Nieuwe klasse medicijnen voor chronische hepatitis C

Klinische praktijk
Sem J. Aronson
Joep de Bruijne
Janke Schinkel
Christine J. Weegink
Marc van der Valk
Hendrik W. Reesink
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A3840
Abstract
Download PDF

Toets voor nascholing

Aan dit leerartikel is een toets gekoppeld waarmee je nascholingspunten kan verdienen.

Maak de toets
Overzicht van te behalen accreditatiepunten
Specialisme Punt(en)
Accreditatie (artsen) buiten eigen vakgebied 1

Deze toets is geaccrediteerd door het Accreditatie Bureau Algemene Nascholing (ABAN) en is geldig voor alle BIG-erkende specialismen (1 punt) voor nascholing binnen het eigen vakgebied. Dit geldt zowel voor de specialismen in het ziekenhuis als de huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde. Ook physician assistants kunnen deze toets maken.

Toewijzing van punten verloopt automatisch via PE-online.

Samenvatting

  • Naar schatting hebben wereldwijd 130-210 miljoen mensen chronische hepatitis C.

  • Adequate antivirale therapie vermindert morbiditeit en mortaliteit door chronische hepatitis C en voorkomt verdere verspreiding van het hepatitis C-virus (HCV).

  • De huidige standaardbehandeling van chronische hepatitis C, bestaande uit de combinatie van gepegyleerd interferon-α (peginterferon) en ribavirine, duurt 24-48 weken, gaat gepaard met significante bijwerkingen en geeft een suboptimale kans op genezing.

  • Proteaseremmers, die recent zijn geregistreerd, behoren tot een nieuwe klasse medicijnen die direct op de levenscyclus van HCV aangrijpen.

  • Proteaseremmers zorgen in combinatie met peginterferon en ribavirine voor bijna een verdubbeling van de kans op genezing voor patiënten met HCV-genotype 1; bij een aanzienlijk deel kan de behandelduur worden verkort.

  • Omdat er door de behandeling met proteaseremmers resistente virusstammen kunnen ontstaan en deze therapie extra bijwerkingen geeft, zal de complexiteit van de behandeling toenemen.

Het hepatitis C-virus (HCV) is een enkelstrengs-RNA-virus dat hoofdzakelijk via bloed wordt overgedragen. In ontwikkelde landen zijn drugsgebruik via injecties, transfusie van bloedproducten vóór 1992 en behandeling met onsteriele instrumenten de belangrijkste bronnen van infectie. In minder ontwikkelde landen zijn onsteriele medische procedures, waaronder het krijgen van injecties en transfusies van bloedproducten, nog altijd de grootste bron van infectie. Wereldwijd zijn naar schatting 130-210 miljoen mensen geïnfecteerd met HCV, wat neerkomt op 3% van de wereldbevolking. Jaarlijks neemt deze groep met 3-4 miljoen nieuwe geïnfecteerden toe.1 In Nederland wordt het aantal mensen met chronische hepatitis C geschat op 60.000 (0,4% van de bevolking).2 Na een acute infectie met HCV ontwikkelt 75% van de patiënten een chronische infectie, waarbij in de loop van 10 tot 30 jaar bij 20-30% van de patiënten levercirrose ontstaat.3 Bij patiënten met levercirrose is de kans op het ontwikkelen van een hepatocellulair carcinoom (HCC) 1-5% per jaar.3 Naar verwachting zal de mortaliteit als gevolg van HCV-gerelateerde HCC het komende decennium verder toenemen.

Adequate antivirale therapie is van groot belang om leverschade door de chronische HCV-infectie te stoppen en verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Minder dan de helft van de patiënten geneest door de huidige standaardbehandeling, die bestaat uit een combinatie van gepegyleerd interferon-α (peginterferon) en ribavirine. Wanneer patiënten genezen zijn van hun HCV-infectie, neemt het risico op het ontstaan van levercirrose en HCC en daarmee de kans om vroegtijdig te overlijden, aanzienlijk af.4,5

In dit artikel beschrijven wij de huidige behandeling van chronische hepatitis C in de klinische praktijk, waarbij wordt uitgegaan van de meest recente richtlijnen. Om de huidige stand van de wetenschap weer te geven zijn als aanvulling achtergrondartikelen geselecteerd op relevantie, met voorkeur voor publicaties in gerenommeerde tijdschriften. Vervolgens zullen wij de nieuwe antivirale middelen bespreken. Deze medicijnen bieden een grotere kans op genezing voor onbehandelde en eerder onsuccesvol behandelde patiënten.

Huidige behandeling van chronische hepatitis C

De huidige standaardbehandeling bestaat uit wekelijkse subcutane toediening van peginterferon en ribavirine per os 2 dd.6 Behandeling van hepatitis C wordt als succesvol beschouwd als er 24 weken na staken van de antivirale therapie geen virus in het bloed meer aantoonbaar is, de zogenoemde ‘sustained viral response’ (SVR) (tabel). Het uiteindelijke doel is om de leverontsteking te stoppen en hiermee de ontwikkeling van cirrose en HCC te voorkomen.

Figuur 1

De behandelingsduur en de slagingskans van de behandeling is afhankelijk van het HCV-genotype. Er zijn 6 HCV-genotypen, waarvan genotypen 1, 2, 3 en 4 wereldwijd het meest voorkomen. De verdeling van HCV-genotypen 1, 2, 3 en 4 in Nederland wordt geschat op respectievelijk 50%, 10%, 30% en 10%, overeenkomstig met die in West-Europa.7

Antivirale behandeling dient te worden overwogen bij alle patiënten met een chronische HCV-infectie. De behandelduur van patiënten met HCV-genotype 1 of 4 is 48 weken en voor patiënten met genotype 2 of 3 is de duur 24 weken. Een snelle verdwijning van het virus (HCV-RNA) na 4 weken behandeling, de zogenoemde ‘rapid viral response’ (RVR), is de belangrijkste positief voorspellende factor voor het bereiken van een SVR. Patiënten met een RVR kunnen eventueel korter worden behandeld, tot 24 weken bij genotype 1 of 4 en 12-16 weken bij genotype 2 of 3, wanneer de hoeveelheid HCV-RNA in het bloed minder is dan 400.000-800.000 IU/ml bij aanvang van de therapie.6,8-10 Wanneer factoren als ernstige fibrose of cirrose, metabool syndroom, insulineresistentie of steatosis hepatis aanwezig zijn, wordt geadviseerd de behandelingsduur ook bij een RVR niet te verkorten. Bij patiënten met HCV-genotype 1 of 4 bij wie het virus pas na 24 weken behandeling voor het eerst niet meer aantoonbaar is, kan overwogen worden de behandeling te verlengen tot 72 weken.6

Ook gastheerfactoren hebben invloed op de therapierespons. Specifieke genetische variaties nabij het IL28B-gen zijn geassocieerd met een verhoogde kans op een SVR bij behandeling met peginterferon en ribavirine.11 De verdeling van deze polymorfismen onder de bevolking is zeer divers en kan gedeeltelijk de variatie in respons op de combinatiebehandeling met peginterferon en ribavirine verklaren.

De kans op een SVR bij niet eerder behandelde patiënten met peginterferon en ribavirine is ongeveer 80% bij genotype 2, 75% bij genotype 3, 65% bij genotype 4 en 45% bij genotype 1.12-15 Naast de suboptimale kans op genezing van patiënten met genotype 1 of 4 zijn andere nadelen dat deze antivirale therapie kostbaar is en vaak gepaard gaat met ernstige bijwerkingen, zoals griepachtige verschijnselen, anemie, en depressie. Deze bijwerkingen zijn bij adequate controle vaak goed te behandelen met respectievelijk paracetamol, bloedtransfusies en antidepressiva. Het ontstaan van een door peginterferon geïnduceerde neutropenie is klinisch minder relevant, aangezien hierbij niet méér bacteriële infecties optreden.16

Patiënten die na een eerdere behandeling met peginterferon en ribavirine geen SVR bereikten, hebben bij herbehandeling met dezelfde therapie slechts een geringe kans om alsnog een SVR te bereiken (5-33%).17,18 Patiënten met onvoldoende therapierespons na de standaardbehandeling, samen met een groot deel van de niet eerder behandelde patiënten, wachten op nieuwe behandelopties. De registratie van 2 HCV-specifieke proteaseremmers zal een verbeterde behandeling betekenen voor een groot deel van deze patiënten.

Nieuwe antivirale therapie

Kennis over de levenscyclus van HCV en de totstandkoming van een in-vitro-HCV-replicatiemodel in 2005 maakte de ontwikkeling mogelijk van een nieuwe generatie antivirale middelen die direct op het virus inwerken (‘direct-acting antivirals’ (DAA’s)). DAA’s grijpen aan op een specifiek onderdeel van de levenscyclus van HCV, waardoor vermenigvuldiging van het virus wordt geremd. Van het grote aantal DAA’s dat op dit moment wordt onderzocht, zijn de huidige geregistreerde proteaseremmers telaprevir en boceprevir specifiek ontwikkeld voor HCV-genotype 1. Een proteaseremmer blokkeert het virale protease, dat verantwoordelijk is voor het splitsen van het virale polyproteïne in functionele eiwitten, en reduceert op deze manier de virale replicatie. Helaas zijn er op dit moment nog geen DAA’s beschikbaar voor patiënten met een ander HCV-genotype dan genotype 1. Wel zijn verschillende DAA’s hiervoor in ontwikkeling, maar wanneer deze middelen beschikbaar komen, is nog niet te voorzien.

Literatuurselectie

Wij deden een literatuuronderzoek naar studies waarin de werkzaamheid van proteaseremmers werd onderzocht en op basis waarvan telapevir en boceprevir werden geregistreerd. Hiervoor werden in PubMed alle vergelijkende studies naar het effect van behandeling met proteaseremmers ten opzichte van de standaardbehandeling tot en met 1 oktober 2011 geselecteerd. Dit gebeurde met de MeSH-zoektermen ‘hepatitis c, chronic’, ‘protease inhibitor’ en ‘clinical trial’, aangevuld met de zoektermen ‘telaprevir’ en ‘boceprevir’. Van de 9 studies die de effectiviteit van de behandeling als primaire uitkomstmaat hadden, besloten we de 5 fase III-studies hier verder te beschrijven (figuur 1). De eerste 2 proteaseremmers voor de behandeling van chronische infectie met HCV-genotype 1 in Europa en Noord Amerika zijn geregistreerd op basis van deze studies.

Figuur 2

Behandeling van niet eerder behandelde patiënten

Er zijn 3 studies gedaan naar de behandeling met proteaseremmers van niet eerder behandelde patiënten met HCV.

In de eerste studie (ADVANCE-studie) werden 3 studiegroepen vergeleken. Van deze groepen kregen 2 telaprevir in combinatie met peginterferon en ribavirine gedurende 12 of 8 weken, gevolgd door een behandeling met peginterferon en ribavirine gedurende in totaal 24 of 48 weken. De 3e groep was een controlegroep die werd behandeld met 48 weken peginterferon en ribavirine. De SVR-percentages waren significant hoger in de groepen die waren behandeld met telaprevir (respectievelijk 75 en 69%) dan in de controlegroep (44%). Er bleek geen significant verschil in SVR-percentage te bestaan tussen de groepen die 12 of 8 weken waren behandeld met telaprevir.19

In de tweede studie (ILLUMINATE-studie) werden alle patiënten gedurende 12 weken met telaprevir of placebo in combinatie met peginterferon en ribavirine behandeld. Patiënten bij wie op week 4 en 12 van de behandeling geen HCV-RNA meer in het bloed werd gevonden, kregen aanvullend nog 12 of 32 weken peginterferon en ribavirine. Patiënten zonder snelle virologische daling op week 4 of 12 kregen aanvullend 32 weken peginterferon en ribavirine. De belangrijkste conclusie uit deze fase III-studie was dat 92% van de patiënten met een snelle virologische daling (dat wil zeggen: ondetecteerbaar HCV-RNA op week 4 (RVR) en week 12) een SVR bereikte na 24 weken therapie. Van de patiënten die telaprevir kregen, bereikten in totaal 67% een RVR ten opzichte van 6% in de controlegroep. Er werd geen verschil in SVR-percentage gevonden tussen de groepen die 24 of 48 weken werden behandeld, wat betekent dat de kortere behandelingsduur niet inferieur is aan de langere.20

In de derde studie (SPRINT-2-studie) werden patiënten eerst 4 weken behandeld met peginterferon en ribavirine gevolgd door 24 of 44 weken boceprevir in combinatie met peginterferon en ribavirine. De rationale achter de voorbehandeling (‘lead-in’) was het onderdrukken van aanwezige boceprevir-resistente virusvarianten voorafgaand aan de introductie van boceprevir. De controlegroep werd 48 weken behandeld met een placebo in plaats van boceprevir, in combinatie met peginterferon en ribavirine. Bij de analyse van de studieresultaten werden alle studiepatiënten opgedeeld in een ‘Kaukasisch’ en een ‘negroïd’ cohort (verhouding 6:1). Omdat de resultaten sterk verschillen tussen beide cohorten worden deze apart geanalyseerd. Binnen de Kaukasische interventiegroepen die 28 of 48 weken behandeld waren, bereikten respectievelijk 67 en 68% van de patiënten een SVR. In de controlegroep was dat 40%. In het negroïde cohort bereikten respectievelijk 42 en 53% van de patiënten een SVR ten opzichte van 23% in de controlegroep.21

Uit deze 3 registratiestudies bleek dat behandeling met telaprevir of boceprevir leidt tot een significant hoger SVR-percentage (circa 70%) dan de standaardbehandeling (circa 45%) in de kaukasische studiepopulatie (figuur 2). Alhoewel deze percentages in de negroïde studiepopulatie veel lager liggen, verdubbelt de kans op een SVR bij behandeling met telaprevir of boceprevir ten opzichte van de standaardbehandeling. Daarbij kon de behandelduur bij patiënten met een SVR bij telaprevir verkort worden tot 24 weken en bij boceprevir tot 28 weken.

Figuur 3

Behandeling van patiënten zonder blijvende respons op standaardbehandeling

Er zijn 2 fase III-studies voltooid met patiënten die eerder niet succesvol met peginterferon en ribavirine behandeld waren. De patiëntenpopulatie werd in beide studies onderverdeeld op basis van virale respons op een eerdere antivirale behandeling.

In de ene studie (REALIZE-studie) waren 2 studiegroepen: de 1e groep werd behandeld met 12 weken telaprevir in combinatie met 48 weken peginterferon en ribavirine, de 2e groep werd eerst 4 weken met peginterferon en ribavirine behandeld en kreeg daarna dezelfde behandeling als de 1e groep. Deze 2 studiegroepen werden vergeleken met een controlegroep die 48 weken peginterferon en ribavirine had gekregen. In de experimentele groepen van deze studie waren de SVR-percentages voor patiënten met een eerdere virologische terugval 86%, met een eerdere partiële respons 57% en met een eerdere nulrespons 31% (nulrespons: ≤ 2 log daling van HCV-RNA in het bloed in behandelingsweek 12). In de controlegroep waren de SVR-percentages respectievelijk 24, 15 en 5%.22

De andere studie (RESPOND-2-studie) vergeleek 3 studiegroepen. Alle groepen werden voorbehandeld met peginterferon en ribavirine gedurende 4 weken. Daarna kreeg groep 1 placebo, peginterferon en ribavirine gedurende 44 weken, groep 2 boceprevir, peginterferon en ribavirine gedurende 32 weken en groep 3 boceprevir, peginterferon en ribavirine gedurende 44 weken. Als patiënten van groep 2 in week 8 van de behandeling met de tripeltherapie positief testten voor HCV-RNA, werden ze van week 36 tot week 48 extra behandeld met een placebo, peginterferon en ribavirine. In de groepen die boceprevir hadden gekregen, waren de SVR-percentages van patiënten met een relaps of partiële respons respectievelijk 69-75% en 40-52%, tegenover 29% en 7% in de controlegroep.23 Bij de patiënten met een RVR (158 uit 323) die met boceprevir waren behandeld, was het SVR-percentage 86-88% na 36 weken behandeling. In deze studie werden patiënten met een eerdere nulrespons niet toegelaten.

De belangrijkste conclusie uit deze 2 registratiestudies is dat vooral patiënten met een relaps na behandeling met peginterferon en ribavirine gebaat zijn bij een behandeling met proteaseremmers. Ook voor non-responders, die bij voorgaande behandeling een partiële respons of nulrespons hadden, werd er een forse toename van het SVR-percentage gevonden van 31-57% (zie figuur 2).

Consequenties voor de klinische praktijk

De komst van de eerste generatie proteaseremmers voor de behandeling van hepatitis C zal de klinische praktijk ingrijpend veranderen. Het 3 maal daags doseren van de proteaseremmer, de 2 maal daagse inname van ribavirine en de wekelijkse injecties met peginterferon vormen een uitdaging voor de behandelaar en de patiënt, waarbij de therapietrouw essentieel is voor het slagen van de behandeling. Er worden significante bijwerkingen beschreven als huiduitslag en jeuk bij gebruik van telaprevir19,20,22,24 en dysgeusie (metaalsmaak) en anemie bij gebruik van boceprevir,21,23,25 die intensief gecontroleerd en zo nodig behandeld moeten worden.

Omdat behandeling op geleide van de respons per individu kan worden ingesteld, is het mogelijk een groot deel van de patiënten 24, 28 of 36 weken in plaats van 48 weken te behandelen als zij voldoen aan de criteria van een RVR. Bij telaprevir is het criterium voor een kortere behandeling dat er geen HCV-RNA aantoonbaar is in het bloed op week 4 en 12 van de behandeling, en bij boceprevir wanneer dat zo is op week 8 en 24.

Bij niet eerder behandelde patiënten met een leverfibrose graad F3-F4 (METAVIR-score; zie uitlegkader) was het SVR-percentage bij zowel telaprevir als boceprevir ongeveer 50% tegenover 39% bij de standaardbehandeling. Hoewel gegevens beperkt zijn, wordt aangeraden patiënten met levercirrose 48 weken te behandelen ongeacht een eventuele RVR.26

Bij patiënten van negroïde afkomst ligt het SVR-percentage bij telaprevir rond de 60% en bij boceprevir rond de 50%, tegen 25% bij de standaardbehandeling.19-21,23

Resistentie

De combinatie van de zeer hoge replicatiesnelheid van HCV en een viraal polymerase dat niet over een systeem beschikt om replicatiefouten te corrigeren, zorgt ervoor dat er gemakkelijk en in hoge frequentie mutaties ontstaan tijdens het replicatieproces. Uit de heterogene viruspopulatie kunnen tijdens de behandeling met proteaseremmers virusvarianten worden uitgeselecteerd die resistent zijn tegen deze proteaseremmers, met als gevolg het falen van de antivirale therapie.

In de SPRINT-2-studie met boceprevir werd resistentie aangetoond bij 5% van de patiënten die een RVR hadden maar geen SVR bereikten; bij patiënten zonder een RVR en een SVR was dit 45%.21 In de ADVANCE-studie met telaprevir werden resistente virusvarianten gevonden bij 45% van de patiënten die geen SVR bereikten na behandeling. Aangezien HCV geen DNA-‘archief’ heeft zoals hiv, is het theoretisch aannemelijk dat de resistente viruspopulatie na stoppen van de antivirale therapie wordt vervangen door een fittere oorspronkelijke (‘wild type’) viruspopulatie. Vervolgstudies laten zien dat het merendeel van de resistente virusstammen na staken van de behandeling met telaprevir binnen enkele weken tot maanden niet meer aantoonbaar zijn (figuur 3).19

Figuur 4

Het is onduidelijk in hoeverre het ontstaan en weer verdwijnen van resistente virusstammen na een onsuccesvolle behandeling van invloed is op de herbehandeling van een patiënt met DAA’s. Dit is een belangrijk aandachtspunt voor verder onderzoek.

Conclusie

De standaardbehandeling voor patiënten met chronische hepatitis C, die bestaat uit peginterferon en ribavirine, geeft een beperkte kans op genezing. Proteaseremmers in combinatie met peginterferon en ribavirine zorgen voor bijna een verdubbeling van de kans op genezing voor patiënten met HCV-genotype 1, waarbij een groot deel van de patiënten bovendien korter kan worden behandeld. Door het risico op selectie van resistente virusstammen, een belastend medicatieregime en additionele bijwerkingen van deze medicijnen zal de complexiteit van de behandeling toenemen. Dit geldt met name voor de moeilijk te behandelen groep van patiënten met levercirrose en in de toekomst voor patiënten die onsuccesvol met DAA’s zijn behandeld. Het is daarom aan te bevelen om behandeling van patiënten met chronische hepatitis C voor te behouden aan expertisecentra met de benodigde infrastructuur en gespecialiseerde verpleegkundigen die optimale behandeling mogelijk maken.

Uitleg

METAVIR-score Ontstekingsactiviteit (A) en histologische leverfibrose (F) kunnen in een biopt van de lever worden gescoord volgens de METAVIR-classificatie: A0 = geen activiteit; A1 = geringe activiteit; A2 = matige activiteit; A3 = ernstige activiteit; F0 = geen portale fibrose; F1 = portale fibrose zonder septa; F2 = portale fibrose met enkele septa; F3 = portale fibrose met veel septa, maar zonder cirrose; F4 = cirrose.

Leerpunten

  • Ongeveer 130-210 miljoen mensen wereldwijd hebben chronische hepatitis C.

  • De standaardbehandeling van chronische hepatitis C met gepegyleerd interferon-α (peginterferon) en ribavirine heeft ernstige bijwerkingen en de kans op genezing is suboptimaal voor HCV-genotype 1 en 4.

  • Proteaseremmers behoren tot een nieuwe klasse medicijnen die direct op de levenscyclus van HCV aangrijpt.

  • De kans op genezing voor patiënten met HCV-genotype 1 verdubbelt bijna met de combinatie proteaseremmers, peginterferon en ribavirine en de behandelduur is korter.

  • De complexiteit van de behandeling van HCV zal met de nieuwe behandeling toenemen door de selectie van resistente virusstammen en bijkomende bijwerkingen.

Literatuur
  1. Shepard CW, Finelli L, Alter MJ. Global epidemiology of hepatitis C virus infection. Lancet Infect Dis. 2005;5:558-67 Medline. doi:10.1016/S1473-3099(05)70216-4

  2. Slavenburg S, Verduyn-Lunel FM, Hermsen JT, Melchers WJG, te Morsche RHM, Drenth JPH. Prevalence of hepatitis C in the general population in the Netherlands. Neth J Med. 2008;66:13-7 Medline.

  3. Thein HH, Yi Q, Dore GJ, Krahn MD. Estimation of stage-specific fibrosis progression rates in chronic hepatitis C virus infection: a meta-analysis and meta-regression. Hepatology. 2008;48:418-31 Medline. doi:10.1002/hep.22375

  4. Deuffic-Burban S, Deltenre P, Louvet A, et al. Impact of viral eradication on mortality related to hepatitis C: a modeling approach in France. J Hepatol. 2008;49:175-83 Medline. doi:10.1016/j.jhep.2008.04.012

  5. Deuffic-Burban S, Babany G, Lonjon-Domanec I, et al. Impact of pegylated interferon and ribavirin on morbidity and mortality in patients with chronic hepatitis C and normal aminotransferases in France. Hepatology. 2009;50:1351-9 Medline. doi:10.1002/hep.23159

  6. European Association for the Study of the Liver. EASL Clinical Practice Guidelines: Management of hepatitis C virus infection. J Hepatol. 2011;55:245-64 Medline. doi:10.1016/j.jhep.2011.02.023

  7. De Vries MJ, Te Rijdt B, Van Nieuwkerk CMJ. Genotype distribution amongst hepatitis C patients in The Netherlands. Neth J Med. 2006;64:109-13 Medline.

  8. Moreno C, Deltenre P, Pawlotsky JM, Henrion J, Adler M, Mathurin P. Shortened treatment duration in treatment-naive genotype 1 HCV patients with rapid virological response: a meta-analysis. J Hepatol. 2010;52:25-31 Medline. doi:10.1016/j.jhep.2009.10.003

  9. Dalgard O, Bjoro K, Ring-Larsen H, et al. Pegylated interferon alfa and ribavirin for 14 versus 24 weeks in patients with hepatitis C virus genotype 2 or 3 and rapid virological response. Hepatology. 2008;47:35-42 Medline. doi:10.1002/hep.21975

  10. Shiffman ML, Suter F, Bacon BR, et al. Peginterferon alfa-2a and ribavirin for 16 or 24 weeks in HCV genotype 2 or 3. N Engl J Med. 2007;357:124-34 Medline. doi:10.1056/NEJMoa066403

  11. Ge D, Fellay J, Thompson AJ, et al. Genetic variation in IL28B predicts hepatitis C treatment-induced viral clearance. Nature. 2009;461:399-401 Medline. doi:10.1038/nature08309

  12. Manns MP, McHutchison JG, Gordon SC, et al. Peginterferon alfa-2b plus ribavirin compared with interferon alfa-2b plus ribavirin for initial treatment of chronic hepatitis C: a randomised trial. Lancet. 2001;358:958-65 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(01)06102-5

  13. Fried MW, Shiffman ML, Reddy KR, et al. Peginterferon alfa-2a plus ribavirin for chronic hepatitis C virus infection. N Engl J Med. 2002;347:975-82 Medline. doi:10.1056/NEJMoa020047

  14. Hadziyannis SJ, Sette HJ, Morgan TR, et al. Peginterferon-alpha2a and ribavirin combination therapy in chronic hepatitis C: a randomized study of treatment duration and ribavirin dose. Ann Intern Med. 2004;140:346-55 Medline.

  15. Antaki N, Craxi A, Kamal S, et al. The neglected hepatitis C virus genotypes 4, 5 and 6: an international consensus report. Liver Int. 2010;30:342-55 Medline. doi:10.1111/j.1478-3231.2009.02188.x

  16. Roomer R, Hansen BE, Janssen HL, de Knegt RJ. Risk factors for infection during treatment with peginterferon alfa and ribavirin for chronic hepatitis C. Hepatology. 2010;52:1225-31 Medline. doi:10.1002/hep.23842

  17. Poynard T, Colombo M, Bruix J, et al. Peginterferon alfa-2b and ribavirin: effective in patients with hepatitis C who failed interferon alfa/ribavirin therapy. Gastroenterology. 2009;136:1618-28.e2 Medline. doi:10.1053/j.gastro.2009.01.039

  18. Jensen DM, Marcellin P, Freilich B, et al. Re-treatment of patients with chronic hepatitis C who do not respond to peginterferon-alpha2b: a randomized trial. Ann Intern Med. 2009;150:528-40 Medline.

  19. Jacobson IM, McHutchison JG, Dusheiko G, et al. Telaprevir for previously untreated chronic hepatitis C virus infection. N Engl J Med. 2011;364:2405-16 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1012912

  20. Sherman KE, Flamm SL, Afdhal NH, et al. Response-guided telaprevir combination treatment for hepatitis C virus infection. N Engl J Med. 2011;365:1014-24 Medline.

  21. Poordad F, McCone JJ, Bacon BR, et al. Boceprevir for untreated chronic HCV genotype 1 infection. N Engl J Med. 2011;364:1195-206 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1010494

  22. Zeuzem S, Andreone P, Pol S, et al. Telaprevir for retreatment of HCV infection. N Engl J Med. 2011;364:2417-28 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1013086

  23. Bacon BR, Gordon SC, Lawitz E, et al. Boceprevir for previously treated chronic HCV genotype 1 infection. N Engl J Med. 2011;364:1207-17 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1009482

  24. McHutchison JG, Manns MP, Muir AJ, et al. Telaprevir for previously treated chronic HCV infection. N Engl J Med. 2010;362:1647. doi:10.1056/NEJMx100018

  25. Kwo PY, Lawitz EJ, McCone J, et al. Efficacy of boceprevir, an NS3 protease inhibitor, in combination with peginterferon alfa-2b and ribavirin in treatment-naive patients with genotype 1 hepatitis C infection (SPRINT-1): an open-label, randomised, multicentre phase 2 trial. Lancet. 2010;376:705-16 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(10)60934-8

  26. Ghany MG, Nelson DR, Strader DB, Thomas DL, Seeff LB; American Association for Study of Liver Diseases. An update on treatment of genotype 1 chronic hepatitis C virus infection: 2011 practice guideline by the American Association for the Study of Liver Diseases. Hepatology. 2011;54:1433-44 Medline. doi:10.1002/hep.24641

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

Afd. Maag-, Darm-, en Leverziekten: S.J. Aronson BSc, student; drs. J. de Bruijne, MDL-arts in opleiding (thans: Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, afd. Interne Geneeskunde, Amsterdam); dr. C. J. Weegink, arts; dr. M. van der Valk, internist-infectioloog (tevens: afd. Infectieziekten, Tropische geneeskunde en AIDS); dr. H.W. Reesink, internist-hepatoloog.

Afd. Medische Microbiologie: dr. J. Schinkel, arts-microbioloog.

Contact dr. H.W. Reesink (h.w.reesink@amc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: H.W. Reesink ontving vergoedingen voor consultatieve werkzaamheden voor PRA-International. De instelling waarvoor hij werkzaam is, ontving vergoedingen van Agis voor deelname aan het zorgvernieuwingsproject 2006. J. Schinkel ontving beurzen van verschillende bedrijven (PRA-International, Siemens Healthcare, Diagnostics, Idenix en Anadys). M. van der Valk kreeg vergoedingen voor consultatieve werkzaamheden voor ViiV Healthcare en voor het geven van lezingen voor Boehringer-Ingelheim. Financiële ondersteuning voor dit artikel: geen gemeld.
Aanvaard op 22 januari 2011

Gerelateerde artikelen

Reacties