaanders, radiotherapeut, vice-voorzitter; dr.P.F.M.Krabbe, medisch besliskundige; dr.Ch.R.Leemans, kno-arts; prof.dr.P.C.Levendag, radiotherapeut; prof.dr.H.F.Mahieu, kno-arts; dr.H.A.M. Marres, kno-arts; dr.C.A.Meeuwis, kno-arts; prof.dr.P.H.M.de Mulder, internist-oncoloog; mw.J.Reinaerts, sociaal-verpleegkundige; dr.L.J.Schouten, epidemioloog; prof.dr.P.F.Schouwenburg, kno-arts; prof.dr.P.J.Slootweg, patholoog; dr.L.E. Smeele, kaakchirurg; dr.C.H.J.Terhaard, radiotherapeut; mw. dr.I.M.Verdonck-de Leeuw, stem-spraakpatholoog; dr.R.van Weissenbruch, kno-arts; namens het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO: dr.J.J.E.van Everdingen, dr.P.P.J. Touw en mw.C.J.G.M.Rosenbrand; namens de Vereniging van Integrale Kankercentra: mw.J.H.A.Schreuder.

Literatuur
  1. Everdingen JJE van. Van consensus naar CBO-richtlijn.Ned Tijdschr Geneeskd1999;143:2086-9.

  2. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.Larynxcarcinoom. Alphen aan den Rijn: Van Zuiden Communications;2000.

  3. Head and neck tumours in the Netherlands 1989-1995.Utrecht: Vereniging voor Integrale Kankercentra; 1998.

  4. Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H. Van klacht naar diagnose.Episodegegevens uit de huisartsenpraktijk. Bussum: Coutinho; 1998.

  5. Dhooge IJM. Multiple primary tumors in the head and neck:an epidemiological study proefschrift. Groningen:Rijksuniversiteit Groningen; 1997.

  6. Becker M, Zbären P, Laeng H, Stoupis C, Porcellini B,Vock P. Neoplastic invasion of the laryngeal cartilage: comparison of MRimaging and CT with histopathologic correlation. Radiology 1995;194:661-9.

  7. Castelijns JA, Gerritsen GJ, Kaiser MC, Valk J, Zanten TEvan, Golding RG, et al. Invasion of laryngeal cartilage by cancer: comparisonof CT and MR imaging. Radiology 1988;167:199-206.

  8. Mancuso AA, Mukherji SK, Schmalfuss I, Mendenhall W,Parsons J, Pameijer F, et al. Preradiotherapy computed tomography as apredictor of local control in supraglottic carcinoma. J Clin Oncol1999;17:631-7.

  9. Pameijer FA, Mancuso AA, Mendenhall WM, Parsons JT,Kubilis PS. Can pretreatment computed tomography predict local control in T3squamous cell carcinoma of the glottic larynx treated with definitiveradiotherapy? Int J Radiat Oncol Biol Phys 1997;37:1011-21.

  10. Castelijns JA, Brekel MWM van den, Smit EMT, Tobi H,Wagtendonk FW van, Golding RP, et al. Predictive value of MRimaging-dependent and non-MR imaging-dependent parameters for recurrence oflaryngeal cancer after radiation therapy. Radiology 1995;196:735-9.

  11. Hermans R, Feron M, Bellon E, Dupont P, Bogaert W vanden, Baert AL. Laryngeal tumor volume measurements determined with CT: astudy on intra- and interobserver variability. Int J Radiat Oncol Biol Phys1998;40:553-7.

  12. Brekel MW van den, Castelijns JA, Stel HV, Golding RP,Meyer CJ, Snow GB. Modern imaging techniques and ultrasound-guided aspirationcytology for the assessment of neck node metastases: a prospectivecomparative study. Eur Arch Otorhinolaryngol 1993;250:11-7.

  13. Delemarre JFM. De betekenis van de plaveiselcelligehyperplasie van het larynxepitheel proefschrift. Amsterdam:Universiteit van Amsterdam; 1970.

  14. Dorman EB, Lambie NK. Dysplasia and carcinoma-in-situ ofthe larynx. In: Smee R, Bridger GP, editors. Laryngeal cancer. Proceedings ofthe 2nd World Congress on laryngeal cancer. Amsterdam: Elsevier Science;1994. p. 276-81.

  15. Murty GE, Diver JP, Bradley PJ. Carcinoma in situ of theglottis: radiotherapy or excision biopsy? Ann Otol Rhinol Laryngol 1993;102(8 Pt 1):592-5.

  16. Sobin LH, Wittekind Ch, editors. International UnionAgainst Cancer. TNM-classification of malignant tumors. 5th ed. New York:Wiley-Liss; 1997.

  17. Terhaard CHJ, Snippe K, Ravasz LA, Tweel I van der,Hordijk GJ. Radiotherapy in T1 laryngeal cancer: prognostic factors forlocoregional control and survival, uni- and multivariate analysis. Int JRadiat Oncol Biol Phys 1991;21:1179-86.

  18. Iro H, Waldfahrer F, Altendorf-Hofmann A, Weidenbecher M,Sauer R, Steiner W. Transoral laser surgery of supraglottic cancer: follow-upof 141 patients. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1998; 124:1245-50.

  19. Spriano G, Antognoni P, Piantanida R, Varinelli D,Luraghi R, Cerizza L, et al. Conservative management of T1-T2N0 supraglotticcancer: a retrospective study. Am J Otolaryngol 1997;18:299-305.

  20. Overgaard J, Sand Hansen H, Overgaard M, Bastholt L,Specht L, Evensen J, et al. Conventional radiotherapy as primary treatment ofsquamous cell carcinoma of the head and neck. A randomized multicenter studyof 5 versus 6 fractions per week - report from the DAHANCA 7 trial. Int JRadiat Oncol Biol Phys 1997;39 Suppl:188.

  21. Fu KK, Pajak TF, Trotti A, Jones CU, Spencer SA, PhillipsTL, et al. A Radiation Therapy Oncology Group (RTOG) phase III randomizedstudy to compare hyperfractionation and two variants of acceleratedfractionation to standard fractionation radiotherapy for head and necksquamous cell carcinomas: first report of RTOG 9003. Int J Radiat Oncol BiolPhys 2000;48:7-16.

  22. Lee NK, Goepfert H, Wendt CD. Supraglottic laryngectomyfor intermediate-stage cancer: U.T.M.D. Anderson Cancer Center experiencewith combined therapy. Laryngoscope 1990;100:831-6.

  23. Steiniger JR, Parnes SM, Gardner GM. Morbidity ofcombined therapy for the treatment of supraglottic carcinoma: supraglotticlaryngectomy and radiotherapy. Ann Otol Rhinol Laryngol 1997;106:151-8.

  24. Ghouri AF, Zamora RL, Sessions DG, Spitznagel jr EL,Harvey JE. Prediction of occult neck disease in laryngeal cancer by means ofa logistic regression statistical model. Laryngoscope1994;104:1280-4.

  25. Mendenhall WM, Parsons JT, Brant TA, Stringer SP, CassisiNJ, Million RR. Is elective neck treatment indicated for T2N0 squamous cellcarcinoma of the glottic larynx? Radiother Oncol 1989;14:199-202.

  26. Terhaard CHJ, Hordijk GJ, Broek P van den, Jong PC de,Snow GB, Hilgers FJ, et al. T3 laryngeal cancer: a retrospective study of theDutch Head and Neck Oncology Cooperative Group: study design and generalresults. Clin Otolaryngol 1992;17:393-402.

  27. Weber RS, Marvel J, Smith P, Hankins P, Wolf P, GoepfertH. Paratracheal lymph node dissection for carcinoma of the larynx,hypopharynx, and cervical esophagus. Otolaryngol Head Neck Surg1993;108:11-7.

  28. Bataini JP, Bernier J, Asselain B, Lave C, Jaulerry C,Brunin F, et al. Primary radiotherapy of squamous cell carcinoma of theoropharynx and pharyngolarynx: tentative multivariate modelling system topredict the radiocurability of neck nodes. Int J Radiat Oncol Biol Phys1988;14:635-42.

  29. Terhaard CHJ, Karim ABMF, Hoogenraad WJ, Tjho-Heslinga R,Keus RB, Mehta DM, et al. Local control in T3 laryngeal cancer treated withradical radiotherapy, time dose relationship: the concept of nominal standarddose and linear quadratic model. Int J Radiat Oncol Biol Phys1991;20:1207-14.

  30. Peters LJ, Goepfert H, Ang KK, Byers RM, Maor MH,Guillamondegui O, et al. Evaluation of the dose for postoperative radiationtherapy of head and neck cancer: first report of a prospective randomizedtrial. Int J Radiat Oncol Biol Phys 1993;26:3-11.

  31. Leemans CR, Tiwari R, Waal I van der, Karim ABMF, NautaJJP, Snow GB. The efficacy of comprehensive neck dissection with or withoutpostoperative radiotherapy in nodal metastases of squamous cell carcinoma ofthe upper respiratory and digestive tracts. Laryngoscope1990;100:1194-8.

  32. Bjordal K, Kaasa S. Psychological distress in head andneck cancer patients 7-11 years after curative treatment. Br J Cancer1995;71:592-7.

  33. Graeff A de. Quality of life in head and neck cancerproefschrift. Utrecht: Universiteit van Utrecht; 1999.

  34. Voet JC van der, Keus RB, Hart AA, Hilgers FJM, BartelinkH. The impact of treatment time and smoking on local control andcomplications in T1 glottic cancer. Int J Radiat Oncol Biol Phys 1998;42:247-55.

  35. Spies CD, Nordmann A, Brummer G, Marks C, Conrad C,Berger G, et al. Intensive care unit stay is prolonged in chronic alcoholicmen following tumor resection of the upper digestive tract. Acta AnaesthesiolScand 1996;40:649-56.

  36. Verdonck-de Leeuw IM, Hilgers FJM, Keus RB, Koopmans-vanBeinum FJ, Greven AJ, Jong JMA de, et al. Multidimensional assessment ofvoice characteristics after radiotherapy for early glottic cancer.Laryngoscope 1999;109(2 Pt 1):241-8.

  37. Blom ED, Pauloski BR, Hamaker RC. Functional outcomeafter surgery for prevention of pharyngospasms in tracheoesophageal speakers.Part I: speech characteristics. Laryngoscope 1995;105:1093-103.

  38. Hoogen FJA van den, Meeuwis C, Oudes MJ, Janssen P, ManniJJ. The Blom-Singer tracheostoma valve as a valuable addition in therehabilitation of the laryngectomized patient. Eur Arch Otorhinolaryngol1996;253:126-9.

  39. Hilgers FJM, Balm AJM. Long-term results of vocalrehabilitation after total laryngectomy with the low-resistance, indwellingProvox voice prosthesis system. Clin Otolaryngol 1993;18:517-23.

  40. Jong JMA de, Daal WAJ van, Elte JWF, Hordijk GJ, FrolichM. Primary hypothyreoidism as a complication after treatment of tumours ofthe head and neck. Acta Radiol Oncol 1982;21:299-303.

  41. Engelen AM, Stalpers LJ, Manni JJ, Ruijs JH, Daal WA van.Yearly chest radiography in the early detection of lung cancer followinglaryngeal cancer. Eur Arch Otorhinolaryngol1992;249:364-9.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Utrecht.

Prof.dr.G.J.Hordijk, keel-, neus- en oorarts.

Universitair Medisch Centrum St Radboud, Radiotherapeutisch Instituut Arnhem-Nijmegen, Nijmegen.

Dr.J.H.A.M.Kaanders, radiotherapeut.

Contact dr.J.H.A.M.Kaanders, secretariaat Nederlandse Werkgroep Hoofd-Halstumoren, Postbus 1374, 3430 BJ Nieuwegein (vanheerden@wxs.nl)

Verantwoording

Namens de werkgroep die de consensus voorbereidde en waarvan de leden aan het eind van dit artikel worden genoemd.

Gerelateerde artikelen

Reacties