Nederlandse Vereniging voor Allergologie

Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1727-8
Download PDF

Vergadering gehouden op 15 maart 1986 te Utrecht

M.N.B.M.Driessen en J.A.G.van Luijn (H. Landstichting), Grassoorten en pollinosis

Met behulp van gegevens uit de medische en botanische literatuur wordt een poging gedaan om te komen tot een zo objectief mogelijke selectie van de grassoorten die van belang zijn als verwekkers van hooikoortsklachten in Nederland. Uitgaande van de 144 in Nederland voorkomende grassen en granen, komen wij dan op grond van vijf selectiecriteria tot 29 grassoorten (behorende tot 20 geslachten). De twee belangrijkste criteria luiden: (1) De pollen-producerende plantesoort moet rijkelijk voorkomen in een bepaald gebied, dat niet te klein mag zijn. Hierbij werd gebruik gemaakt van de inventarisatie-gegevens van het Rijksherbarium te Leiden. Dit criterium leverde een reductie op van 144 naar 39 grassoorten. (2) De plantesoort moet grote hoeveelheden pollen produceren. Grassoorten met weinig pollenproduktie en zelfbestuivende grassoorten werden daarom uitgesloten. Hiermee werd een reductie bereikt van 39 naar 30 grassoorten. Met de overige 3 selectiecriteria werd nog 1 grassoort uitgesloten, zodat er 29 grassoorten overbleven. Deze 29 geselecteerde grassoorten werden vergeleken met de graspollenextracten die de vijf farmaceutische industrieën thans op de markt brengen. Er blijkt een zeer aanzienlijke diversiteit te bestaan in hun graspollenassortiment. Tevens worden grassoorten geleverd door de industrie die door ons niet van belang worden geacht, terwijl wij er belangrijk vinden die door de industrie niet worden geleverd. Ingegaan wordt op kruisallergeniciteit bij plantesoorten en in het bijzonder bij grassoorten. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen de hiërarchische indeling van het plantenrijk, opgesteld door de plantensystematici.

Tenslotte werd van de 29 grassoorten de bloeiperiode gegeven. Deze blijkt voor de diverse grassoorten sterk uiteen te lopen, terwijl er ook een aantal grassoorten is die een tweede bloei vertonen.

P.G.Calkhoven, M.Aalbers, O.Bos, V.L.Koshte (Amsterdam), H.D.Oei (Dordrecht) en R.C.Aalberse (Amsterdam),Kruisreacties tussen pollen en plantaardige voedingsmiddelen

Bij patiënten met een overgevoeligheid (type I-allergie) voor pollen worden dikwijls kruisreagerende IgE-antistoffen tegen allergenen van andere plantaardige oorsprong aangetroffen: andere pollensoorten, maar ook plantaardige voedingsmiddelen. Een goed gedocumenteerd voorbeeld hiervan is de kruisreactie tussen berkepollen en appel.

Diverse kruisreacties werden serologisch onderzocht met behulp van RAST-remmingsbepalingen en Western blots met humane IgE-antistoffen, alsmede met door ons verkregen kruisreagerende monoklonale antistoffen. Behalve de door ons beschreven kruisreacties op koolhydraatbasis die perjodaat-gevoelig zijn,1 werden verschillende perjodaat-resistente kruisreagerende determinanten gevonden die voorkomen op eiwitten met molecuulgewichten van resp. 20, 18 en 14 kD. De kruisreagerende determinanten op de 20 en 18 kD-componenten zijn verantwoordelijk voor kruisreacties tussen berkepollen en verse vruchten (o.a. appel en kers); de kruisreagerende determinant op de 14 kD-component is wijder verspreid en komt voor in andere pollensoorten (o.a. graspollen) en in andere plantaardige materialen (o.a. aardappel).

Uit dit onderzoek blijkt dat een inhalatie-allergie kan leiden tot een voedingsallergie. Doel van het door het Nederlands Astma Fonds gesubsidieerde onderzoek is na te gaan in hoeverre de immunorespons tegen voedingsmiddelen van invloed is op het ontstaan van een inhalatie-allergie. Dit betreft een prospectief longitudinaal onderzoek bij jonge kinderen met een verhoogde kans op het verkrijgen van allergisch astma.

H.D.Oei (Dordrecht), V.L.Koshte en R.C.Aalberse (Amsterdam), De relatie tussen berkepollenatopie en voedingsmiddelenallergie

Berkepollenallergie komt dikwijls voor in relatie met een allergie voor bepaald rauw voedsel (appel, peer, perzik, hazelnoot, soms aardappel, kers, enz.). De symptomen zijn mild, maar duidelijk herkenbaar. De voedselallergie wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door IgE-antilichamen tegen een antigeendeterminant die boompollen en bovengenoemde vruchten gemeenschappelijk hebben. Slechts een klein deel van de IgE-antilichamen tegen berkepollen in het serum is gericht tegen deze kruisreactie vertonende determinant. In dit onderzoek zochten wij naar de verschillen tussen patiënten met berkepollenallergie met resp. zonder voedselallergie. Patiënten met berkepollenallergie werden geselecteerd op grond van: allergische rinitis, conjunctivitis en (of) asthma bronchiale in het voorjaar; bij alle patiënten in dit onderzoek was de intracutane radioallergosorbent-test (RAST) voor berkepollen positief. Wij onderzochten 30 patiënten: 15 met in hun voorgeschiedenis een voedselallergie en een positieve appel-RAST en 15 die negatief waren voor deze beide criteria. Huidtests met verse vruchten werden afgenomen met appel-, pere- en aardappelschil; de huid werd over een oppervlakte van ongeveer 5 mm weggeschrapt met een lancet, en een stukje van het testmateriaal werd aangebracht en vastgehecht met tape gedurende 5 minuten. De RAST werd afgenomen met voedselextracten bereid volgens de PVPPDIECA-procedure van Lahti et al.1

Het verschil tussen de beide patiëntengroepen lijkt meer kwantitatief dan kwalitatief te zijn: bij de meeste (zo niet alle) patiënten met in voldoende mate aanwezig specifiek-IgE tegen berkepollen lijkt een voedselallergie te ontstaan, vooropgesteld dat de berkepollenallergie niet vermindert. Optimale discriminatie tussen patiënten met resp. zonder voedselallergie wordt verkregen door de combinatie van: (1) de resultaten van de berken-RAST en (2) het aantal jaren van symptomen van pollinosis door berken.

A.W.van Toorenenbergen en P.H.Dieges (Rotterdam), IgE-antistoffen tegen kruiden en specerijen bij voedselallergie

In 150 sera van patiënten met een eventuele voedselallergie is specifiek IgE tegen de specerijen koriander en (of) kerrie, foelie en selderij bepaald. In 15 van de 288 kruiden-RAST's bestond ten minste 10 binding van 125I-anti-IgE. In 12 sera met relatief veel IgE tegen één of meer van de bovengenoemde kruiden, is ook IgE tegen de overige kruiden bepaald. In de meeste sera was de IgE-respons tegen de vier kruiden van ongeveer gelijke omvang; bij twee sera was het IgE vooral tegen foelie resp. koriander gericht. In alle 12 sera was IgE tegen bijvoet-pollen aanwezig. In RAST-remmingsexperimenten met 3 verschillende sera, bleek een extract van bijvoet-pollen in alle 3 gevallen een koriander-RAST volledig te kunnen remmen.

Conclusie: bijvoetpollen en koriander bevatten gemeenschappelijke IgE-bindende componenten. In de histamine release test, een bio-assay voor het aantonen van IgE-gemedieerde allergische reacties, kon aangetoond worden dat waterige extracten van kruiden in staat zijn om basofiele leukocyten van patiënten met een allergie voor kruiden tot uitscheiding van histamine te stimuleren.

Uit immunoblotting-onderzoek van kruiden-extracten (iso-elektrische focussering en fractionering) bleek dat de belangrijkste IgE-bindende componenten uit de diverse kruiden een verschillend iso-elektrisch punt bezitten.

Conclusie: IgE-antistoffen tegen specerijen worden regelmatig aangetroffen in sera van patiënten met een voedselallergie. Nader onderzoek is nodig om de klinische betekenis van deze positieve specerijen-RAST's te evalueren.

W.J.Koers, L.Berrens en G.F.Houben (Utrecht), Allergie voor noten

Aantoonbare allergie voor noten komt weinig voor; vaak treedt daarentegen intolerantie op; dyspnoe en angio-oedeem na het nuttigen van noten wijzen op ‘echte’ allergie. Bij deze patiënten bestaat een atopie en is allergie voor noten aantoonbaar. Vraagt men aan patiënten met atopie of zij klachten hebben door het eten van noten, dan worden meestal pruritus ori en urticaria gemeld. Als tafelnoten zijn bekend: hazelnoot en tamme kastanje (echte noten), pinda (peulvrucht) en amandel, cashewnoot, macadamnoot, kokosnoot, paranoot, pecannoot, pistache-noot en walnoot (alle steenvruchten). Met de vaakst genuttigde noten: pinda's, hazelnoten, walnoten en amandelen werd onderzoek gedaan. Bij patiënten met ernstige of met geringe symptomen werd een gras- en boompollenallergie aangetoond. De atopie werd bepaald met intracutane en (of) krastests. Allergie voor noten werd onderzocht met de scratch-patch test en met vers materiaal. Het totale IgE-gehalte werd met de PRIST en het specifieke IgE door middel van RAST bepaald; de reagentia hiervoor werden in eigen beheer bereid.

Bij een retrospectief onderzoek kon slechts bij 25 patiënten uit een groep van 167 verdacht van notenallergie een specifieke allergie worden aangetoond; 12 maal voor één, 8 maal voor twee, 1 maal voor drie en 4 maal voor alle vier de onderzochte noten. De groep van 25 werd onderverdeeld in 12 patiënten met licht tot matig verhoogd specifiek IgE-percentage (2 1000 kUl), meldt zich meestal een patiënt met een constitutioneel eczeem. Bij deze patiënten – vaak zonder de klassieke symptomen van pollinosis – moet men zich realiseren dat exacerbaties van het eczeem door stuifmeelcontact veroorzaakt kunnen worden. De hoge RAST-waarden lijken mede beïnvloed te worden door een niet-specifiek immunologisch mechanisme.

M.K.T.Tjwa, J.J.Smeets en F.P.V.Maesen (Heerlen), Astma-aanval bij een champignonkweker; allergische reactie type I?

In 1959 beschreven Bringhurst et al. een toen nog onbekende longaandoening bij 16 arbeiders van een champignonkwekerij, gekenmerkt door koortsperioden, benauwdheid, niet-produktief hoesten en vermagering. Op de thoraxfoto waren bilaterale micronodulaire afwijkingen te zien. Sakula toonde aan dat het hier een allergische alveolitis betrof, vergelijkbaar met de boerenlong. Het pathomechanisme was een allergische reactie van het verlate type voor thermofiele actinomyceten. Door anderen werd later aangetoond dat vele andere in compost voorkomende schimmels alsook sporen van de champignon zelf (Pleurotus ostreatus, Pleurotus florida en Agaricus hortensis) als allergenen een rol konden spelen. Voor zover wij in de literatuur konden nagaan, behoort een astma-aanval van het vroege type allergie bij champignonkwekers tot de zeldzaamheid.

Onlangs behandelden wij een 34-jarige champignonkweker met een typisch atopisch astma dat duidelijk verband hield met zijn beroepsactiviteiten, zonder klinische, radiologische of functionele tekenen van allergische alveolitis. Gedurende meer dan 10 jaar ontstond telkens wanneer hij champignons plukte direct een broncho-obstructieve reactie. Bij een onderhoudstherapie van 4 x 10 mg disodium cromoglicaat per dag was deze typische broncho-obstructieve reactie verdwenen. Omdat champignons plukken zijn enige activiteit was die dergelijke vroege of late reacties van bronchusobstructie kan veroorzaken, werd aangenomen dat hij atopisch was voor de sporen van de A. bisporus. Een provocatietest, verricht in zijn eigen werkomgeving, toonde aan dat: (a) de allergische reactie van het vroege type is; (b) de reactie omkeerbaar is na inhalatie van salbutamol en (c) dat bescherming werd verkregen na disodium cromoglicaat-inhalatie en wanneer een professioneel stofmasker werd gebruikt. Huidtests met extracten van champignonsporen zijn niet voldoende specifiek en RAST's zijn eveneens technisch nog niet mogelijk.

Een sluitend bewijs dat bij deze reactie de sporen van de champignons de werkelijke antigenen (allergenen) zijn, kon niet worden aangetoond.

Literatuur
  1. Aalberse RC, Koshte V, Clemens JG. Immunoglobulin Eantibodies that crossreact with vegetable foods, pollen, and Hymenopteravenom. J Allergy Clin Immunol 1980; 68: 356-64.

  2. Lahti A, Björksten F, Hannuksela M. Allergy tobirch pollen and apple, and cross-reactivity of the allergens studied withthe RAST. Allergy 1980; 35: 297-300.

Auteursinformatie

Nederlandse Vereniging voor Allergologie, Emmalaan 22, 3581 HV Utrecht.

Jhr.A.C.Quarles van Ufford, secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties