Nederlandse Vereniging voor Hematologie

A.E.G.Kr. von dem Borne
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:280-4
Download PDF

Vergadering gehouden op 11 mei 1985 te Nijmegen

P.Muus, B.de Pauw en C.Haanen (Nijmegen), Hoge dosis cytarabine bij recidieven van acute leukemie

Remissie-inductiebehandeling bij patiënten met acute leukemie is minder succesvol bij een recidief dan wanneer de ziekte zich voor het eerst manifesteert. Op de behandeling volgt een langer durende periode van beenmerghypoplasie, in een lager percentage wordt complete remissie bereikt en de duur van iedere volgende remissie is korter. Bij een tweede of derde recidief zijn deze ongunstige factoren nog duidelijker, en uiteindelijk ontstaat therapieresistentie. Een hypothese ter verklaring van deze secundaire resistentie is selectie en uitgroei van cellen met een veranderd metabolisme als gevolg van het gebruikte cytostaticum. Om deze reden behandelden wij 28 patiënten met recidiefleukemie en (of) resistente leukemie met 5-10 maal de conventionele dosering cytarabine (Ara-C). Negen van de 28 patiënten hadden acute lymfatische leukemie (ALL), 15 acute nonlymfatische leukemie (ANLL) en 4 een blastaire transformatie van chronische myeloïde leukemie (CML). De 15 patiënten met recidiefleukemie ontvingen cytarabine 2 dd 1 gm², de 13 patiënten met resistente leukemie 2 dd 2 gm², gedurende dag I-VI. Achttien patiënten kregen op dag V-VII amsacrine toegediend. De kuren werden gevolgd door een hypoplastische periode van gemiddeld 25 dagen. Vier van de 13 patiënten met resistente leukemie kwamen in complete remissie. Deze was in alle gevallen echter van zeer korte duur. Acht van de 15 patiënten uit de groep met recidiefleukemie (allen AML) bereikten een complete remissie, 7 van hen ontvingen een consolidatiebehandeling. De remissieduur in deze groep is 34 weken (12-79 weken). Bij 6 patiënten werd voorafgaande aan de kuur de opneming van cytarabine en fosforylering in vitro gemeten in beenmergblasten. Tevens werd gemeten de retentie van de fosforyleringsprodukten en de incorporatie van cytarabine in het cel-DNA. Bij 7 patiënten werd in vivo retentie van cytarabine in beenmergblasten gemeten tijdens de kuren. Er werden geen verschillen gevonden in de genoemde parameters bij patiënten die wel en patiënten die niet in remissie kwamen en evenmin ten aanzien van de remissieduur.

Conclusie

Er werden geen aanwijzingen gevonden die therapieresistentie bij acute leukemie zouden kunnen verklaren door metabolisme van cytarabine.

R.Raijmakers, P.Speth en T.de Witte (Nijmegen), Het effect van intracellulaire concentraties van adriamycine op clonogene cellen

Intracellulaire (ic) accumulatie van adriamycine (ADM) verloopt verschillend na een bolusinjectie of langdurige infusie. De na een bolusinjectie bereikte kortdurende hoge plasmaspiegel gaat gepaard met een zeer sterke accumulatie van ic ADM, doch na het verdwijnen van de ADM in het plasma verliezen ook de cellen een deel ervan. Tijdens langer durende infusie zijn de plasmaspiegels lager, afhankelijk van de duur van de infusie, met als gevolg een tragere, zij het in de tijd toenemende, cellulaire accumulatie. Het verlies van de ic ADM na het verdwijnen van de ADM in het plasma is geringer naarmate de infusieduur langer is. Waarschijnlijk moet het verschillende verloop verklaard worden door een tweefasig proces: een zeer snelle ic accumulatie en een veel tragere irreversibele intercalatie in het DNA. De vraag of deze verschillende wijzen van toediening voor het cytotoxische effect van belang zijn werd beantwoord door in vitro een bolusinjectie en een kort- en een langdurige infusie te simuleren wat betreft het ic ADM-verloop. Humane beenmergcellen werden aan toenemende ADM-concentraties blootgesteld gedurende 5 minuten, 2 en 24 uur, en na incubatie werd het cytotoxische effect op clonogene colony forming unit-granulocytes monocytes gemeten. Onafhankelijk van de wijze van blootstelling bleek er een direct verband te bestaan tussen de irreversibel gebonden ic ADM-concentratie en het cytotoxische effect.

Gezien het feit dat kortdurende hoge ADM-spiegels na bolusinjectie veel toxischer zijn (misselijkheid en braken, schade aan niet-delende weefsels zoals de hartspier) lijkt langdurige infusie de aangewezen toedieningswijze voor ADM, omdat het cytotoxische effect hetzelfde is.

E.van der Schoot, M.B.van 't Veer, P.A.T.Tetteroo, F.J.Visser en A.E.G.Kr.von dem Borne (Amsterdam), Myeloïde differentiatie van leukemische cellen van acute myeloïde leukemie-patiënten na suspensiekweek

In tegenstelling tot de grote waarde van de immunologische classificatie bij de lymfatische leukemieën zijn de immunologische methoden (nog) van weinig belang bij de indeling van de myeloïde en ongedifferentieerde leukemieën. De oorzaak hiervan is het ontbreken van monoklonale antistoffen die reageren met antigene determinanten op zéér vroege myeloïde voorlopercellen, zodat bij veel myeloïde leukemieën met immunologische methoden de myeloïde oorsprong van de leukemie niet aan te tonen is. Bij 15 patiënten met acute myeloïdeongedifferentieerde leukemie is onderzocht of de leukemische cellen in kweek tot differentiatie gebracht kunnen worden, al dan niet in aanwezigheid van tumorpromotors (TPA). Na 3 dagen kweken werden de cellen geoogst en opnieuw werd het celmembraanfenotype bepaald met een panel van monoklonale antistoffen gericht tegen myeloïde en lymfatische cellen. Bij 6 patiënten was op grond van de reactie met de monoklonale antistoffen voor de kweek geen uitspraak te doen over de al dan niet myeloïde oorsprong van de leukemische cellen. Bij 5 patiënten luidde de uitslag waarschijnlijk een myeloïde leukemie, d.w.z. meer dan 40 van de cellen reageerde met slechts één van de myeloïd-specifieke monoklonale antistoffen. Bij 4 patiënten was er een duidelijk myeloïd reactiepatroon, dat wil zeggen dat meer dan 40 van de cellen reageerde met 2 of meer myeloïd-specifieke antistoffen. Na kweken met en zonder TPA werden de cellen van alle patiënten positief voor myeloïde markers. Bij 11 respectievelijk 4 patiënten bestond een myeloïd respectievelijk waarschijnlijk myeloïd reactiepatroon. De reactie met de lymfoïde-specifieke monoklonale antistoffen bleef negatief. Als controle zijn deze op cellen van 6 patiënten met een acute lymfatische leukemie gekweekt (3-CALL-ALL, 3 T-ALL). Bij deze patiënten bleven de lymfatische antigenendeterminanten op de cellen tijdens de kweek bestaan, en bleef de reactie met de myeloïd-specifieke monoklonale antistoffen negatief.

Er zijn nog onvoldoende patiënten met ongedifferentieerde leukemie in het onderzoek betrokken om een uitspraak te kunnen doen over de toepasbaarheid van deze methode voor de diagnostiek ervan.

Samenvatting

Differentiatie van leukemische cellen kan een hulpmiddel zijn bij de immunologische classificatie van acute myeloïde leukemie.

J.van der Lelie, J.M.A.Lange, C.M.van der Plas-van Dalen, J.J.E.Vos, J.Goudsmit, S.A.Danner en A.E.G.Kr. von dem Borne (Amsterdam), Auto-immuniteit tegen bloedcellen bij patiënten met human T-cell lymphotropic virus type III-infectie

Bij veel patiënten met AIDS maar soms ook bij gezonde personen behorend tot risicogroepen om AIDS te krijgen, komen hematologische afwijkingen voor zoals anemie, trombocytopenie of granulocytopenie. Wij onderzochten of auto-immuniteit een rol speelt bij het ontstaan van deze afwijkingen. Onderzocht werden 16 patiënten met AIDS en 7 met AIDS-related complex (ARC), welke allen HTLV-III positief waren, en verder 10 gezonde, seksueel actieve homoseksuele mannen, van wie er 3 HTLV-III positief bleken. Bij geen van allen werden antistoffen tegen erytrocyten gevonden. Antistoffen tegen trombocyten en granulocyten kwamen echter frequent voor. Met behulp van de plaatjessuspensie-immunofluorescentietest werden aan trombocyten gebonden immunoglobulinen gevonden bij alle patiënten met AIDS, bij 5 van de 7 met ARC en bij 7 van de 10 uit de risicogroep. Aan granulocyten gebonden immunoglobulinen werden met behulp van immunofluorescentie aangetoond bij 12 van de 16 AIDS-patiënten, 5 van de 7 patiënten met ARC en 2 van de 10 gezonde personen uit de risicogroep. De aan de cel gebonden immunoglobulinen behoorden meestal tot de IgG-klasse, maar IgM en een enkele maal IgA werden ook gevonden. De aan plaatjes gebonden immunoglobulinen konden gewoonlijk worden geëlueerd met ether. Hieruit blijkt dat niet de positie van immuuncomplexen (welke vaak verhoogd waren) op de trombocyt maar specifieke autoantistoffen de oorzaak zijn van de positieve immunofluorescentie. De aan granulocyten gebonden immunoglobulinen konden in twee derde van de gevallen geëlueerd worden met zuur. Opmerkelijk was dat er geen verband werd gevonden tussen het al dan niet bestaan van een trombo- of granulocytopenie en de serologische resultaten.

Samenvatting

Antistoffen tegen trombocyten en granulocyten worden gevonden bij veel patiënten met AIDS en ARC, maar ook bij gezonde personen behorend tot de risicogroep. Verder onderzoek is nodig om de pathogenetische betekenis van deze antistoffen vast te stellen.

K.Sintnicolaas, J.J.B.van der Steuijt, J.Priem en J.M.Pekelharing (Rotterdam), Een microtiter-”solid-phase-enzymimmunoassay“ voor de opsporing van alloantistoffen tegen trombocyten

In vitro-tests om alloantistoffen tegen trombocyten aan te kunnen tonen zijn noodzakelijk om allo-immunisatie als de oorzaak van slechte resultaten van trombocytentransfusies te kunnen bevestigen en om compatibele donors voor bloedplaatjes ten behoeve van geïmmuniseerde patiënten te kunnen selecteren. Voor dit doel hebben wij een objectieve en snelle solid-phase-enzymimmunoassay (ELISA) ontwikkeld, waarbij gebruikt wordt gemaakt van trombocyten gecoat aan de wand van een 96-wellsmicrotiterplaat, en de resultaten van deze test vergeleken met die van de plaatjesimmunofluorescentietest (PIFT).1 De ELISA bleek eenvoudig en snel uit te voeren. Anti-A-antistoffen werden opgespoord. De gevoeligheid van ELISA en PIFT bleek vergelijkbaar. Bij 13 van 14 patiënten die refractair waren voor random-donortrombocyten waren ELISA en PIFT positief. Bij trombocytenkruisproeven van single-donortrombocytentransfusies werd voor ELISA en PIFT een lage frequentie van fout-positieve resultaten gevonden: 342 en 232 resp. Fout-negatieve resultaten kwamen vaker voor: 38 en 35 resp. De ELISA lijkt zeer geschikt om zonder voorafgaande HLA-typering compatibele donors te selecteren voor geïmmuniseerde patiënten, omdat cellen van veel donors op één plaat in de vriezer kunnen worden bewaard. Onze eerste ervaring op dit gebied betreft een geïmmuniseerde patiënt die uitsluitend met trombocyten van donors geselecteerd op kruisproeven succesvol is getransfundeerd in de periode direct na een allogene beenmergtransplantatie.

Onze conclusie is dat de ELISA een gevoelige en praktische methode is om alloantistoffen tegen trombocyten aan te tonen en mogelijkheden biedt om zonder voorafgaande HLA-typering donors voor geïmmuniseerde patiënten te selecteren.

I.Van Riet, N.Mertens, G.Vanden Brande en B.Van Camp (Brussel), Produktie van monoklonale antilichamen tegen B-celantigenen en hun gebruik in de in vitro-behandeling van beenmergsuspensies

De ontwikkeling van de hybridomatechnologie resulteerde in de produktie van diverse antilichamen, gericht tegen specifieke membraanantigenen op de B-Iymfocyt. Sommige van deze antilichamen leverden een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van de klinische diagnose en de behandeling van B-celtumoren. Wij produceerden 4 monoklonale antilichamen, HI-B1, HI-B2, HI-B3 en HAN-PC1, die verschillende B-celantigenen opsporen. HI-B1, verkregen na immunisatie met de plasmacytomacellijn ARH-77, herkent zowel immature als mature B-cellen met uitzondering van plasmacellen. HI-B2 en HI-B3, geproduceerd na immunisatie met tumorcellen van een patiënt met centrocytaircentroblastisch (cccb) lymfoom, tonen een beperkt reactiepatroon. HI-B2 reageert met een gering aantal B-lymfocyten in perifeer bloed en beenmerg doch herkent een meerderheid van B-cellen op tonsilweefsel. Tevens werd sterke reactiviteit vastgesteld op tumorweefsel van cccb-patiënten. HI-B3 herkent een subpopulatie van normale perifere B-lymfocyten en de tumorcelpopulatie van B-CLL-patiënten en sommige cccb-patiënten. HAN-PC1 geproduceerd na immunisatie met tumorcellen van een patiënt met multipele myeloma reageert met normale en maligne plasmacellen en thymocyten. In een preliminaire fase werden de vier monoklonale antilichamen betrokken bij hematologisch stamcelonderzoek. Hieruit bleken zowel HI-B1 als HAN-PC1 te reageren met de myeloïde (colony forming unit-granulocytes monocytes) en erytroïde (burst forming unit-erytrocytes) celprecursoren. HI-B2 en HI-B3 veroorzaakten geen significante inhibitie van de stamcelgroei. Deze 4 monoklonale antilichamen bieden gebruiksmogelijkheden in de klinische diagnose van B-celtumoren. HI-B2 en HI-B3, in het bijzonder, kunnen aangewend worden voor fenotypebepaling en opsporing van circulerende tumorcellen bij sommige patiënten met B-cellymfoom. Tevens blijken zij geschikt te zijn voor in vitro-zuiveringen van maligne beenmerg.

J.C.Kluin-Nelemans, R.L.H.Bolhuis, B.Löwenberg en W.Sizoo (Leiden), Het reactiepatroon van normaal en regenererend beenmerg met monoklonale antilichamen

Cytomorfologisch is het niet mogelijk om minimal residual disease in het beenmerg van patiënten behandeld wegens leukemie of leukemisch non-Hodgkin-lymfoom (NHL) aan te tonen. Detectie van geringe hoeveelheden (9l). De perifere bloedbijmenging in het beenmergpunctaat werd berekend. Na Ficoll-gradiëntcentrifugatie werd een mononucleaire celsuspensie verkregen. Een May-Grünwald-Giemsa (MGG)-kleuring op deze suspensie wees uit dat bij het merendeel van de patiënten sprake was van een linksverschuiving. De erytropoëse was verhoudingsgewijs vaak zeer actief. Bij de 12 gezonde personen werd een grote spreiding gevonden in de reactiviteit met het panel van MCA; deze spreiding was nog groter bij de patiënten. In de patiëntengroep met solide tumoren werden soms hoge percentages (tot 19) CALLA-positieve cellen gezien, zeer waarschijnlijk veroorzaakt door lymfohematopoëtische voorlopercellen. Naar onze mening moeten gegevens verkregen uit beenmergonderzoek met MCA bij patiënten behandeld wegens leukemie of NHL gerelateerd worden aan:

– de hoeveelheid contaminerend perifeer bloed (Holdrinet-index);

– de morfologische samenstelling van de met MCA geanalyseerde beenmergcelsuspensie (MGG-kleuring);

– de normale waarden van beenmerg verkregen bij leeftijdgenoten en liefst ook van regenererend beenmerg van patiënten behandeld met chemotherapie wegens niet-hematologische maligniteiten.

J.E.Ploem, P.Meera Khan, J.Th.Wijnen en R.S.Weening (Amsterdam, Leiden), Niet-familiaire, niet-sferocytaire hemolytische anemie bij een vrouw van 21 jaar tengevolge van glucose-6-fosfaat-dehydrogenasetekort in de rode bloedcellen

Het klinische beeld bij patiënte werd gekenmerkt door neonatale geelzucht en ernstige hemolyse bij infecties en na inname van o.a. nitrofurantoïne. Er was een constante matige hemolyse (Hb 7,5 mmoll, reticulocyten 38‰, in he serum een licht verlaagd haptoglobine- en verhoogd bilirubinegehalte). In de rode bloedcellen van patiënte was geen G6PD-activiteit aantoonbaar. De G6PD-activiteit in de leukocyten en fibroblasten was verlaagd, respectievelijk tot 0,5 en 10 van de normale waarden. Bij verdere analyse van het G6PD bleek sprake te zijn van een nieuwe variant (o.a. een afwijkende elektroforetische mobiliteit). Het oxydatieve metabolisme van de neutrofiele granulocyten was licht gestoord; de functieproeven (fagocytose van E. coli) waren ongestoord. De kwantitatieve cytochemische analyse van de rode bloedcellen (NBT-slide-test) gaf een beeld dat paste bij een patiënte die homozygoot is voor G6PD-deficiëntie. Bij chromosomenonderzoek van patiënte werd een normaal vrouwelijk karyotype gevonden. De tot nu toe beschreven patiënten met G6PD-deficiëntie en chronische hemolytische anemie zijn bijna allen mannen. Bij de ouders (ouderschapsonderzoek werd verricht), 2 zusters en broer, 5 ooms en 6 tantes van vaderszijde en 7 ooms en 5 tantes van moederszijde was het G6PD-gehalte in de rode bloedcellen normaal.

Gezien het negatieve familie-onderzoek is bij patiënte een mutatie van het G6PD-gen het meest waarschijnlijk. Mogelijk is bij haar sprake van een extreme lyonisatie (in bijna 100 van de rode bloedcellen zou bij haar het X-chromosoom met het normale G6PD-gen geïnactiveerd zijn). Of er heeft een translokatie plaatsgehad van het gemuteerde G6PD-gen naar een autosomaal chromosoom, met daarbij een 100 inactivatie van het normale X-chromosoom.

G.E.G.Verhoef, H.Kerkhofs, H.L.Haak, W.B.J.Gerrits, J.te Velde en C.H.W.Leeksma ('s-Gravenhage), Myelodysplastische afwijkingen bij de ziekte van Hodgkin

Bij een onderzoek van 85 patiënten met de ziekte van Hodgkin toonden 41 reeds voor behandeling afwijkingen passend bij een myelodysplastisch syndroom (MDPS). Het meest frequent waren korrelarmoede van de neutrofielen (72), dysplastische trombocyten (70), dysplastische eosinofielen (18), ”giant neutrophils“ (18), basofilie (16), pseudo-Pelger-afwijking van de neutrofielen (10), monocytose met atypische monocytaire cellen (10) en macro-ovalocytose van de erytrocyten (10). In het beenmerg waren de meest frequente afwijkingen korrelarme myelocyten, megakaryocytaire hyperplasie met kleine, rondkernige en bizarre megakaryocyten met clustering (70), megaloblastoïde erytropoëse (20), ringsideroblasten (12), vermeerdering van mestcellen (18) en vezeltoename (80). Van 35 patiënten boven de 40 jaar hadden 28 duidelijke afwijkingen tegen 14 van 50 jongeren. Bij indeling volgens de FAB-classificatie hadden 4 RA, 3 AISA, 3 CMML en 1 RAEB. Eén patiënt had een idiopathische myelofibrose. Allen waren boven de 40 jaar. De overige 30 patiënten hadden afwijkingen passend bij een vroege fase van MDPS en waren waarschijnlijk mede hierdoor niet goed te classificeren. Van deze 30 patiënten waren bij 17 de afwijkingen progressief. Bij 13 bleven zij constant aanwezig ook tijdens remissie. Bij 5 patiënten (allen met afwijkingen vóór behandeling) ontwikkelde zich een acute myeloïde leukemie. Bij cytogenetisch onderzoek werd bij 3 van 13 patiënten een deletie 20q gevonden. Dit is een afwijking waarvan geen verband met cytostatische behandeling bekend is. De resultaten van het onderzoek tonen aan dat afwijkingen van een MDPS bij ziekte van Hodgkin vaak al vóór behandeling aanwezig kunnen zijn. In deze gevallen zou er een grotere kans zijn op het ontstaan van een acute myeloïde leukemie. Om dit te kunnen bevestigen zal verder onderzoek nodig zijn. De resultaten van het hier beschreven onderzoek geven steun aan de veronderstelling dat aan het gezamenlijk voorkomen van MDPS met maligne lymfatische aandoeningen een onstabiele pluripotente stamcel ten grondslag zou kunnen liggen.

A.C.M.Kroes, J.Lindemans en J.Abels (Rotterdam), Toepassing van het inactiveren van vitamine B12 door lachgas in combinatie met methotrexaat bij leukemie in ratten

Het vitamine B12-afhankelijke enzym methioninesynthetase, dat van belang is in de foliumzuurstofwisseling, wordt vrijwel volledig geïnactiveerd onder invloed van lachgas (N2O). Dit specifieke effect berust op de oxidatie van het cobaltion in het cobalamine-coënzym van dit enzym. De ernstige megaloblastaire beenmergdepressie bij langdurige blootstelling aan lachgas wordt hierdoor verklaard. De recente ontdekking van deze interactie is niet alleen van toxicologisch belang, maar is ook van grote waarde gebleken voor fundamenteel onderzoek van de vitamine B12-stofwisseling. Daarnaast is oriënterend onderzoek begonnen naar een eventuele toepassing van dit effect in de chemotherapie van met name leukemie. Voor dit onderzoek gebruiken wij een in vivo-leukemiemodel: de transplanteerbare myeloïde leukemie in Brown Norway-ratten. Ratten die aan lachgas werden blootgesteld toonden een in verschillende opzichten verminderde groei van de leukemie, met biochemisch aanwijzingen voor een verstoorde functie van vitamine B12 in de leukemiecellen (dU-suppressietest). Ook het plasmagehalte aan vitamine B12 daalde sterk tijdens de behandeling. De specifieke metabole verstoring door lachgas kan uitgebuit worden door weloverwogen combinaties met andere cytostatisch werkende enzymremmers. Dit konden wij aantonen voor de combinatie van lachgas met cycloleucine, een remmer van de synthese van S-adenosylmethionine. Een duidelijk gunstig effect blijkt echter ook bij combinatietherapie met lachgas en methotrexaat: in feite is dit het simultaan antagoneren van vitamine B12 en foliumzuur. De groeiremmende werking van methotrexaat op leukemie bij ratten wordt aanzienlijk versterkt, indien tevoren gedurende enige dagen lachgas werd toegediend. Bij biochemisch onderzoek blijkt dat deze voorbehandeling met lachgas de effecten van methotrexaat potentieert ten aanzien van het intracellulaire foliumzuurgehalte, de synthese van en de concentratie aan dTTP. De versterkte groeiremming kan dus ook metabool verklaard worden. Deze resultaten wijzen op het belang van het vitamine B12-afhankelijke metabolisme als een mogelijk nieuw aangrijpingspunt in de chemotherapie van leukemie. Voorlopig lijkt vooral het bereiken van een synergistisch effect in combinaties met bestaande middelen een reële mogelijkheid.

T.de Witte, J.Hoogenhout en T.van Loon (Nijmegen), Een lage incidentie van interstitiële pneumonie na allogene beenmergtransplantatie

Interstitiële pneumonie (IP) komt voor bij 20 tot 25 van de patiënten na een allogene beenmergtransplantatie (BMT). De sterfte van deze complicatie is hoog: 60-80. Predisponerende factoren zijn: ernstige acute graft versus host-ziekte (GVHZ), een hoge dosissnelheid bij de totale lichaamsbestraling (TLB), een enkele dosering TLB, het gebruik van methotrexaat, het profylactisch geven van granulocytenconcentraten en een positieve cytomegalovirusserologie voor de transplantatie. Meestal wordt geen verwekker aangetoond: idiopathische IP, maar in 30-40 van de gevallen kan een CMV-infectie of reactivatie vastgesteld worden. In Nijmegen ontvingen 28 patiënten met een acute leukemie in remissie of een chronische myeloïde leukemie in eerste chronische fase of in vroege acceleratie een allogene BMT van een histocompatibele broer of zuster. Ongeveer 98 van de lymfocyten werden uit het transplantaat verwijderd d.m.v. tegenstroomcentrifugatie. De conditionering bestond uit cyclofosfamide: 60 mgkg op dag -6 en dag -5, gevolgd door TLB: 450 cGy (dosissnelheid 5,5 cGymin) op dag -2 en -1. De longdosis was 770 cGy. Alle patiënten ontvingen kortdurende immunosuppressie na de transplantatie (methotrexaat: 9; cyclosporine: 19). Achttien patiënten ontvingen profylactisch acyclovir 1600 mgdag van dag -860. De bloedprodukten waren gefiltreerd (erytrocyten) of leukocytenarm (trombocyten), en bereid van willekeurige bloeddonors.

Veertien patiënten hadden een negatieve CMV-serologie voor de BMT. Bij geen van hen ontstond een IP of een seroconversie voor CMV. Veertien patiënten hadden een positieve CMV-serologie voor BMT. Bij 3 ontstond een serologische reactivatie, maar zonder klinische verschijnselen of een IP. Bij 1 patiënt ontstond een dodelijke IP. Behalve CMV kon ook Pneumocystis carinii uit de longen geïsoleerd worden. Ook bij de overigen ontstond geen IP. Bij geen van de 28 patiënten ontstond een acute GVHZ of een ernstige chronische GVHZ.

Conclusie

Bij deze groep patiënten vormden IP- en CMV-infecties na allogene BMT geen groot probleem, dank zij de volledige preventie van de acute GVHZ en de lage dosissnelheid van de gefractioneerde totale lichaamsbestraling.

H.K.Nieuwenhuis en J.J.Sixma (Utrecht), Behandeling van diffuse intravasale stolling bij acute promyelocytenleukemie met Heparinoïd Org 10172

Acute promyelocytenleukemie (APL) is een relatief zeldzame vorm van leukemie gepaard gaande met een ernstige bloedingsneiging en diffuse intravasale stolling (DIS). Ongeveer 30 van de patiënten overlijdt t.g.v. een hersenbloeding tijdens de 1e remissie-inductietherapie. Behandeling van de DIS met heparine zou een gunstig effect kunnen hebben maar is omstreden wegens het gevaar van door heparine geïnduceerde bloedingen. Heparinoïd Org 10172 is een laag-moleculaire heparinefractie met een in vergelijking met standaardheparine krachtig anti-Xa-effect en een gering anti-IIa-effect. Bij proefdieren induceert Heparinoïd Org 10172 minder bloedingen dan standaardheparine en gezien deze eigenschappen zou het de voorkeur verdienen bij patiënten met een bloedingsneiging. In een prospectief oriënterend onderzoek hebben we 4 patiënten met APL en DIS tijdens 1e remissie-inductietherapie behandeld met Heparinoïd Org 10172, hetgeen continu i.v. werd toegediend gedurende 25-30 dagen op geleide van een anti-Xa-bepaling. De Heparinoïd-spiegels waren 0,6-0,8 Eml (anti-Xa) en 0,0-0,2 Eml (verdunde APTT). Tijdens de eerste week van de behandeling waren er geen nieuwe bloedingen en de, aanvankelijk zeer lage, fibrinogeengehaltes werden normaal. Dit duidt erop dat Heparinoïd Org 10172 in staat is DIS te remmen. In de 2e week kregen 2 patiënten nieuwe bloedingen als gevolg van een versterkte fibrinolyse, gekenmerkt door sterke dalingen van fibrinogeen, ?2-antiplasmine en plasminogeen bij een normaal ATIII. Alle vier patiënten kwamen in remissie. We concludeerden dat Heparinoïd Org 10172 waardevol kan zijn bij de behandeling van DIS, maar dat bij APL remming van de DIS onvoldoende is om alle bloedingscomplicaties te voorkomen, aangezien ook een versterkte, waarschijnlijk primaire, fibrinolyse kan ontstaan.

Literatuur
  1. Borne AEGKr von dem, Verheugt FW, Oosterhof F, Riesz Evon. Rivière AB de la, Engelfriet CP. A simple immunofluorescence testfor the detection of platelet antibodies. Br J Haematol 1978; 39:195-207.

Gerelateerde artikelen

Reacties