Mammacarcinoom bij vrouwen jonger dan 30 jaar

Onderzoek
P.M.N.Y.H. Go
H. Obertop
G. Blijham
J.D.K. Munting
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:860-2
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Borstkanker is zeldzaam bij vrouwen jonger dan 30 jaar. In een retrospectieve studie bij 25 vrouwen werd de invloed van de jonge leeftijd op diagnostiek, behandeling en prognose bestudeerd. Bij 21 vrouwen bestond het vermoeden van een kwaadaardige aandoening op grond van palpatie of mammografie. Desondanks werd de definitieve diagnostiek vertraagd bij 9 van de 21 patiënten. Van de patiënten hadden er 16 tumoren in stadium I, 7 in stadium II, 1 in stadium III en 1 in stadium IV.

Na een gemiddelde follow-up-duur van 68 maanden waren 20 patiënten vrij van tumor. Stadium van de tumor, de uitgevoerde behandeling en de prognose kwamen overeen met die worden beschreven voor andere leeftijdsgroepen.

Inleiding

Slechts 1 van alle vrouwen met mammacarcinoom is jonger dan 30 jaar.1-3 De incidentie van borstkanker in deze leeftijdsgroep is in Nederland 0,7 per 100.000 vrouwen, maar voor alle vrouwen ongeacht de leeftijd 80-100.4 Het stellen van de diagnose borstkanker bij jonge vrouwen ligt dan ook niet voor de hand. Een vertraging van de diagnose en behandeling bij deze vrouwen zou kunnen leiden tot een slechte prognose in vergelijking met andere leeftijdsgroepen. Bij 25 vrouwen met mammacarcinoom die jonger dan 30 jaar waren, werd een retrospectief onderzoek verricht, waarbij werd onderzocht wat de invloed van hun leeftijd was op diagnostiek, behandeling en prognose.

PatiËnten en methode

De patiëntengroep bestond uit 25 vrouwen jonger dan 30 jaar bij wie verspreid over 6 ziekenhuizen in Zuid-Limburg tussen 1970-1986 mammacarcinoom werd gediagnostiseerd. De gemiddelde leeftijd was 27 (21; 29) jaar. De klinische stagering was als volgt: bij 16 patiënten was de tumor in stadium I ingedeeld, bij 7 in stadium II, bij 1 in stadium III en bij 1 patiënt in stadium IV.5 De definitieve diagnose werd bij allen gesteld op grond van histologisch onderzoek.

De patiënten met tumoren in stadium I, II en III werden in opzet curatief behandeld, zoals samengevat in tabel 1. De na-controle van alle patiënten bestond uit lichamelijk onderzoek en mammografie.

Resultaten

Bij 21 van de 25 vrouwen bestond bij lichamelijk onderzoek en (of) mammografie het vermoeden van mammacarcinoom. Bij 2 van de overige 4 vrouwen, bij wie voor operatie geen kwaadaardige aandoening werd vermoed, werd geen mammografie verricht. Bij 9 van de 21 eerder genoemde patiënten werd niet de gebruikelijke procedure gevolgd. Bij 4 patiënten was de periode tussen het eerste poliklinische bezoek en de definitieve diagnose 4 tot 19 maanden. Deze ziekenhuis-vertraging vond plaats, hoewel bij 2 patiënten een onregelmatig begrensde tumor werd gevoeld en bij 2 anderen bij mammografie een vermoedelijk maligne afwijking werd gezien. Alle 4 patiënten hadden bij operatie een tumor van 5 cm. Bovendien werd bij de 5 andere patiënten na het stellen van de histologische diagnose pas 2-4 weken later de definitieve chirurgische therapie uitgevoerd. Alle patiënten werden behandeld op de voor het tumorstadium gebruikelijke wijze (zie tabel 1).

Twintig patiënten waren vrij van tumor na een gemiddelde follow-up-duur van 68 (14; 216) maanden. Drie zijn in leven met recidief, respectievelijk 13, 72 en 84 maanden na operatie en 2 vrouwen zijn overleden aan recidief van de tumor. In tabel 2 worden per stadium de follow-up-duur en de bijzonderheden die zich voordeden tijdens de na-controle vermeld.

Beschouwing

Het mammacarcinoom bij vrouwen jonger dan 30 jaar komt weinig voor. De incidentie in Nederland is 0,7 per 100.000 vrouwen; dit getal is in de periode 1974-1984 niet toegenomen.4 Na het 30e levensjaar neemt de incidentie van het mammacarcinoom toe. De zeldzaamheid van deze aandoening bij jonge vrouwen rechtvaardigt een aparte benadering.

Het lichamelijk onderzoek en de mammografie zijn ook bij deze jonge vrouwen van grote betekenis voor het stellen van de diagnose. Het besluit tot het maken van een mammogram op deze leeftijd dient zorgvuldig te worden genomen.6 Indien er een solide, vast aanvoelende tumor wordt gevonden, al dan niet met suspecte verschijnselen als groei, onregelmatige begrenzing, bloederige tepeluitvloed of vergrote axillaire klieren, is aanvullend radiologisch onderzoek in de vorm van mammografie met eventueel echografie geïndiceerd. Vooral wanneer bij klinisch en (of) radiologisch onderzoek een kwaadaardige aandoening wordt vermoed, dient cytologisch en (of) histologisch onderzoek niet te worden uitgesteld. Bij 21 van de 25 onderzochte vrouwen werd mammatumor reeds vermoed bij lichamelijk onderzoek en (of) radiologisch onderzoek.

Het is gebruikelijk om bij het vermoeden van een kwaadaardig gezwel snel histologisch of cytologisch onderzoek te verrichten en aansluitend therapie in te stellen. Bij 9 van de 21 patiënten bij wie dit vermoeden bestond, werd echter een min of meer afwachtend beleid gevoerd: Bij 4 patiënten werd 4 tot 19 maanden gewacht alvorens tot histologisch onderzoek over te gaan; toen was de tumor echter reeds groter dan 5 cm. Bij 5 andere patiënten met een verdachte aandoening werd pas 2 tot 4 weken na het verrichten van een excisiebiopsie definitieve chirurgische therapie ingesteld. De ongebruikelijke behandeling is mogelijk het gevolg van de jonge leeftijd van deze patiënten.

Uitstel van diagnostiek en therapie zou kunnen leiden tot verdere groei van de tumor. Uit literatuurgegevens blijkt dat bij vrouwen onder de 30 jaar een mammacarcinoom met een diameter van 5 cm of groter een slechtere prognose heeft dan bij vrouwen ouder dan 30 jaar.3

De jonge vrouwen in ons onderzoek ondergingen uiteindelijk allen de gebruikelijke behandeling voor mammacarcinoom. In de jaren zeventig bestond de behandeling uit gemodificeerde mamma-amputatie al dan niet gevolgd door radiotherapie of chemotherapie. In de laatste jaren geniet borstsparende therapie met adjuvante radiotherapie de voorkeur.

Verschillende auteurs hebben de 5-jaarsoverleving van jonge vrouwen met mammacarcinoom bestudeerd (tabel 3).1-37-10 Recente studies geven een betere 5-jaarsoverleving aan dan oudere studies, die mogelijk verklaard kan worden door de vroege diagnostiek en de verbetering van de therapeutische mogelijkheden in de laatste decennia. De relatief gunstige resultaten in de groep patiënten die wij onderzochten, worden wellicht verklaard door het grote aantal tumoren in stadium I en II. Backhouse et al. vonden een 5-jaarsoverleving van 82 in deze stadia bij jonge vrouwen.7

De prognose van mammacarcinoom bij vrouwen die jonger zijn dan 30 jaar verschilt weinig van de prognose van een mammacarcinoom dat op een oudere leeftijd wordt vastgesteld, bij vergelijkbare behandeling.127-9 In een nationale Zweedse studie blijken vrouwen in de leeftijdsgroep 45-49 jaar de beste prognose te hebben, vrijwel direct gevolgd door de groep vrouwen die jonger zijn dan 30 jaar.10 Een agressievere therapie in de jonge leeftijdsgroep is daarom niet gerechtvaardigd.

Een specifiek probleem in deze leeftijdsgroep is de zwangerschap. Op oncologische gronden wordt in het algemeen afgeraden zwanger te worden na een in opzet curatieve behandeling voor mammacarcinoom. Grote klinische studies zijn op dit gebied echter niet voorhanden. Harvey et al. concluderen naar aanleiding van onderzoek bij 41 patiënten dat zwangerschap, zelfs binnen 2 jaar na een in opzet curatieve behandeling geen nadelige gevolgen voor deze vrouwen inhield, zelfs bij aanwezigheid van positieve okselklieren.11 Een onderbreking van een zwangerschap die is ontstaan na curatieve therapie, beïnvloedt de prognose op lange termijn niet.1112 Eén van de onderzochte vrouwen beviel ruim 1 jaar na curatieve behandeling en is thans, ruim 2 jaar later, vrij van tumorverschijnselen.

Geconcludeerd mag worden dat ook bij jonge vrouwen een bij klinisch en (of) radiologisch onderzoek ontstaan vermoeden van mammacarcinoom een dwingende reden tot histologisch onderzoek is. Er zijn geen aanwijzingen dat de prognose van carcinoom van de mamma voor deze leeftijdsgroep afwijkt van die van oudere patiënten.

De volgende collegae ben ik zeer erkentelijk voor het beschikbaar stellen van hun patiëntengegevens: H.G.J.Stroeken, chirurg te Sittard, J.A.C.M.Povel, chirurg te Geleen, J.van der Bijl, chirurg te Brunssum, dr.L.Nieuborg, chirurg te Kerkrade.

Literatuur
  1. Birks DAM, Crawford GM, Ellison LG, Johnstone FRC.Carcinoma of the breast in women 30 years of age or less. Surg Gynecol Obstet1973; 137: 21-5.

  2. Earley TK, Gallagher JQ, Chapman KE. Carcinoma of thebreast in women under thirty years of age. Am J Surg 1969; 118:832-4.

  3. Noyes RD, Spanos jr WJ, Montague ED. Breast cancer inwomen aged 30 and under. Cancer 1982; 49: 1302-7.

  4. Centraal Bureau voor de Statistiek. Diagnose statistiekziekenhuizen 1974 t.m. 1984. 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij.

  5. DeVita VT, Hellman S, Rosenberg SA. Cancer, principles andpractice of oncology. Philadelphia: JB Lippincott, 1982: 922-4.

  6. Williams SM, Kaplan PA, Petersen JC, Lieberman RP.Mammography in women under age 30: is there clinical benefit? Radiology 1986;161: 49-50.

  7. Backhouse CM, Lloyd-Davies EVR, Shousha S, Burn JI.Carcinoma of the breast in women aged 35 or less. Br J Surg 1987; 74:591-3.

  8. Rosen PP, Lesser ML, Kinne DW, Beattie EJ. Breastcarcinoma in women 35 years of age or younger. Ann Surg 1984; 199:133-42.

  9. Gogas J, Shalkeas G. Prognosis of mammary carcinoma inyoung women. Surgery 1975; 78: 339-42.

  10. Adami HO, Malker B, Holmberg L, Persson I, Stone B. Therelationship between survival and age at diagnosis of breast cancer. N Engl JMed 1986; 315: 559-63.

  11. Harvey JC, Rosen PP, Ashikari R. The effect of pregnancyon the prognosis of carcinoma of the breast following radical mastectomy.Surg Gynecol Obstet 1981; 153: 723-5.

  12. Holleb A1, Farrow JH. The relation of carcinoma of thebreast and pregnancy in 283 patients. Surg Gynecol Obstet 1962; 115:65-71.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 1918, 6201 BX Maastricht.

Afd. Algemene Heelkunde: dr.P.M.N.Y.H.Go, chirurg.

Afd. Klinische Oncologie: prof.dr.G.Blijham, internist.

Academisch Ziekenhuis, afd. Algemene Heelkunde, Utrecht.

Prof.dr.H.Obertop, chirurg.

De Wever Ziekenhuis, afd. Algemene Heelkunde, Heerlen.

Dr.J.D.K.Munting, chirurg.

Contact dr. P.M.N.Y.H.Go

Gerelateerde artikelen

Reacties