‘Minder bradycardie in sinusritme met calciumblokker’

Illustratie van het hartritme
Rosie Sikkel
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2024;168:C5652

Calciumkanaalblokkers en bètablokkers zijn eerstekeusmiddelen voor ‘rate control’ bij paroxismaal atriumfibrilleren (AF). Toch geven artsen vaak nog de voorkeur aan bètablokkers. En dat is onterecht, stellen Groningse onderzoekers.

artikel

Het gebruik van calciumantagonisten voor frequentiecontrole bij patiënten met atriumfibrilleren nam de afgelopen decennia fors af, zag Robert Tieleman, cardioloog in het Groningse Martiniziekenhuis en coauteur van het onderzoek. ‘Voorschrijvende artsen hebben een voorkeur gekregen voor bètablokkers, terwijl daar geen wetenschappelijke basis voor is. Vermoedelijk hebben de bètablokkers meer naamsbekendheid en is de calciumantagonist gewoonweg een beetje in vergetelheid geraakt. Artsen denken er niet meer aan.’

Internationale richtlijnen adviseren zowel calciumblokkers als bètablokkers als eerstekeusmiddel voor onderhoudsmedicatie bij patiënten met AF om symptomen te onderdrukken en hartfalen te voorkomen. Een risico van de medicamenten is dat patiënten met paroxismaal atriumfibrilleren bradycard kunnen worden in perioden van sinusritme. Omdat calciumantagonisten selectief op de AV-knoop aangrijpen en niet op de sinusknoop, zouden bradycardieën in sinusritme in theorie minder vaak moeten optreden.

Om die hypothese te toetsen, deden Tim Koldenhof, Robert Tieleman en collega’s een post-hocanalyse met data van de AFFIRM-trial uit 2002 (BMJ Heart. 2023;109:1759-64). Daaruit selecteerden ze data van 474 patiënten met paroxismaal atriumfibrilleren (42% vrouw; gemiddelde leeftijd 69 jaar; SD: 8), van wie er 218 een calciumkanaalblokker (74% diltiazem, 26% verapamil) gebruikten voor frequentiecontrole, en 256 een bètablokker. Ook patiënten die daarnaast antiaritmica gebruikten, werden ook geïncludeerd. Aanvullend gebruik van antiaritmica kwam in beide behandeltakken even vaak voor. De onderzoeksdeelnemers waren niet gerandomiseerd voor hun specifieke rate-controlbehandeling; patiënten ontvingen hun medicament naar voorschrift van hun behandelend arts. Er was geen informatie beschikbaar over de dosering van de middelen.

De patiëntgroepen behaalden even vaak de streefhartfrequentie van 110/min of lager tijdens episodes van atriumfibrilleren (in beide groepen 92%). Patiënten die calciumantagonisten gebruikten, hadden een hogere gemiddelde hartslagfrequentie in sinusritme dan patiënten die bètablokkers gebruiken (hartfrequentie 66 (SD: 11) vs. 69 (SD: 12). Ook waren patiënten die calciumantagonisten gebruikten in sinusritme minder vaak bradycard (< 60/min) of ernstig bradycard (< 50/min) dan patiënten die bètablokkers gebruikten (oddsratio (OR): 0,41; 95%-BI: 0,19-0,90). Bradycardie kwam voor bij 32% van de patiënten met bètablokkers en bij 17% van de patiënten met calciumblokkers. Ernstige bradycardie kwam bij 5% van de bètablokkergebruikers voor en bij 1% van de patiënten die calciumblokkers gebruikten.

Op basis van deze retrospectieve analyse met veel beperkingen kunnen geen al te stellige conclusies worden getrokken, zegt promovendus Tim Koldenhof. ‘We hebben geen hard, doorslaggevend bewijs waarop een voorkeur voor calciumkanaalblokkers gestoeld kan worden. Maar op basis van het werkingsmechanisme van calciumkanaalblokkers en de uitkomsten van ons onderzoek is het wel waarschijnlijk dat bradycardie in sinusritme minder vaak voorkomt bij gebruik van deze middelen.’

En dat vraagt om een gepersonaliseerde aanpak, vindt Koldenhof. ‘Bètablokkers zijn vertrouwde en veilige middelen, maar ze zijn misschien niet geschikt voor iedere patiënt. Te vaak schrijven huisartsen en cardiologen ze uit gewoonte voor, terwijl een calciumantagonist mogelijk beter past bij een patiënt met een actieve leefstijl. Het is belangrijk dat artsen weten dat er een goed alternatief is, zeker als patiënten bijwerkingen ervaren van een bètablokker.’

Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Farmacotherapie
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Jan
keppel hesselink

Dat klinkt allemaal helemaal logisch. Maar is het niet zo dat betablokkers een duidelijkere trackrecord hebben als farmaca voor primaire en secundaire preventie van cardio- en cerebrovasculaire complicaties dan calciumantagonisten? En dat dit vermoedelijk de eerste keuze voor betablokkers van clinici meebepaalt?

Jan Keppel Hesselink