Minder vet of ander vet?

Klinische praktijk
M.B. Katan
S.M. Grundy
W.C. Willett
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:886-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Momenteel is het gangbare voedingsadvies om, met het oog op hart -en vaatziekten, voedingsmiddelen met veel vet of met veel verzadigd vet en cholesterol te vervangen door voedingsmiddelen met veel complexe koolhydraten.

Vervanging van het vet door koolhydraten doet weliswaar de bloedconcentratie van ‘low-density’-lipoproteïne(LDL)-cholesterol dalen, maar ook die van ‘high-density’-lipoproteïne(HDL)-cholesterol, en dat laatste is juist nadelig voor het risicoprofiel aangaande hart- en vaatziekten.

Overgewicht, een andere risicofactor, lijkt evenmin teruggedrongen te worden door vetbeperking.

Een actueel voedingsadvies volgens gepubliceerde onderzoeksresultaten luidt: personen met overgewicht kunnen hun inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren het best verminderen door beperking van de consumptie van vetten uit melkproducten, vlees en geharde oliën (toegepast in koekproducten en in horecaproducten die bereid zijn in harde frituurvetten), en bovendien zouden zij minder producten met toegevoegde suikers en gezuiverd zetmeel moeten gebruiken. Koolhydraten zouden vooral verkregen moeten worden uit fruit, groenten, peulvruchten en volkorenproducten. Personen die ongeveer op hun ideale gewicht zitten, zouden de verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voeding vooral door onverzadigde plantaardige oliën moeten vervangen, en producten met gezuiverde koolhydraten door fruit, groenten en volkorenproducten.

Vet eten leidt tot hart- en vaatziekten en andere chronische ziekten: dat is een gangbare gedachte, maar strookt de publieke opinie wel met de wetenschappelijke kennis over dit onderwerp? Met andere woorden, leidt een vermindering van de vetconsumptie werkelijk tot een betere gezondheid?

De gedachten over de gezondheidseffecten van vetten in de voeding hebben een evolutie doorgemaakt. Onderzoeken uit de jaren vijftig en zestig lieten zien dat meervoudig onverzadigde vetzuren de cholesterolconcentratie van het bloed verlagen ten opzichte van verzadigd vet.1 Vervolgens bleek uit klinisch onderzoek dat een dergelijke verandering in de voeding het manifest worden van coronaire hartziekten tegen kan gaan.2 Het gevolg was dat soorten voeding met veel meervoudig onverzadigde vetzuren algemeen werden aanbevolen ter bescherming tegen hartziekten. Gaandeweg ontstond echter enige zorg over de veiligheid van meervoudig onverzadigde vetzuren, terwijl de overtuiging toenam dat koolhydraten (in het bijzonder complexe meervoudige koolhydraten) onschadelijk zijn. Hierdoor verschoof de aanbeveling naar een vetarme voeding met veel koolhydraten. Ook de belangstelling voor enkelvoudig onverzadigde vetzuren nam toe,3 maar momenteel is het gangbare advies toch om voedingsmiddelen met veel vet of veel verzadigd vet en cholesterol te vervangen door voedingsmiddelen met veel koolhydraten, zoals brood, aardappels, rijst en pasta.

koolhydraten in de voeding en de bloedcholesterolconcentratie

Aangenomen wordt dat een cholesterolwaardeverlagende voeding de kans op een hartaanval verkleint. Deze veronderstelling is juist als de verlaging veroorzaakt wordt door een verlaging van de zogenaamde ‘low-density’-lipoproteïne(LDL)-cholesterolwaarde: een hoge LDL-cholesterolwaarde vergroot de kans op hartkwalen, terwijl behandelingen die de LDL-cholesterolwaarde verlagen die kans verkleinen. Als verzadigd vet in de voeding wordt vervangen door onverzadigde oliën daalt met name de hoeveelheid LDL-cholesterol.4 Vervanging van het vet door koolhydraten doet de LDL-cholesterolwaarde ook dalen, maar tegelijkertijd daalt de ‘high-density’-lipoproteïne(HDL)-cholesterolwaarde (figuur 1). De HDL-cholesterolwaarde wordt zowel door consumptie van enkelvoudige suikers als door consumptie van complexe koolhydraten zoals zetmeel verlaagd,5 en deze verlaging blijft in stand zolang de voeding met het lage vetgehalte wordt gegeten.67

Het effect van koolhydraten op HDL-cholesterol is reden tot zorg. Een lage HDL-cholesterolconcentratie hangt in epidemiologisch onderzoek namelijk sterk samen met een verhoogd risico op coronaire hartziekten, en veel factoren die de concentratie HDL-cholesterol verlagen zoals roken, overgewicht, geringe lichamelijke activiteit, geheelonthouding wat betreft alcohol, en behoren tot het mannelijk geslacht verhogen het risico. Bij personen met erfelijk bepaalde lage HDL-waarden treden vaak al op jonge leeftijd coronaire hartziekten op,8 vooral als het om afwijkingen gaat waarbij de LDL-cholesterolwaarde normaal of verhoogd is. In proeven met cholesterolwaardeverlagende medicijnen blijkt een verandering in de HDL-cholesterolwaarde het risico op coronaire hartziekten te voorspellen, onafhankelijk van het effect van die medicijnen op het LDL-cholesterol. Tenslotte wordt bij dieren het proces van atherogenese vertraagd door een verhoging van de concentratie HDL-cholesterol, en toediening van HDL-eiwit per infuus remt de vorming van zogenaamde ‘fatty streaks’ (de eerste vaatverandering bij atherosclerose).8 Een lage concentratie HDL-cholesterol verhoogt dus het risico op coronaire hartziekten, en soorten voeding die de HDL-cholesterolwaarde verlagen, kunnen daarom niet zonder meer als veilig worden beschouwd. Mensen in China en op het Japanse platteland eten weinig vet en hebben tevens weinig last van hartklachten. Gemiddeld zijn deze mensen echter ook uitermate actief en bovendien slank: beide factoren vergroten de hoeveelheid HDL-cholesterol en verlagen de triglycerideconcentratie van het bloed, waarmee ze de negatieve effecten van een voeding met weinig vet kunnen compenseren. De lage incidentie van hartziekten bij deze plattelandsbevolkingen zou dus niet zozeer te danken zijn aan een geringe totale vetinname, maar eerder aan een grote lichamelijke activiteit en een laag lichaamsvetpercentage, in combinatie met een geringe inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren (transvetzuren worden gevormd tijdens de verharding van plantaardige oliën in de voedingsmiddelenindustrie; transvetzuren verhogen de concentratie van LDL-cholesterol en verlagen die van HDL-cholesterol in het bloed).

overgewicht

Een belangrijk argument vóór een vetarme voeding is de mogelijk gunstige invloed op het lichaamsgewicht. Vet heeft een hoge energiedichtheid en is in voedingsmiddelen vaak onzichtbaar aanwezig. Vetrijke voedingen bevatten vaak een teveel aan energie en zouden in theorie het lichaamsgewicht moeten doen stijgen. Gecontroleerde onderzoeken hebben dit echter niet kunnen bevestigen. In dergelijke onderzoeken werd geadviseerd vetten te vervangen door koolhydraten. Aanvankelijk leidde dit tot een matige gewichtsafname, maar het gewichtsverlies stagneerde na enkele maanden en het nettogewichtsverlies op de lange termijn was slechts 0,8-2,6 kg (figuur 2). Hoewel in de VS de prevalentie van over gewicht vanaf 1976 met circa eenderde is gestegen, is het vetpercentage van de voeding over dezelfde periode juist verminderd. Vetbeperking leidt dus niet per se tot gewichtsvermindering: overgewicht is een probleem dat niet simpelweg is op te lossen door het vetpercentage van de voeding te verlagen.15

kanker

Aanwijzingen dat vet eten kanker zou veroorzaken, zijn voornamelijk afkomstig uit vergelijkingen van rijke met arme landen. Evenals het geval is bij coronaire hartziekten kunnen dit soort vergelijkingen verstoord worden door andere verschillen in leefstijl. In prospectieve cohortonderzoeken is geen verband gevonden tussen de vetinneming en het risico op borstkanker.16 Dikkedarmkanker lijkt eerder samen te hangen met de consumptie van rood vlees dan met de totale vetconsumptie, en in het geval van prostaatkanker zijn verbanden geconstateerd met dierlijk, maar niet met plantaardig vet.16

de alternatieven voor een vetarme voeding

Er zijn geen harde aanwijzingen dat het vervangen van vetten in de voeding door koolhydraten het risico op coronaire hartziekten vermindert.2 Gunstige effecten zijn minder waarschijnlijk, omdat deze vervanging zowel de concentratie van LDL- als die van HDL-cholesterol verlaagt,4 en daarnaast de inneming van belangrijke voedingsstoffen als vitamine E en essentiële vetzuren vermindert. Evenmin is aangetoond dat een koolhydraatrijke voeding gunstig is wat de kans op kanker of wat het lichaamsgewicht aangaat. Daarentegen wordt bij vervanging van verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voeding door enkel- of meervoudig onverzadigde vetzuren de verhouding tussen HDL- en LDL-cholesterol verbeterd wat betreft het risicoprofiel voor hart- en vaatziekten.

Advies

Personen met overgewicht kunnen hun inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren het best verminderen door beperking van de consumptie van vetten uit melkproducten, vlees en geharde oliën (toegepast in koekproducten en in horecaproducten die bereid zijn in harde frituurvetten), en bovendien zouden zij minder producten met toegevoegde suikers en gezuiverd zetmeel moeten gebruiken. Koolhydraten zouden vooral verkregen moeten worden uit fruit, groenten, peulvruchten en volkorenproducten. Personen die ongeveer op hun ideale gewicht zitten, zouden de verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voeding vooral door onverzadigde plantaardige oliën moeten vervangen, en producten met gezuiverde koolhydraten door fruit, groenten en volkorenproducten.

Wij weten genoeg over lipoproteïnen en coronaire hartziekten om te kunnen stellen dat deze soorten voeding het risico op coronaire hartziekten zullen verminderen. In het geval van oliën met een hoog gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren wordt deze opvatting ondersteund door gecontroleerde klinische onderzoeken.2 Onderzoek met proefdieren heeft echter tot enige zorg geleid over de samenhang tussen meervoudig onverzadigd vet en kanker, hoewel de waarnemingen bij de mens geen aanleiding geven tot deze zorg. Vooralsnog lijkt het verstandig om verzadigde vetzuren en transvetzuren met name te vervangen door oliën met een hoog gehalte aan enkelvoudig onverzadigde vetzuren, zoals raapzaad- en olijfolie. De ervaring in de landen rond de Middellandse Zee leert dat een voeding met een hoog gehalte aan enkelvoudig onverzadigde vetzuren én smakelijk is én samengaat met een lange levensduur en een geringe kans op coronaire hartziekten en kanker.

conclusie

Kortom, het is onwaarschijnlijk dat de sterke nadruk op vermindering van de totale vetinname de volksgezondheid gunstig beïnvloedt. Integendeel, de bevolking wordt hierdoor juist afgeleid van veranderingen in leefstijl die werkelijk gunstige effecten hebben. Deze veranderingen houden in: een specifieke vermindering van de inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren, een toename van de consumptie van fruit, groenten en volkorenproducten, en het voorkómen van overgewicht door meer lichaamsbeweging en vermindering van de energie-inneming.

Wij danken dr.ir.P.L.Zock, voedingskundige, voor commentaar op het manuscript.

Literatuur
  1. Keys A, Anderson JT, Grande F. Prediction ofserum-cholesterol responses of man to changes in fats in the diets. Lancet1957;ii:959-66.

  2. Sacks FM. Dietary fats and coronary heart disease. JCardiovasc Risk 1994;1:3-8.

  3. Grundy SM. Comparison of monounsaturated fatty acids andcarbohydrates for lowering plasma cholesterol. N Engl J Med 1986;314:745-8.

  4. Mensink RP, Katan MB. Effect of dietary fatty acids onserum lipids and lipoproteins. A meta-analysis of 27 trials. ArteriosclerThromb 1992;12:911-9.

  5. Mensink RP, Katan MB. Effect of monounsaturated fattyacids versus complex carbohydrates on high-density lipoproteins in healthymen and women. Lancet 1987;i:122-5.

  6. Lee-Han H, Cousins M, Beaton M, McGuire V, Kriukov V,Chipman M, et al. Compliance in a randomized clinical trial of dietary fatreduction in patients with breast dysplasia. Am J Clin Nutr1988;48:575-86.

  7. Ernst ND, Fisher M, Smith W, Gordon T, Rifkind BM, LittleJA, et al. The association of plasma high-density lipoprotein cholesterolwith dietary intake and alcohol consumption. The Lipid Research ClinicsPrevalence Study. Circulation 1980;62(4 Pt 2):IV41-52.

  8. Vega GL, Grundy SM. Hypoalphalipoproteinemia (low highdensity lipoprotein) as a risk factor for coronary heart disease. Curr OpinLipidol 1996;7:209-16.

  9. Willett WC. Is dietary fat a major determinant of bodyfat? Am J Clin Nutr ter perse.

  10. National Diet-Heart Study Research Group. Body weightchanges. Circulation 1968;37(Suppl 1):I170-80.

  11. Jeffery RW, Hellerstedt WL, French SA, Baxter JE. Arandomized trial of counseling for fat restriction versus calorie restrictionin the treatment of obesity. Int J Obes Relat Metab Disord1995;19:132-7.

  12. Black HS, Herd JA, Goldberg LH, Wolf jr JE, Thornby JI,Rosen T, et al. Effect of a low-fat diet on the incidence of actinickeratosis. N Engl J Med 1994;330:1272-5.

  13. Sheppard L, Kristal AR, Kushi LH. Weight loss in womenparticipating in a randomized trial of low-fat diets. Am J Clin Nutr1991;54:821-8.

  14. Kasim SE, Martino S, Kim PN, Khilnani S, Boomer A, DepperJ, et al. Dietary and anthropometric determinants of plasma lipoproteinsduring a long-term low-fat diet in healthy women. Am J Clin Nutr1993;57:146-53.

  15. Willett WC. Diet and health: what should we eat? Science1994; 264:532-7.

  16. Willett WC. Cancer prevention: diet and risk reduction:FAT. In: DeVita V, Hellman S, Rosenberg S, editors. Cancer: principles andpractice of oncology. 5th ed. Philadelphia: Lippincott-Raven,1997:559-66.

Auteursinformatie

Landbouwuniversiteit, afd. Humane Voeding en Epidemiologie, Bomenweg 2, 6703 HD Wageningen.

Prof.dr.M.B.Katan, voedingskundige.

Harvard University, Harvard School of Public Health, Department of Nutrition, Boston, USA.

S.M.Grundy, MD, PhD, lipidoloog.

University of Texas, Southwestern Medical Center, Center for Human Nutrition and Department of Clinical Nutrition, Dallas, USA.

W.C.Willett, MD, Dr.PH, epidemioloog.

Contact prof.dr.M.B.Katan

Gerelateerde artikelen

Reacties