Maligne aandoeningen van het lymfatische systeem

Klinische praktijk
E.J.E.G. Bast
G.C. de Gast
H.-J. Schuurman
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1695-9
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 1681.

Een groot gedeelte van de ziekten van het lymfatische systeem wordt, in het bijzonder bij volwassenen, gevormd door maligne aandoeningen. Afhankelijk van de lokalisatie van de woekerende cellen spreken we van leukemie (bloed, vaak ook beenmerg), lymfoom (overige lymfatische organen, zoals lymfeklieren en milt), of myeloom (beenmerg). In dit artikel worden met name de immunologische aspecten van deze maligne tumoren beschreven. Myelo- en monocytaire tumoren komen niet of slechts zijdelings aan de orde.

Diagnostiek

Pathologisch-anatomisch onderzoek

De diagnose leukemie, lymfoom of myeloom wordt gesteld door middel van cytologisch onderzoek van een uitstrijkpreparaat van bloed of beenmerg, of door histopathologisch onderzoek van verwijderd weefsel. Hierbij wordt een aantal classificaties toegepast, welke zijn gebaseerd op celmorfologie, uitgebreidheid en aantallen van pathologische cellen. Voor een uitgebreide beschrijving wordt de lezer verwezen naar enkele recente atlassen.1-3 In Nederland wordt voor lymfomen veelal gebruik gemaakt van de zgn. Kiel-classificatie:3 voor onderlinge vergelijking van een aantal classificaties is in een internationaal onderzoek de zgn. werkformule opgesteld,4 en ook deze wordt bij de diagnosestelling toegepast. Beide classificaties onderscheiden drie hoofdvormen: de lage, de intermediaire en de hoge maligniteitsgraad. Van de in de periode juni 1981-april 1983 bij het Integraal Kankercentrum West geregistreerde lymfomen (114 patiënten) bleek 30 van lage, 54 van intermediaire en 17 van hoge maligniteitsgraad te zijn.5 Lymfatische leukemieën worden algemeen volgens de Frans-Amerikaans-Britse (FAB-)classificatie cytologisch onderscheiden in LI (klein lymfatisch), L2 (meer blasten) en L3 (Burkitt-lymfoom). Deze komen bij volwassenen voor in respectievelijk circa 40, 60 en 2.

Fenotypische karakterisering

Naast het routinematige pathologisch-anatomische of cytologische onderzoek zijn andere methoden voor de diagnostiek van maligne aandoeningen van het lymfatische systeem beschikbaar gekomen. Dit betreft o.a. betere morfologische beoordeling via elektronenmicroscopie, de bepaling van enzyminhoud door middel van enzymhistochemie of -cytochemie en de bepaling van celmembraan- en cytoplasmatische merkstoffen. Deze laatste fenotypische karakterisering van de tumorcel is oorpronkelijk ontwikkeld voor cellen in suspensie (immunocytochemie) en daarna beschikbaar gekomen voor analyse van weefselcoupes (immunohistochemie, veelal op coupes van vers ingevroren weefsel). De cellen in suspensie of de weefselcoupe worden met antilichaam tegen de te onderzoeken merkstof geïncubeerd: de detectie gebeurt vervolgens door middel van immunofluorescentie of een enzymatische methode. In de directe methode is aan de antilichamen een fluorochroom of enzym gekoppeld, en in de indirecte methode wordt na de eerste incubatie geïncubeerd met een aan fluorochroom of enzym gekoppeld tweede antilichaam, dat gericht is tegen het eerste antilichaam. De beoordeling gebeurt vervolgens met de fluorescentiemicroscoop of, na kleuring van het enzym, met de lichtmicroscoop. Enkele voorbeelden zijn gegeven in dit tijdschriftnummer.6 Aangezien deze typering slechts uitvoerbaar is op vers geïsoleerde cellen (uit bloed of beenmerg) of op vriescoupes van lymfatisch weefsel, moet het materiaal vers aan het laboratorium worden aangeboden. Een nauwe samenwerking tussen degene die het biopt heeft genomen en de patholoog-anatoom, dan wel tussen de hematoloog en het laboratorium is dan ook noodzakelijk.

De fenotypering van tumoren van het lymfatische systeem is gebaseerd op het inzicht dat deze bestaan uit vrijwel ongeremd groeiende cellen, behorend tot één kloon (monoklonale proliferatie), dat de cellen van deze kloon vrijwel alle in hetzelfde rijpingsstadium zijn (differentiatie-arrest) en dat dit stadium ergens in de normale ontwikkeling van het lymfatische systeem is te plaatsen (geen tumorspecifieke antigenen). De recente ontwikkeling van de monoklonale antilichaam-bereiding heeft onze kennis over normale en pathologische lymfopoëse zeer verdiept. Een uitgebreide variatie aan monoklonale antilichamen is gemaakt tegen (sub)groepen van leukocyten, allereerst tegen subgroepen van T-lymfocyten, en later tegen subgroepen van B-lymfocyten en cellen van de myelo- en monocytaire reeks.7-9 In twee internationale werkgroepen (Parijs, 1982 en Boston, 1984) is een groot aantal reagentia vergeleken in verschillende testsystemen:1011 op grond van de reactiviteitspatronen zijn de corresponderende antigenen gegroepeerd in differentiatieclusters (‘clusters of differentiation’, CD). Een beperkt overzicht van de thans vastgestelde CD is gegeven in de tabel; tevens zijn enkele in de literatuur al vaak vermelde monoklonale antilichamen bij de individuele clusters vermeld.

Enkele van de merkstoffen hangen samen met het maturatiestadium van de cel:781213 zo komt CD1 alleen voor op onrijpe T-cellen in de thymuscortex en CD3 op rijpere cellen in de thymusmedulla, in perifere lymfatische organen en in bloed. Ook hangen sommige merkstoffen samen met de functie van de cel: zo worden T-helpercellen, die klasse II-histocompatibiliteitsantigenen (bijvoorbeeld HLA-DR) herkennen, voornamelijk gevonden binnen de groep die CD4-expressie vertoont, en worden T-suppressorcellen, die klasse I-histocompatibiliteitsantigenen (HLA-A, -B of -C) herkennen, vooral aangetroffen binnen de groep die CD8-positief is.14 Het CD3-antigeen blijkt nauw geassocieerd met de antigeenreceptor op T-cellen.15 Het voorkomen van de CD-antigenen op T-cellen in verschillende maturatiestadia is gegeven in figuur 1. In deze figuur is ook de expressie van CD-antigenen bij maligne tumoren van T-cellen geschetst. Voor de B-cellijn zijn CD vastgesteld door de werkgroep in Boston.11 Ook hier heeft de bestudering van de fenotypen van diverse maligne tumoren van B-cellen ons veel geleerd over de normale B-celdifferentiatie,7816 al is er over de functie van de specifieke antigenen minder bekend dan van de T-cel-CD. Voor cellen van de B-reeks was al een belangrijke merkstof beschikbaar, nl. de cytoplasmatische of membraanexpressie van immunoglobuline. Een overzicht van de aanwezigheid van CD-antigenen en immunoglobuline op B-lymfocyten in verschillende maturatiestadia is schematisch weergegeven in figuur 2. Ook hier is de expressie van CD-antigenen bij pathologische B-cellen geschetst.

DifferentiËle diagnostiek

Bij een aantal maligne tumoren levert het histologische of cytologische onderzoek geen duidelijk interpreteerbare gegevens op. Bij histopathologische afwijkingen in lymfeklierfollikels is het soms moeilijk te differentiëren tussen een reactief proces of maligniteit: door middel van immunohistochemisch onderzoek met antisera tegen lichte ketens van immunoglobuline kan onderscheid worden gemaakt tussen polyklonale of monoklonale immunoglobuline-expressie. Zoals hierboven vermeld, zijn tumoren (vrijwel altijd) monoklonaal en de bevinding van een monoklonaal patroon heeft dan ook een directe diagnostische betekenis. Bij grootcellige lymfekliertumoren is het soms niet mogelijk op geleide van histo- of cytomorfologie lymfoom te onderscheiden van ongedifferentieerd carcinoom. De diagnose lymfoom, die wordt gesteld op grond van de aanwezigheid van het pan-leukocytenantigeen,1718 heeft verstrekkende consequenties voor de therapie.

Door toepassing van een aantal reagentia is het thans mogelijk informatie te krijgen over de differentiatiegraad of origine van de tumor.7-91219 De nomenclatuur van de Kiel-classificatie is gedeeltelijk gebaseerd op de relatie met overeenkomstige cellen in de fysiologische celdifferentiatie:3 de namen centrocytair en centroblastair duiden op een morfologie, die vergelijkbaar is met die van cellen in kiemcentra van normale (reactieve) lymfeklierfollikels.20 De B-cellen daarin vertonen (polyklonale) expressie van IgM en IgG. In overeenstemming hiermee vertonen centrocytaire of centroblastaire lymfomen B-celkarakteristieken met expressie van (monoklonaal) IgM of IgG. Een andere overeenkomst is de expressie van proliferatiemerkstoffen op deze lymfomen (deze expressie heeft derhalve geen direct verband met de maligniteitsgraad).21 Kleine ‘rustende’ B-lymfocyten in follikelmantels van lymfeklieren en in perifeer bloed vertonen op hun membraan voornamelijk IgM-expressie (vaak in combinatie met IgD); in overeenstemming hiermee wordt bij lymfocytaire lymfomen (en bij chronische lymfatische leukemie) veelal IgM (en niet IgG) aangetoond (zie fig. 2). Bij de T-celtumoren vertonen lymfoblastaire T-cellymfomen (ontstaan in lymfeklieren) vaak een ‘rijper’ fenotype dan de maligne cellen bij acute lymfoblastaire (T-)leukemie. Tumoren van lage of intermediaire maligniteitsgraad kunnen goed in de fysiologische celdifferentiatie geplaatst worden. Voor de tumoren van hoge maligniteitsgraad is het veel moeilijker de tegenhanger in de normale differentiatie te vinden. Dit betreft niet alleen de morfologie, maar ook de fenotypische expressie van de maligne cel. Het volledige fenotype van corresponderende normale cellen is vaak niet aanwezig op de pathologische cellen, waarschijnlijk door antigeenverlies tijdens de proliferatie van de maligne cellen.22 Behalve de hierboven genoemde fenotypische relatie bestaat er ook een morfologische relatie tussen normale en pathologische celdifferentiatie. Na beschrijving van de zgn. multilobaire lymfomen als variant van T-cellymfoom van de huid of als centrocytair-centroblastair B-cellymfoom konden op geleide van de fenotypische karakteristieken cellen met een vergelijkbare morfologie aangetoond worden in de normale thymus en kiemcentra van normale lymfeklierfollikels.2324

Ook de relatie in functie tussen normale en pathologische cellen heeft bijgedragen aan ons inzicht in het immuunsysteem. Voor T-cellen is hierboven al de relatie tussen CD4-expressie en helper-inducerfunctie bij immunoreacties aangehaald. CD4-expressie komt o.a. voor op Sézary-leukemiecellen en inderdaad vertonen deze cellen vaak een helperfunctie bij immunologisch onderzoek in vitro.

Bij de beoordeling van leukemieën en lymfomen volgens cyto- en histopathologische criteria wordt algemeen een concordantie bereikt van ca. 70.25 Bij de immunofenotypering, waar meer exact de aan- of afwezigheid van membraanantigenen wordt bepaald, gaf een vergelijkend onderzoek van twee Amerikaanse laboratoria, gelegen aan de oost- en westkust, een overeenstemming van 100 in de uitkomst en van 90 in alle details.26 Nu deze concordantie hoger wordt, is de klinische relevantie van fenotypering zuiverder te bestuderen dan voorheen. Voorts kan, indien het fenotype van de maligne cel is vastgesteld, na therapie een eventueel recidief veel gevoeliger worden waargenomen. Terwijl volgens cyto- en histopathologische criteria beenmerg als in complete remissie wordt beoordeeld bij aanwezigheid van minder dan 5 blasten, is de detectiegrens van de aanwezigheid van maligne cellen volgens de immunofenotypering, afhankelijk van het type cel, tussen 1 en 0,01.

Prognose

Het immunologisch fenotype kan bijdragen tot de bepaling van de prognose van de ziekte. Dit geldt onder andere voor die groepen, waar een heterogeniteit bestaat in fenotypische expressie bij eenzelfde cyto- of histopathologische classificatie. Bij lymfomen, geclassificeerd volgens de zgn. Lukes-Collins-classificatie, is de mediane overleving het beste voor patiënten met immunologisch getypeerd B-cellymfoom, minder voor T- en het slechtst voor non-T-non-B-lymfoom.27 Immunotypering heeft wellicht de meeste waarde voor bepaling van de prognose bij tumoren van hoge maligniteitsgraad, daar deze fenotypisch heterogeen zijn. Zo is binnen de groep van T-cellymfomen een verband tussen de fenotypische en klinische heterogeniteit gevonden. T-celtumoren op de kinderleeftijd komen voor in de vorm van acute lymfoblastaire leukemie en van lymfoblastair lymfoom (meestal van het ‘convoluted’ type). In vergelijking met de T-leukemie is de vaak betere prognose van het T-lymfoblastaire lymfoom gerelateerd met een ‘rijper’ fenotype van de pathologische cel.27 Ook de acute lymfatische leukemieën (ALL) die cytologisch als L2 (meer blasten) worden getypeerd, zijn heterogeen in fenotype en prognose. De mediane overleving vertoont de volgorde: ‘common’ ALL > pre-B-ALL > ongedifferentieerde ALL > T-ALL > B-ALL.

Nieuwe behandelingsmethoden

De bepaling van het immunologische fenotype kan in de komende jaren van waarde blijken, wanneer nieuwe behandelingsmethoden voor maligne aandoeningen van het lymfatische systeem worden ontwikkeld. Twee ontwikkelingen zijn thans gaande: behandeling in vivo met monoklonale antilichamen waaraan een toxische stof is gekoppeld, of hoge doses chemotherapeutica en totale lichaamsbestraling gevolgd door teruggave van autoloog beenmerg. Voor de eerste methode is het noodzakelijk de antigeenexpressie op de pathologische cellen vast te stellen; bij de tweede methode kunnen in het van te voren afgenomen autologe beenmerg eventueel resterende pathologische cellen ontdekt worden en volgens de eerste methode in vitro worden verwijderd. Deze behandelingsmethoden worden thans op hun waarde getoetst.

In Nederland worden thans in verscheidene centra typeringen van lymfatische tumoren uitgevoerd. Onlangs is begonnen met het voeren van overleg tussen verschillende centra om tot uniformiteit in typeringsprotocollen te komen en tevens de structuur van typeringscentra te definiëren. Bij de typeringen wordt een zgn. 1e- en 2e-fase-onderzoek voorgesteld. Voor lymfomen betreft het voornamelijk onderzoek van vriescoupes. Speciaal bij de analyse van folliculaire lymfomen verdient vriescoupe-onderzoek de voorkeur boven analyse van celsuspensies, aangezien de laatste foutieve resultaten kan opleveren.29 In de eerste fase wordt de aanwezigheid van enkele T-, B- (waaronder immunoglobulinen) en bij leukemieën ook myelo- of monocytaire merkstoffen onderzocht, alsook de aanwezigheid van HLA-DR en pan-leukocytenantigeen. Bij dit eerste onderzoek wordt de maligne celgroep gekarakteriseerd als T-, B-, myelo-of monocytaire tumor, in nauwe combinatie met de cyto-en histopathologische diagnose. Het pan-leukocytenantigeen wordt hierbij meegenomen ten einde bij negatief zijn voor de overige merkstoffen het leukocytkarakter te kunnen vaststellen. In de 2e fase wordt een subtypering uitgevoerd met een reeks van antisera welke gericht zijn tegen T-, B-, myelo- of monocytaire antigenen (differentiatieclusters, zie de tabel). Bij de typering van cellen van de myelo- of monocytaire reeks worden tevens enzymremmers betrokken zoals ?1-antitrypsine en ?1-antichymotrypsine (met behulp van antilichamen tegen deze enzymen) en enzymen als zure-?-nafthylacetaatesterase en zure fosfatase (met behulp van enzymhisto- of enzymcytochemie). Dit protocol zal ook worden voorgesteld voor typering van maligne aandoeningen van het lymfatische systeem bij patiënten die in multicentre-onderzoekingen onder auspiciën van de Europese Organisatie voor Onderzoek van Kankerbehandeling (EORTC) behandelingen volgens protocol ondergaan. Op deze wijze kan de waarde van de bepaling van het immunologische fenotype van deze tumoren in prospectief onderzoek verder worden onderbouwd.

Literatuur
  1. Hayhoe FGJ, Flemans RJ. A colour atlas of haematologicalcytology. Londen: Wolfe, 1982.

  2. Henry K, Farrer-Brown G. A colour atlas of thymus andlymph node histopathology. Londen: Wolfe, 1981.

  3. Lennert K. Malignant lymphomas other than Hodgkin'sdisease. Berlijn: Springer, 1978.

  4. Rosenberg SA (chairman). National Cancer Institutesponsored study of classifications of non-Hodgkins's lymphomas. Cancer1982; 49: 2112-35.

  5. Haak HL, Kluin PM, Meyer CJLM, et al. Population-basedregistration of non-Hodgkin lymphoma in the region covered by theComprehensive Cancer Center West. Neth J Med 1986; 29: 105-10.

  6. Gast GC de, Bast EJEG, Schuurman H.-J. De moeilijke wegenvan diagnostiek en therapie bij patiënten met tumoren van hetlymfatische systeem. Ned TijdschrGeneeskd 1986; 130: 1681-4.

  7. Caligaris-Cappio F, Janossy G. Surface markers in chroniclymphoid leukemias of B cell type. Semin Hematol 1985; 22: 1-12.

  8. Foon KA, Schroff RW, Gale RP. Surface markers on leukemiaand lymphoma cells: recent advances. Blood 1982; 60: 1-19.

  9. Harden EA, Haynes BF. Phenotypic and functionalcharacterization of human malignant T cells. Semin Hematol 1985; 22:13-26.

  10. Bernard A, Boumsell L, Dausset J, Milstein C, SchlossmanSF, eds. Leukocyte typing. Berlijn: Springer, 1984.

  11. IUIS-WHO nomenclature subcommittee. Nomenclature forclusters of differentiation (CD) of antigens defined on human leukocytepopulations. Bull WHO 1984; 62: 809-11.

  12. Aisenberg AC. Cell lineage in lymphoproliferativedisease. Am J Med 1983; 74: 679-85.

  13. Janossy G, Prentice HG. T cell subpopulations, monoclonalantibodies and their therapeutic applications. Clin Haematol 1982; 11:631-60.

  14. Reinherz EL, Meuer SC, Schlossman SF. The delineation ofantigen receptors on human T lymphocytes. Immunol Today 1983; 4:5-8.

  15. Acuto O, Reinherz EL. The human T-cell receptor.Structure and function. N Engl J Med 1985; 312: 1100-11.

  16. Anderson KC, Bates MP, Slaughenhoupt BL, Pinkus GS,Schlossman SF, Nadler LM. Expression of human B cell-associated antigens onleukemias and lymphomas: a model of human B cell differentiation. Blood 1984;63: 1424-33.

  17. Battifora H, Trowbridge IS. A monoclonal antibody usefulfor the differential diagnosis between malignant lymphoma andnonhematopoietic neoplasms. Cancer 1983; 51: 816-21.

  18. Gatter KC, Alcock C, Heryet A, Mason DY. Clinicalimportance of analysing malignant tumours of uncertain origin withimmunohistological techniques. Lancet 1985; i: 1302-5.

  19. Chan LC, Pegram SM, Greaves MF. Contribution ofimmunophenotype to the classification and differential diagnosis of acuteleukaemia. Lancet 1985; i: 475-9.

  20. Stein H, Gerdes J, Mason DY. The normal and malignantgerminal centre. Clin Haematol 1982; 11: 531-59.

  21. Schuurman HJ, Kluin PM, Gast GC de, Kater L.HNK-1 cells in non-Hodgkin's lymphoma: lack of relationwith transferrin receptor expression on malignant cells. Br J Cancer 1985;51: 171-7.

  22. Doggett RS, Wood GS, Horning S, et al. The immunologiccharacterization of 95 nodal and extranodal diffuse large cell lymphomas in89 patients. Am J Pathol 1984; 115: 245-52.

  23. Putte SCJ van der, Schuurman HJ, Toonstra J. CutaneousT-cell lymphoma, multilobated type, expressing membrane differentiationantigens of precursor T-lymphocytes. Br J Dermatol 1982; 107:293-300.

  24. Putte SCJ van der, Schuurman HJ, Rademakers LHPM, KluinPM, Unnik JAM van. Malignant lymphoma of follicle centre cells with markednuclear lobation. Virchows Arch (Cell Pathol) 1984; 46: 93-107.

  25. Stalsberg H. Lymphoreticular tumors in Norway and inother European countries. J Natl Cancer Inst 1973; 50: 1685-702.

  26. Grogan TM, Tubbs RR. A transcontinental, interstitutionalexperience with air-express immunotyping. Ter perse.

  27. Bloomfield CD, Gajl-Peczalska KJ, Frizzera G, Kersey JH,Goldman AI. Clinical utility of lymphocyte surface markers combined with theLukes-Collins histologic classification in adult lymphoma. N Engl J Med 1979;301: 512-8.

  28. Roper M, Crist WM, Metzgar R, et al. Monoclonal antibodycharacterization of surface antigens in childhood T-cell lymphoidmalignancies. Blood 1983; 61: 830-7.

  29. Kluin PM, Weger RA de, Schuurman HJ, et al. Surfaceimmunoglobulin restriction in B-non Hodgkin's lymphomas in cellsuspension and on tissue sections. Scand J Haematol 1985; 35:399-407.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Catharijnesingel 101, 3511 GV Utrecht.

Afd. Klinische Immunologie: dr.E.J.E.G.Bast, immunoloog.

Afd. Immunohematologie: prof.dr.G.C.de Gast, internist.

Afd. Immunopathologie: dr.H.-J.Schuurman, immunoloog.

Contact prof.dr.G.C.de Gast

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.C.
Kluin-Nelemans

Rotterdam, oktober 1986,

In hun uitstekend gedocumenteerde overzicht stellen Bast et al. dat met behulp van immunofenotypering de detectiegrens in bloed of beenmerg van maligne cellen tussen de 1 en 0,01% ligt (1986;1695-9). Naar onze mening laten de auteurs zich hier te optimistisch uit. Een dergelijke detectiegrens is hoogstens haalbaar bij leukemieën en lymfomen die gekenmerkt worden door een uitzonderlijk merkstoffenpatroon. Zo kan bijvoorbeeld bij de weinig frequente T-cel acute lymfatische leukemie (T-ALL)1 en bij TdT-positieve acute myeloïde leukemieën (H.J.Adriaansen; persoonlijke mededeling) met dubbelfluorescentie-onderzoek een celtype (resp. pan T+-TdT+ en CD14+-TdT+) herkend worden dat gewoonlijk niet in het beenmerg voorkomt, ook niet in de regeneratiefase na chemotherapie. In deze gevallen draagt immunofenotypering inderdaad bij tot detectie van ‘minimal residual disease’. Voor de meeste leukemieën en lymfomen geldt dat de fysiologische tegenhanger van de maligne cel in normaal beenmerg en soms ook bloed aanwezig is en bovendien na chemotherapie belangrijk kan toenemen. Daardoor is een scherp onderscheid tussen benigne regenererende en maligne residuale cellen niet mogelijk.

Wij hebben indertijd met een voor leukemieën en lymfomen gangbaar panel van monoklonale en polyvalente antilichamen regenererend beenmerg onderzocht van volwassen patiënten met solide – niet hematologische – maligniteiten die zeer intensief met chemotherapie behandeld waren.2 Zeer hoge percentages (tot 20) CD10+ (CALLA)- en TdT+-cellen werden bij sommigen waargenomen. Het is bekend dat deze percentages bij kinderen, met succes behandeld voor ALL, nog veel hoger kunnen liggen. Een waarschuwing is dan ook op zijn plaats wanneer beenmerg, zeker na recente chemotherapie, onderzocht wordt op de aanwezigheid van maligne residuale leukemische of lymfoomcellen. Vooralsnog zullen dit zowel hematomorfologisch als immunofenotypisch moeilijk te interpreteren beelden blijven met een detectiegrens die gewoonlijk boven de 1% ligt.

J.C. Kluin-Nelemans
R.L.H. Bolhuis
B. Löwenberg
W. Sizoo
Literatuur
  1. Dongen JJM van, Hooykaas H, Hahlen K, et al. Detection of minimal residual disease in TdT positive T cell malignancies by double immunofluorescence staining. In: Löwenberg B, Hagenbeek A, eds. Minimal residual disease in acute leukemia. The Hague: Martinus Nijhoff, 1984: 67-83.

  2. Kluin-Nelemans JC, Bolhuis RLH, Löwenberg B, Campana D, Sizoo W. Characterization of normal and regenerating bone marrow cells with a panel of monoclonal antibodies. Scand J Haematol 1986; 36: 71-8.

E.J.E.G.
Bast

Utrecht, november 1986,

De door ons vermelde detectiegrens (‘afhankelijk van het type cel, tussen 1 en 0,01%’) zou te optimistisch zijn. De laagste waarde is gebaseerd op de ook door Bast et al. aangehaalde bevindingen bij leukemieën die in fenotypische expressie geen normale tegenhanger in beenmerg hebben. Bij andere leukemieën, met een immunologisch fenotype dat wel in normaal beenmerg voorkomt, kan de sterke toename van dit soort cellen bij regenererend beenmerg de beoordeling bemoeilijken. Combinatie van hematomorfologische technieken en immunofenotypering (‘Exprimeren alle blasten dezelfde markers?’) dan wel reserve bij het doen van een uitspraak is in deze gevallen geïndiceerd. De boodschap – de gevoeligheidslimiet van immunofenotypering ligt ruimschoots onder de klassieke 5%, haalbaar in de hematomorfologie – lijkt ons onverlet te blijven gelden.

E.J.E.G. Bast
G.C. de Gast
H.J. Schuurman