In memoriam prof.dr.J.F.Hampe.

C.A. Wagenvoort
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:149-50
Download PDF

- Op 14 november jl. overleed te Amsterdam prof.dr.J.F.Hampe, emeritus hoogleraar in de pathologische anatomie aan de Universiteit van Amsterdam. Jan Hampe werd geboren op 26 september 1911 te Munnekemoer bij Ter Apel. Zijn medische studie aan de Universiteit van Amsterdam werd in 1937 afgesloten met het artsexamen, gevolgd door zijn specialisatie in de pathologische anatomie onder prof.Deelman. In 1942 werd hij ingeschreven als patholoog-anatoom en promoveerde hij op een proefschrift over silicose en asbestose. Sinds 1940 was hij intensief betrokken bij het onderwijs in de pathologie. Direct na de bevrijding kreeg hij een aanstelling als prosector bij prof.Deelman. Hij vervulde deze functie tot 1955, zij het de laatste paar jaar met een gedeeltelijke aanstelling daar hij toen tevens werkzaam was in de Diakonesseninrichting, het Burgerziekenhuis en de Valeriuskliniek

Hampes wetenschappelijk onderzoek in deze periode was speciaal gericht op carcinomen en andere proliferatieve aandoeningen, in het bijzonder van de mamma. Het was een onderwerp dat hem nooit meer losliet. Hij was lid van een commissie van de World Health Organization (WHO) voor de classificatie van menselijke mammatumoren, mede-oprichter van een centrum voor vergelijkende mammapathologie, eveneens van de WHO, en oprichter en voorzitter van de ‘mammaclub’. Het was dan ook geen wonder dat hij in 1955 werd aangesteld door het Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoekhuis als hoofd van de afdeling Pathologie.

Per 1 januari 1963 werden Hampe en ik tegelijkertijd benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, beiden met als leeropdracht ‘de ziektekundige ontleedkunde en de gerechtelijke geneeskunde’ (de algemene pathologie werd toen nog door clinici gedoceerd). In afwachting van de renovatie van het pathologisch-anatomisch laboratorium van het Wilhelmina Gasthuis werd Hampe aangesteld als buitengewoon hoogleraar in deeltijd, een functie die 3 jaar later werd omgezet in een gewoon hoogleraarschap. Hiermee kwam een einde aan zijn werkzaamheid bij het Kanker Instituut.

In 1970 verhuisde hij naar het Binnengasthuis, waar de afdeling Pathologie universitair was geworden en gekoppeld was aan het laboratorium van het Wilhelmina Gasthuis, zodat een nauwe band en een intensieve samenwerking tussen beide instituten ontstonden.

Hampes wetenschappelijke interesse werd onder andere tot uitdrukking gebracht in het voorzitterschap van het Universitaire Kankercentrum en het lidmaatschap van onder meer de Gezondheidsraad. Ook het onderwijs had zijn volle aandacht. Hij was een boeiend docent met een vaak originele aanpak van een onderwerp. Maar bovenal was hij arts, ‘in het microscopisch preparaat de patiënt ziende’, zoals hij stelde in zijn rede bij zijn ambtsaanvaarding in 1963. Dat heeft hem steeds voor ogen gestaan bij zijn onderwijs, bij de opleiding van assistenten en vooral ook bij zijn eigen diagnostiek. In januari 1979 ging hij met emeritaat.

Ik denk dat veel van zijn vrienden en collega's aan Hampe zullen terugdenken niet in de eerste plaats als hoogleraar of patholoog, maar als mens, een uitzonderlijk maar vooral ook een beminnelijk mens. In de vele jaren van samenwerking hebben wij meer dan eens uiteenlopende opvattingen gehad over allerlei kwesties, maar nooit heeft dit aanleiding gegeven tot problemen in de onderlinge verhouding.

Hampe hield van mensen om zich heen, in het bijzonder van de gedachtenwisseling, waarbij hij vaak probeerde door uitdagende beweringen reacties uit te lokken. Zijn gezelschap was altijd boeiend. Hij had een sterk filosofische inslag met een grote belangstelling voor Oosterse filosofie en religies, maar ook verscheidene andere hobby's. In zijn vroegere jaren was dat zijn botter, de ‘Moira’; later verruilde hij die voor een oude, fraaie boerderij in Beets. De laatste paar jaar was het een woonboot in Beets, prachtig gelegen, met een grote tuin ernaast, waarin hij zeer actief was.

Begin 1993 openbaarden zich de eerste symptomen van de ziekte waaraan hij ruim 1,5 jaar later, toch nog zeer onverwacht, zou overlijden. Voor zijn vrouw en kinderen moet het een troost zijn dat in het bijzonder zijn laatste levensperiode een zeer gelukkige geweest is.

Gerelateerde artikelen

Reacties