Listeria monocytogenes: een ubiquitair voorkomend micro-organisme

Opinie
J. Huisman
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:1917-8
Download PDF

‘Een onzindelijke kok veroorzaakt eerder diarree dan rabarber’

Tung-su Pai1

De uitvoerige en soms overdreven aandacht die wordt besteed aan bepaalde voedselbesmettingen, zoals het vÓÓrkomen van Salmonella enteritidis in eieren en pluimvee in het Verenigd Koninkrijk2 en het vóórkomen van Listeria monocytogenes in bepaalde zachte kaassoorten (‘Listeria Hysteria’ schreef Time Magazine in februari j.l.) of pâtés leidt – overigens zeer ten onrechte – de aandacht af van het veel grotere en algemenere (maar zeker niet opgeloste) vraagstuk van de door dierlijke voedselprodukten, direct of indirect, op de mens overgebrachte ziekteverwekkers van de geslachten Campylobacter en Salmonella.

Eén van (vele) ongewenste nevenprodukten van de sterke groei van de bio-industrie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog is de eveneens sterke groei van het aantal gevallen van salmonellose en – pas later als zodanig herkend – van campylobacteriose. Naar wordt aangenomen komt campylobacteriose thans tweemaal zoveel voor als salmonellose.3 Dit verschijnsel is kenmerkend voor de industrielanden in het westen. In de voorspellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de regio Europa nemen dan ook de door voedsel overgedragen infecties en intoxicaties voor de periode 1986-1992 de tweede plaats in; luchtweginfecties staan bovenaan.4 Het gaat in ons land toch al gauw om minstens 400.000 ziektegevallen en enkele tientallen sterfgevallen per jaar, en dit gedurende al een lange periode. Voor de Verenigde Staten berekenden Archer en Krenberg op grond van de ‘slechts’ 25.000 aangegeven gevallen in 1983 het feitelijke jaarlijkse aantal op een miljoen met meer dan 2000 doden.5 Ook in ons land ligt het aantal sterfgevallen ten gevolge van salmonellose waarschijnlijk beduidend hoger dan de enige tientallen die in de officiële sterftestatistieken verschijnen. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Campylobacter-infecties. Veel meer dan bij de min of meer spectaculaire facetten van dit ook in economisch opzicht belangrijke epidemiologische vraagstuk, ligt dáár de essentie van het probleem; een probleem overigens waarvoor noch de politiek, noch de belanghebbende industrie – ondanks duidelijke adviezen van de Gezondheidsraad (reeds uitgebracht in 1964 (!) en in 1978)67 – een zelfs maar gedeeltelijke oplossing heeft gevonden. Het is bedroevend te moeten vaststellen dat de bio-industrie – zolang er geen directe economische schade optreedt in de vorm van ziekte of sterfte onder landbouwhuisdieren of van handelsbelemmeringen – weinig oog heeft voor de gevolgen voor de volksgezondheid van het houden van dieren op grote schaal.

Natuurlijk is het begrijpelijk dat er onrust onder de bevolking ontstaat als er gewaarschuwd wordt voor met L. monocytogenes besmet voedsel, te meer daar de letaliteit van listeriose hoog is (ongeveer 20) en de slachtoffers vooral onder zwangeren, pasgeborenen en ouderen moeten worden gezocht. L. monocytogenes is een facultatief intracellulaire parasiet van het reticuloendotheliale systeem en heeft onder meer de bijzondere eigenschap te kunnen groeien tussen 2 en 42°C.8 Terwijl koeling over het algemeen bacteriegroei remt, is dit bij Listeria spp. niet het geval. Ook in gekoeld bewaard voedsel kunnen na enige tijd hoge kiemgetallen worden gevonden. Infectie bij de mens wordt vrijwel uitsluitend veroorzaakt door de serotypen 12a, 12b en 4b.9

Listeriose, zich uitend als een acute meningo-encefalitis en (of) een (perinatale) septikemie of doodgeboorte is een zeldzame infectieziekte. Voor de Verenigde Staten en Europa schat men het aantal gevallen op 2 à 3 per miljoen personen per jaar;10 de indruk bestaat dat de incidentie langzaam stijgt.11 Ongeveer een derde van de ziektegevallen komt voor bij zwangeren en bij kinderen rondom de geboorte, 10-15 bij blijkbaar gezonde volwassenen, en de overige gevallen bij ouderen en bij personen met een gestoorde immunologische afweer. Overigens komt listeriose bij met HIV geïnfecteerde personen nauwelijks voor.

Ons inzicht in het vóórkomen van listeriose in Nederland is fragmentarisch. Er bestaat geen meldingsplicht voor listeriose, behalve als voedselinfectie waarbij 2 of meer personen betrokken zijn. Dit is een zeldzame gebeurtenis en geeft ons geen inzicht in het voorkomen van de vrijwel steeds geïsoleerde gevallen. De enige bron van informatie is het Nationaal Referentielaboratorium voor Bacteriële Meningitis in Amsterdam, een samenwerkingsverband van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de afdeling Medische Microbiologie van de Universiteit van Amsterdam. In 1982 werden aldaar Listeria-stammen van 10 patiënten met meningitis en (of) septikemie ontvangen. Het betrof pasgeborenen en oudere personen. Het aantal ontvangen stammen liep op tot 24 in 1987; in 1988 werden 21 stammen ontvangen.12 Voor zover deze gegevens representatief zijn voor het gehele listeriose-probleem in Nederland, kan ook in ons land van een stijging worden gesproken. Het is moeilijk vast te stellen of deze stijging reëel is of aan secundaire factoren moet worden toegeschreven, zoals betere bekendheid met het probleem en verbeterde isolatiemethoden. Gezien het geringe aantal klinische gevallen, heeft een algemene aangifteplicht weinig zin. Wèl is belangrijk dat de inzendingen naar het Nationaal Referentiecentrum door de ziekenhuisbacteriologen zo compleet mogelijk blijven plaatsvinden, zodat althans enig inzicht bestaat in het vóórkomen van ernstige vormen van listeriose. Hoe vaak de ziekte onder een op griep gelijkend beeld of geheel asymptomatisch verloopt, is onbekend, ook al omdat er geen betrouwbare methoden voor epidemiologisch serologisch onderzoek ter beschikking staan.

Evenals de Salmonellae, komen Listeriae vrijwel ubiquitair voor: behalve in het milieu (oppervlaktewater en bodem) komen de kiemen vaak voor in de ontlasting van mensen, landbouwhuisdieren en in het wild levende dieren.13 Dat maakt het begrijpelijk dat er een grote kans bestaat op bezoedeling van (vooral dierlijk) voedsel en groente. Uit een enkel voorbeeld moge de omvang van het probleem blijken: in het Verenigd Koninkrijk werd 60 van alle kippekarkassen bij pluimveeslachterijen met Listeriae besmet gevonden.14

Ook met koe- en schapemelk kunnen Listeriae worden uitgescheiden. Juist uitgevoerde pasteurisatie is voldoende om de kiem te doden. Dit is – naast de actuele toxicologische – nog een extra reden om de verkoop van rauwe melk vanaf de boerderij (zonder kookadvies) zoveel mogelijk te beperken. Zachte kazen worden vooral tijdens de rijping vanuit het milieu besmet, waarna verdere groei tot 100.000 kiemen per gram kaas kan volgen. Het zal duidelijk zijn dat in het dagelijkse leven blootstelling aan bescheiden hoeveelheden Listeriae regelmatig zal plaatsvinden zonder dat dit tot ziekteverschijnselen voert. Alleen onder speciale omstandigheden, zoals bij een gestoorde immunologische afweer bij ouderen, en bij pasgeborenen, kan de minimaal infectieuze dosis worden overschreden en kan ernstige ziekte ontstaan.

Gezien het voorafgaande zullen explosies van listeriose, veroorzaakt door met L. monocytogenes verontreinigd voedsel zeldzaam blijven. Bij de epidemiologische analyse van een of meer gevallen van listeriose bij de mens en bij het aantonen van L. monocytogenes in een gewraakt voedingsmiddel kan alleen tot een oorzakelijk verband worden besloten, indien beide aangetroffen stammen identiek zijn. Gezien het ubiquitair voorkomen van de ziektekiem is het aantonen van alleen Listeria onvoldoende.

Er zijn nog zoveel onbegrepen en onbekende factoren in de epidemiologie en de epizoötologie van L. monocytogenes dat het weinig zinvol is voedingsvoorschriften en algemene hygiënische adviezen te geven. Een open deur, maar toch steeds waard herhaald te worden, is dat bij de produktie, de verwerking en de bereiding van voedsel van dierlijke herkomst de grootst mogelijke hygiëne in acht moet worden genomen. Omdat Salmonellae, Campylobacters en ook Listeriae ubiquitair voorkomen, is en blijft het buitengewoon moeilijk en, gezien ook de bittere ervaringen in de afgelopen 40 jaren, vrijwel onmogelijk met inachtneming van alléén hygiënische voorschriften een microbiologisch betrouwbaar produkt te leveren. Blijft als laatste redmiddel een herhaalde en gedegen voorlichting aan degenen die het voedsel op kleinere en grotere schaal bereiden. Hierdoor zal een zeer beperkt deel van de ziektegevallen kunnen worden voorkomen. Dit geldt eveneens voor de doeltreffende pasteurisatie van melk en bepaalde zuivelprodukten. Ook bestraling met ?-stralen van kippevlees en enkele andere produkten van dierlijke herkomst kan een microbiologisch betrouwbaar produkt opleveren zonder schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid,15 waardoor mogelijk enkele gevallen van listeriose kunnen worden voorkomen. Bestraling met ?-stralen wordt overigens veeleer overwogen voor de bestrijding van het veel grotere basisprobleem, namelijk de bestrijding van door voedsel overgedragen salmonellose en campylobacteriose.

Literatuur
  1. Garrison FH. Bull NY Acad Med 1928; 4: 979.

  2. Huisman J. Salmonella-paniek in het Verenigd Koninkrijk;een leerzaam verhaal. Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg 1989; 67:177-8.

  3. Gezondheidsraad. Campylobacter jejuni-infecties inNederland. Advies no 13. 's-Gravenhage: Gezondheidsraad, 1987.

  4. Kampelmacher EH. Food irradication – itscontribution to Public Health. FAOIAEAWHOITC-UNCTADGATT.International conference on the acceptance, control of and trade inirradiated food. Doc IAEACN-52. Geneva, 1988.

  5. Archer DL, Kernberg JE. Incidence and cost of foodbornediseases in the United States. J Food Protection 1985; 48: 887-94.

  6. Gezondheidsraad. Rapport inzake het Salmonellavraagstuk.Verslagen en mededelingen betreffende volksgezondheid. 's-Gravenhage:Staatsuitgeverij, 1964; 3: 419.

  7. Gezondheidsraad. Het Salmonellose-vraagstuk. Verslagen,adviezen, rapporten. No 69. Leidschendam: Staatsuitgeverij, 1978.

  8. Acha PN, Szyfres B. Zoonoses and communicable diseasescommon to man and animals. 2nd ed. Washington: Pan American HealthOrganization, 1987: 105.

  9. Audurier A, Chatelain R, Chalons F, Piëchaud M.Lysotypie de 823 souches de Listeria monocytogenes isolées en Francede 1958 à 1978. Annales microbiologiques (Paris) 1978; 130B:179-89.

  10. Ciesieski CA, HightowerAN, Parsons SK, Broome CV.Listeriosis in the United States: 1980-1982. Arch Intern Med 1988; 144:1416-9.

  11. Lamont RJ. Postethwaite R, MacGowan AP. Listeriamonocytogenes and its role in human infections. J Infect 1988; 17:7-28.

  12. Netherland Reference Laboratory for Bacterial Meningitis.Annual report 1988. Amsterdam, 1989.

  13. Kampelmacher EH, Noorle Jansen LM van. Listeriose bijmens en dier (1958-1977). NedTijdschr Geneeskd 1979; 123: 557-64.

  14. Pini PN, Gilbert RJ. The occurrence in the UK of Listeriaspecies in raw chicken and soft cheeses. Int J Food Microbiol 1988; 6:317-25.

  15. World Health Organization. Whole-someness of irradiatedfoods. WHO Tech Rep Ser 1981: nr. 659.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Faculteit der Geneeskunde, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Prof.dr.J.Huisman, sociaal-geneeskundige.

Gerelateerde artikelen

Reacties