Medicatie gerelateerd aan vaak vallen bij ouderen*

Onderzoek
Dubbelpublicatie
Marjan Askari
Nathalie van der Velde
Alice C. Scheffer
Stephanie Medlock
Saied Eslami
Sophia E. de Rooij
Ameen Abu-Hanna
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7289
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Onderzoeken welke medicijnen gepaard gaan met recidiverend vallen bij ouderen die na een val de Spoedeisende Hulp bezoeken.

Opzet

Transversaal onderzoek.

Methode

Patiënten van 65 jaar of ouder die in de periode 1 augustus 2004-31 juli 2010 de Spoedeisende Hulp bezochten wegens een val werden uitgenodigd om een gevalideerde valvragenlijst in te vullen. De lijst is ontworpen om het valrisicoprofiel te identificeren. We deelden zelfgerapporteerd medicatiegebruik in naar ‘Anatomic therapeutic chemical’(ATC)-klassen. Univariate logistische regressieanalyse werd uitgevoerd om de relatie tussen ATC-medicatieklassen en recidiverend vallen te onderzoeken. Met multivariate logistische regressieanalyse werd gecorrigeerd voor potentieel verstorende variabelen.

Resultaten

873 van de 2258 patiënten (39%) hadden in het afgelopen jaar ≥ 2 valincidenten doorgemaakt. Na correctie voor potentieel verstorende variabelen bleken antiacida (gecorrigeerde oddsratio (aOR): 1,29; 95%-BI: 1,03-1,60); analgetica (aOR: 1,22; BI: 1,06-1,41); antiparkinsongeneesmiddelen (aOR: 1,59; BI: 1,02-2,46); nasale preparaten (aOR: 1,49; BI: 1,07-2,08); oftalmologica (aOR: 1,51; BI: 1,10-2,09); antipsychotica (aOR: 2,21; BI: 1,08-4,52); en antidepressiva (aOR: 1,64; BI: 1,13-2,37) significant vaker gepaard te gaan met recidiverend vallen dan met eenmalige valincidenten.

Conclusie

Bekende valrisicoverhogende middelen, zoals psychotropica, antiparkinsonmedicatie en analgetica, verhogen het risico op recidiverend vallen. Daarnaast vonden we 4 andere geneesmiddelenklassen die een significante relatie hebben met recidiverend vallen. Wellicht kan het gebruik van deze klassen worden gezien als aanwijzing voor kwetsbaarheid en comorbiditeit bij ouderen in het algemeen, of het weerspiegelt een verschil in het risicoprofiel tussen ouderen die eenmalig vallen en ouderen die recidiverend vallen. Verder onderzoek is nodig om beter inzicht te krijgen in de oorzaken en mechanismen die samenhangen met medicatiegerelateerd recidiverend vallen bij ouderen.

Leerdoelen

Het gebruik van bepaalde geneesmiddelen en van meerdere valrisicoverhogende middelen gaat gepaard met een verhoogd risico op vallen op oudere leeftijd.

Het is echter nog niet duidelijk of de medicijnen waarvan bekend is dat ze een verhoogd valrisico geven ook het risico op recidiverend vallen verhogen.

Uit onze resultaten blijkt dat niet alleen psychotropica, analgetica en antiparkinsonmedicatie, maar ook antacida, nasale preparaten en oftalmologica het risico op recidiverend vallen verhogen bij oudere patiënten.

Bij het voorschrijven van medicatie uit deze groepen aan ouderen is het noodzakelijk om bewust te letten op het mogelijk toegenomen risico op vallen en recidiverend vallen.

artikel

Inleiding

Ongeveer 30% van de thuiswonende 65-plussers valt minstens 1 keer per jaar, en tot 20% valt 2 keer of vaker.1-6 Vallen leidt bij ouderen tot mobiliteitsproblemen, een aanzienlijk verlies aan kwaliteit van leven, verlies van onafhankelijkheid en een verhoogd risico op sterfte.4,7-9 Tussen 2003 en 2007 werden de jaarlijkse kosten voor de gezondheidszorg in Nederland door valpartijen en bijkomend letsel geschat op € 474 miljoen, waarmee valincidenten 21% vertegenwoordigen van de totale kosten van de gezondheidszorg als gevolg van verwondingen.4

Vallen op hoge leeftijd is vaak multifactorieel.2,10,11 Naast een voorgeschiedenis van valpartijen zijn belangrijke determinanten: een hogere leeftijd, mobiliteits- en evenwichtsproblemen en het gebruik van bepaalde medicijnen.12 Het valrisico is zowel afhankelijk van het aantal valrisicoverhogende medicijnen (‘fall-risk-increasing drugs’, FRID’s) als van de dosis van die medicijnen.13 Er zijn echter weinig studies gedaan naar het mogelijke verband tussen medicijngebruik en recidiverend vallen,14-16 terwijl de onderliggende mechanismen van een eenmalige val en recidiverende valpartijen van elkaar kunnen verschillen.

Ten eerste kunnen sommige medicijnen bij aanvang van het gebruik het valrisico verhogen, zoals medicijnen die initieel orthostatische hypotensie veroorzaken, een symptoom dat vaak verdwijnt na langduriger gebruik.17 Verder zijn recidiverende vallers vaak ouder en hebben zij door chronische ziekten meer fysieke beperkingen en interacties met andere determinanten van het valrisico. Deze kenmerken hebben uiteraard belangrijke implicaties voor de uitvoering van valpreventieprogramma’s.

Het doel van onze studie was om bij ouderen een potentiële relatie te onderzoeken tussen medicatie uit diverse farmacologische subgroepen van de ‘Anatomic therapeutic chemical’(ATC)-classificatie en recidiverend vallen.

Methode

Onderzoeksopzet en patiëntenpopulatie

Voor deze studie voerden we een transversaal onderzoek uit van gegevens van een langlopende observationele cohortstudie onder patiënten van ≥ 65 jaar, die na een val de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam bezochten. De studie werd goedgekeurd door de medisch-ethische commissie van het AMC.

Data

Voor deze studie gebruikten we gegevens die werden verzameld op de SEH met het ‘gecombineerde Amsterdam en Rotterdam evaluatie van vallen’(CAREFALL)-triage-instrument (CTI). Het CTI is ontworpen om determinanten te identificeren bij een val onder de oudere bevolking en het is aangetoond dat het een adequaat, valide en betrouwbaar instrument is voor de beoordeling van beïnvloedbare determinanten bij oudere patiënten die zich op de SEH hebben gemeld vanwege een val.18

Alle dossiers van patiënten van ≥ 65 jaar die zich tussen juli 2004 en augustus 2010 meldden bij de SEH werden op dagelijkse basis beoordeeld op de aard en omvang van valincidenten. Patiënten met een val ontvingen binnen 1 week een brief met de CTI-vragenlijst, bestaande uit 44 vragen, en een toelichting. Met de vragenlijst bepaalden wij de patiëntkenmerken, de kenmerken en de mogelijke oorzaak of oorzaken van de val, en modificeerbare risicofactoren onder de oudere bevolking, waaronder zelfgerapporteerd medicijngebruik.11

Definitie van vallen en recidiverend vallen

Een valincident werd gedefinieerd als een niet-intentionele verandering in positie of een ongecontroleerde en ongerichte gebeurtenis waarbij het hoofd van de persoon op een lager niveau terechtkomt. Recidiverend vallen werd gedefinieerd als ≥ 2 valincidenten binnen 12 maanden, waarbij het valincident zodanig ernstig was geweest dat het had geleid tot een bezoek aan de SEH. Patiënten die waren gevallen door acute medische oorzaken, zoals myocardiaal infarct, cerebrovasculair accident of dementie, werden van deze studie uitgesloten.

Covariabelen

Covariabelen in onze studie omvatten het gebruik van medicatie en valrisicofactoren zoals gedefinieerd in het CTI: leeftijd, geslacht, visusproblemen, urine-incontinentie, stemmingsstoornissen, mobiliteits- en evenwichtsstoornissen, cardiovasculaire symptomen, alcoholgebruik en een gewicht < 60 kg. De score van deze variabelen is beschreven in het oorspronkelijke artikel.19

Classificatie van medicijnen

Het medicijngebruik werd in kaart gebracht door zelfrapportage met de CTI-vragenlijst en geregistreerd middels vrije tekst. Wij structureerden dit op basis van het ATC-classificatiesysteem. De ATC-codes classificeren alle geneesmiddelen per groep naar het orgaan of systeem waarop ze werkzaam zijn, en naar hun therapeutische en chemische eigenschappen. Er is een indeling gemaakt in 5 niveaus; C01BD01 is bijvoorbeeld de code voor amiodaron. Vanwege een gebrek aan gedetailleerdere informatie op de hogere niveaus van de ATC-classificatie, gingen wij in onze studie uit van het tweede niveau; C01 omvat bijvoorbeeld alle middelen voor hartaandoeningen. Daarnaast groepeerden we de medicijnen ook klinisch als ‘antihypertensiva’, ‘slaap- en kalmeringsmiddelen’, ‘antidepressiva’, en ‘benzodiazepines’ met het classificatiesysteem dat gebruikt is in een meta-analyse van medicijnen met betrekking tot vallen.12

Statistische analyse

Met univariate regressieanalyses voor recidiverend vallen identificeerden wij mogelijk valrisicoverhogende medicatieklassen. Bij een p-waarde < 0,2 voerden wij een multivariate analyse uit voor de betreffende medicatiegroep. Covariabelen werden in het uiteindelijke model toegevoegd als de toevoeging leidde tot een wijziging van de oddsratio van > 10%,20 en de betreffende covariabele waarschijnlijk geen tussenstap in het causale pad (een intermediair) was. Om intermediairen te identificeren keken we of er een relatie was tussen de covariabelen en het medicatiegebruik met een p-waarde ≤ 0,01, en besloot een panel van deskundigen, bestaande uit 2 ervaren geriaters en een farmacoloog, of de betreffende variabelen konden worden beschouwd als intermediairen. Als dit het geval was, lieten we de variabelen weg uit het uiteindelijke model. Om het aantal covariabelen in het model te verminderen maakten we gebruik van de stapsgewijze variabelenselectie op basis van ‘Akaike’s information criterion’ (AIC).21

Resultaten

Ons cohort bestond uit 2258 patiënten met een gemiddelde leeftijd van 77,7 jaar (SD: 7,8). 873 patiënten (39%) hadden ≥ 2 valincidenten doorgemaakt binnen het voorafgaande jaar. Tabel 1 toont de kenmerken van de onderzoekspopulatie.

Van de 46 aanwezige ATC-groepen werd in de univariate analyse voor 20 groepen een mogelijke relatie aangetoond met recidiverend vallen (tabel 2). In de uiteindelijke multivariate regressieanalyse bleef het verband met recidiverend vallen gehandhaafd in totaal 6 klassen medicijnen: antacida (A02), analgetica (N02), antiparkinsongeneesmiddelen (N04), psychoanaleptica (N06), nasale preparaten voor de luchtwegen (R01) en oftalmologica (S01).

Van de medicatieklassen die waren ingedeeld op basis van het derde ATC-niveau bestond in onze univariate analyse een significante relatie (p < 0,2) met recidiverend vallen voor antipsychotica (N05A), anxiolytica (N05B), slaapmiddelen en sedativa (N05C) en antidepressiva (N06A) (tabel 3). In de multivariate analyse toonden alleen antipsychotica (N05A) en antidepressiva (N06A) een significante relatie met recidiverend vallen (tabel 3).

Beschouwing

Naast de reeds bekende valrisicoverhogende geneesmiddelen, zoals antipsychotica, antidepressiva, pijnstillers en antiparkinsonmedicatie, bleek er ook voor antacida, nasale preparaten en oftalmologica een verband te bestaan met recidiverend vallen bij oudere patiënten die naar aanleiding van een valincident de SEH bezoeken.

Antidepressiva, antiparkinsonmedicatie en analgetica

De geïdentificeerde relatie tussen antidepressiva en recidiverend vallen is in lijn met eerdere studies.14,15 Bovendien is de relatie tussen antiparkinsongeneesmiddelen (N04) en recidiverend vallen overeenkomstig de resultaten van een eerdere Amerikaanse studie.16 Het gebruik van antiparkinsonmedicatie kan onder andere leiden tot al dan niet initiële hypotensie en orthostase.17,22 Ook analgeticagebruik vertoonde een relatie met recidiverende valincidenten. Bekende bijwerkingen van opioïde analgetica zijn onder andere een verslechtering van de balans en mobiliteit, verminderde concentratie, verlengde reactietijd en orthostatische hypotensie.23

Oftalmologica

Verder hebben we een significante relatie aangetoond tussen recidiverend vallen en oftalmologica, een groep medicijnen die in onze onderzoekspopulatie voor meer dan de helft bestond uit antiglaucoommedicatie. Veel middelen tegen glaucoom kunnen voor een verhoogd valrisico zorgen door hypotensie, orthostase en bradycardie ten gevolge van een systemisch betablokkerend effect.24 Het grootste deel van de oogdruppels wordt namelijk afgevoerd via het nasolacrimale kanaal, waar het neusslijmvlies de medicatie absorbeert. Systemische verspreiding via het neusslijmvlies, zonder dat er sprake is van een hepatisch ‘first-pass’-effect, zorgt ervoor dat deze oogdruppels veelal een sterk en langdurig systemisch effect hebben. Voorzichtigheid en alertheid op bijwerkingen is dus geboden bij het gebruik van deze categorie oogdruppels, zeker bij oudere patiënten.24

Antacida

De constatering dat antacida-gebruik gerelateerd is aan een verhoogd risico op recidiverend vallen is relatief nieuw. Een mogelijk onderliggende causale verklaring zou kunnen liggen in het ontstaan van elektrolytstoornissen, zoals hypomagnesiëmie en hypocalciëmie, met als gevolg spierzwakte of duizeligheid. In deze dwarsdoorsnedestudie kan ‘confounding by indication’ echter niet geheel worden uitgesloten, aangezien antacida behoren tot de meest voorgeschreven medicijnen, vooral bij kwetsbare ouderen met polyfarmacie en uitgebreide comorbiditeit.25,26 Antacida zoals protonpompremmers gaan ook vaker gepaard met osteoporotische fracturen bij verminderde botdichtheid,25,27 wat ook de gevonden relatie kan verklaren met mensen die zijn gevallen en die zich op de SEH melden. Patiënten met letsel zijn immers oververtegenwoordigd op de SEH.

Anxiolytica, hypnotica en sedativa

We vonden tegen onze verwachting in geen verband tussen het gebruik van anxiolytica, hypnotica en sedativa, en het optreden van recidiverend vallen. Wellicht is dit het gevolg van een onderrapportage van het gebruik van sedativa, bijvoorbeeld doordat patiënten slaapmiddelen mogelijk niet als medicatie beschouwen, of doordat ze deze medicijnen niet op dagelijkse basis gebruiken. Het is ook mogelijk dat het verschil tussen eenmalig en recidiverend vallen zodanig klein geweest is dat we geen verband hebben kunnen vinden.

Nasaal toegediende medicatie

Ten slotte vonden wij onverwacht een verband tussen recidiverend vallen en nasaal toegediende preparaten, bijvoorbeeld medicatie voor de behandeling van astma of allergische rinitis. De sedatieve effecten van deze veelal antihistaminerge middelen vormen waarschijnlijk de onderliggende verklaring voor de gevonden relatie. Een andere mogelijke oorzaak is dat bijwerkingen als zwakte en elektrolytstoornissen het valrisico verhogen. Deze bijwerkingen kunnen optreden bij nasaal toegediende antiallergiemiddelen zoals de glucocorticoïden fluticason en budesonide.

Verder hebben oudere patiënten die nasale preparaten gebruiken voor astma of allergische rinitis vaker een verminderde longfunctie, wat vaak samengaat met algemene zwakte, sarcopenie en de daarbij ontstane fysieke beperkingen. Een Finse studie vond eveneens een verband tussen een verminderde longfunctie en vallen en valgerelateerd letsel.28 Hoewel de hierboven beschreven mechanismen verklarend kunnen zijn voor de relatie tussen deze medicatie en recidiverend vallen, is meer onderzoek nodig om sterker bewijs hiervoor te verzamelen.

Beperkingen

Voor zover wij hebben kunnen nagaan is onze studie de grootste medicatiestudie met als uitkomstmaat recidiverend vallen onder oudere patiënten.

Onze studie kent een aantal beperkingen. Allereerst waren we niet in staat om de duur van de blootstelling aan een bepaald geneesmiddel mee te nemen. Het is echter aannemelijk dat de patiënt de medicijnen gebruikte voordat de val plaatsvond. Ten tweede had onze studie een transversaal-observationeel ontwerp, waardoor het niet mogelijk is om causaliteit aan te tonen. Sommige gevonden correlaties weerspiegelen mogelijk de kwetsbaarheid van de patiënt als indirecte relatie met vallen in plaats van een directe relatie tussen het medicijngebruik en recidiverend vallen. Mogelijke ‘confounding by indication’ is daarom niet geheel uit te sluiten, hoewel we hiervoor deels konden corrigeren door het opnemen van covariabelen met betrekking tot geriatrische aandoeningen zoals verminderde mobiliteit en beperkte visus.

Het is ook mogelijk dat het additieve effect van combinaties van geneesmiddelen een oorzaak is van recidiverend vallen, of het vallen bevordert. Toekomstige studies zouden het effect moeten bestuderen van het staken van deze combinaties op recidiverend vallen.

Ten slotte betreffen onze resultaten ouderen die de SEH bezoeken vanwege een val en ze kunnen zodoende niet blind geëxtrapoleerd worden naar de algemene bevolking. We hebben echter geen reden om aan te nemen dat het verband tussen recidiverend vallen en medicatiegebruik zich zou beperken tot deze specifieke groep.

Ondanks de beperkingen van onze studie laten de resultaten zien dat de onderliggende mechanismen lijken te verschillen tussen eenmalige en recidiverende valpartijen. Zo wordt bijvoorbeeld cardiovasculaire medicatie geassocieerd met vallen, maar wij hebben in onze studie geen verband kunnen vinden tussen deze medicatie en recidiverend vallen. Deels kan dit worden verklaard door de onderliggende mechanismen. Cardiovasculaire geneesmiddelen kunnen als bijwerking een verhoogd valrisico hebben, bijvoorbeeld door orthostase. Door chronisch gebruik kan dit effect echter afnemen, waardoor het risico op recidiverend vallen kleiner wordt.

Conclusie

Hoewel de voordelen van een valrisicoverhogend medicament (‘FRID’) kunnen opwegen tegen het risico op vallen en andere bijwerkingen, moeten zorgverleners zich blijvend bewust zijn van de potentiële risico’s op recidiverend vallen bij het gebruik van bepaalde medicijnen. Sommige medicijnen verhogen niet alleen de initiële kans op vallen, maar geven een blijvend verhoogd valrisico, zelfs in vergelijking met het risico op incidentele valincidenten. In deze studie bleken 4 relatief nieuwe medicatieklassen gepaard te gaan met recidiverend vallen. Deels kan het gebruik van medicijnen uit deze klassen een aanwijzing zijn voor het bestaan van kwetsbaarheid en comorbiditeit. Nader onderzoek, bij voorkeur in prospectieve cohorten, is nodig om de oorzaken en omstandigheden van recidiverend vallen verder te onderzoeken.

De uitkomsten van deze studie bevestigen de noodzaak om bij ouderen regelmatig en kritisch de medicatielijst door te nemen en valrisicoverhogende medicamenten voor zover mogelijk goed in de gaten te houden, te staken of te wijzigen naar een veilige medicatie. Zo kan bij glaucoom bijvoorbeeld worden uitgeweken naar een middel zonder betablokkerend effect. Veilig voorschrijven mag echter ook niet leiden tot onderbehandeling. Het is belangrijk om bij het gebruik van valrisicoverhogende medicijnen andere valpreventieve en letselpreventieve maatregelen te nemen, zoals het al dan niet tijdelijke gebruik van loophulpmiddelen.

Literatuur
  1. 1. Tromp AM, Smit JH, Deeg DJ, Bouter LM, Lips P. Predictors for falls and fractures in the Longitudinal Aging Study Amsterdam. J Bone Miner Res. 1998;13:1932-9 Medline. doi:10.1359/jbmr.1998.13.12.1932

  2. 2. Tinetti ME, Speechley M, Ginter SF. Risk factors for falls among elderly persons living in the community. N Engl J Med. 1988;319:1701-7 Medline. doi:10.1056/NEJM198812293192604

  3. 3. Blake AJ, Morgan K, Bendall MJ, et al. Falls by elderly people at home: prevalence and associated factors. Age Ageing. 1988;17:365-72 Medline. doi:10.1093/ageing/17.6.365

  4. 4. Hartholt KA, van Beeck EF, Polinder S, van der velde N, van Lieshout EM, Panneman MJ et al. Societal consequences of falls in the older population: injuries, healthcare costs, and long-term reduced quality of life. J Trauma. 2011;71:748-53 Medline. doi:10.1097/TA.0b013e3181f6f5e5

  5. 5. Tinetti ME, Speechley M. Prevention of falls among the elderly. N Engl J Med. 1989;320:1055-9 Medline. doi:10.1056/NEJM198904203201606

  6. 6. Stalenhoef PA, Diederiks JP, Knottnerus JA, Kester AD, Crebolder HF. A risk model for the prediction of recurrent falls in community-dwelling elderly: a prospective cohort study. J Clin Epidemiol. 2002;55:1088-94 Medline. doi:10.1016/S0895-4356(02)00502-4

  7. 7. Kannus P, Sievanen H, Palvanen M, Jarvinen T, Parkkari J. Prevention of falls and consequent injuries in elderly people. Lancet. 2005;366:1885-93 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(05)67604-0

  8. 8. Tidermark J, Zethraeus N, Svensson O, Tornkvist H, Ponzer S. Quality of life related to fracture displacement among elderly patients with femoral neck fractures treated with internal fixation. 2002. J Orthop Trauma. 2003;17(8 Suppl):S17-21 Medline. doi:10.1097/00005131-200309001-00005

  9. 9. Stel VS, Smit JH, Pluijm SM, Lips P. Consequences of falling in older men and women and risk factors for health service use and functional decline. Age Ageing. 2004;33:58-65 Medline. doi:10.1093/ageing/afh028

  10. 10. Rubenstein LZ. Falls in older people: epidemiology, risk factors and strategies for prevention. Age Ageing. 2006;35(Suppl 2):ii37-41 Medline. doi:10.1093/ageing/afl084

  11. 11. van Nieuwenhuizen RC, van der Velde N, van Breda FG, et al. Assessing the prevalence of modifiable risk factors in older patients visiting an ED due to a fall using the CAREFALL Triage Instrument. Am J Emerg Med. 2010;28:994-1001 Medline. doi:10.1016/j.ajem.2009.06.003

  12. 12. Woolcott JC, Richardson KJ, Wiens MO, et al. Meta-analysis of the impact of 9 medication classes on falls in elderly persons. Arch Intern Med. 2009;169:1952-60 Medline. doi:10.1001/archinternmed.2009.357

  13. 13. Sterke CS, van Beeck EF, van der Velde N, et al. New insights: dose-response relationship between psychotropic drugs and falls: a study in nursing home residents with dementia. J Clin Pharmacol. 2012;52:947-55 Medline. doi:10.1177/0091270011405665

  14. 14. Luukinen H, Koski K, Laippala P, Kivela SL. Predictors for recurrent falls among the home-dwelling elderly. Scand J Prim Health Care. 1995;13:294-9 Medline. doi:10.3109/02813439508996778

  15. 15. Cumming RG, Miller JP, Kelsey JL, et al. Medications and multiple falls in elderly people: the St Louis OASIS study. Age Ageing. 1991;20:455-61 Medline. doi:10.1093/ageing/20.6.455

  16. 16. Nevitt MC, Cummings SR, Kidd S, Black D. Risk factors for recurrent nonsyncopal falls. A prospective study. JAMA. 1989;261:2663-8 Medline. doi:10.1001/jama.1989.03420180087036

  17. 17. Kujawa K, Leurgans S, Raman R, Blasucci L, Goetz CG. Acute orthostatic hypotension when starting dopamine agonists in Parkinson’s disease. Arch Neurol. 2000;57:1461-3 Medline. doi:10.1001/archneur.57.10.1461

  18. 18. Boele van Hensbroek P, van Dijk N, van Breda GF, et al. The CAREFALL Triage instrument identifying risk factors for recurrent falls in elderly patients. Am J Emerg Med. 2009;27:23-36 Medline. doi:10.1016/j.ajem.2008.01.029

  19. 19. Askari M, Eslami S, Scheffer AC, et al. Different risk-increasing drugs in recurrent versus single fallers: are recurrent fallers a distinct population? Drugs Aging. 2013;30:845-51 Medline.

  20. 20. Greenland S. Modeling and variable selection in epidemiologic analysis. Am J Public Health. 1989;79:340-9 Medline. doi:10.2105/AJPH.79.3.340

  21. 21. Burnham KP, Anderson DR. Model selection and multimodel inference: a practical-theoretic approach. 2e dr. Fort Collins: Springer; 2002.

  22. 22. Jenner P. Pharmacology of dopamine agonists in the treatment of Parkinson’s disease. Neurology. 2002;58 (Suppl 1):S1-8 Medline. doi:10.1212/WNL.58.suppl_1.S1

  23. 23. Van der Velde N, Stricker BH, Pols HA, van der Cammen TJ. Withdrawal of fall-risk-increasing drugs in older persons: effect on mobility test outcomes. Drugs Aging. 2007;24:691-9 Medline. doi:10.2165/00002512-200724080-00006

  24. 24. Müller ME. van der velde N, Krulder JW, van der Cammen TJ. Syncope and falls due to timolol eye drops. BMJ. 2006;332:960-1 Medline. doi:10.1136/bmj.332.7547.960

  25. 25. Targownik LE, Leslie WD, Davison KS, et al. The relationship between proton pump inhibitor use and longitudinal change in bone mineral density: a population-based from the Canadian Multicentre Osteoporosis Study (CaMos). Am J Gastroenterol. 2012;107:1361-9 Medline. doi:10.1038/ajg.2012.200

  26. 26. Teramura-Grönblad M, Hosia-Randell H, Muurinen S, Pitkala K. Use of proton-pump inhibitors and their associated risks among frail elderly nursing home residents. Scand J Prim Health Care. 2010;28:154-9 Medline. doi:10.3109/02813432.2010.493315

  27. 27. Kwok CS, Yeong JK, Loke YK. Meta-analysis: risk of fractures with acid-suppressing medication. Bone. 2011;48:768-76 Medline. doi:10.1016/j.bone.2010.12.015

  28. 28. Koski K, Luukinen H, Laippala P, Kivela SL. Physiological factors and medications as predictors of injurious falls by elderly people: a prospective population-based study. Age Ageing. 1996;25:29-38 Medline. doi:10.1093/ageing/25.1.29

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

Afd. Klinische Informatiekunde: M. Askari, MSc en S. Medlock, MSc, onderzoekers in opleiding; dr. S. Eslami, onderzoeker; prof.dr. A. Abu-Hanna, klinisch informatiekundige.

Afd. Interne Geneeskunde: dr. N. van der Velde en prof.dr. S.E. de Rooij, internisten-geriater; dr. A.C. Scheffer, valverpleegkundige.

Contact prof.dr. S.E. de Rooij (s.e.derooij@amc.uva.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: voor dit onderzoek werd subsidie ontvangen van ZonMw (projectnummer 300020010).

Auteur Belangenverstrengeling
Marjan Askari ICMJE-formulier
Nathalie van der Velde ICMJE-formulier
Alice C. Scheffer ICMJE-formulier
Stephanie Medlock ICMJE-formulier
Saied Eslami ICMJE-formulier
Sophia E. de Rooij ICMJE-formulier
Ameen Abu-Hanna ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties