Leeftijd, kinderwens en zwangerschapskans in Nederland

Onderzoek
F. van Balen
J.E.E. Verdurmen
E. Ketting
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:792-6
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van het verband tussen leeftijd van vrouwen en zwangerschapskans, en nagaan welke factoren van invloed zijn op de leeftijd waarop paren hun eerste kind wensen.

Methode

Nationale enquête onder vrouwen in de leeftijd 25-49 jaar, met behulp van een aselecte adressenverzameling van 8050 huishoudens. Daarbinnen waren 3295 vrouwen van 25-49 jaar. Deze vrouwen beantwoordden een korte vragenlijst over vruchtbaarheidsproblemen en gezinsvorming. Eveneens werden sociaal-demografische gegevens verzameld.

Resultaten

Er was weinig variatie in zwangerschapskans tussen het 20e en 28e levensjaar: de kans op zwangerschap binnen respectievelijk 6, 12 en 24 maanden was 65-70, bijna 90 en circa 93. De zwangerschapskans in 6 maanden daalde na het 33e jaar; de kans in 1 en 2 jaar daalde vanaf het 28e jaar naar respectievelijk 75 en 80 op het 35e jaar. Het geboortejaar van de vrouw (de factor ‘tijd’) was de belangrijkste factor die van invloed was op de leeftijd waarop paren hun eerste kind wensten. Bovendien hingen demografische factoren, met name een hoge opleiding, en daarnaast een hoog gekwalificeerd beroep en een hoog gezinsinkomen, samen met het wensen van het eerste kind op hogere leeftijd.

Inleiding

Onvruchtbaarheid staat als medisch en sociaal probleem in de belangstelling. Met name speelt er een discussie over de leeftijd van de vrouw bij het krijgen van het eerste kind; de laatste 20 jaar is er een duidelijke verandering opgetreden in de leeftijd waarop vrouwen in Nederland hun eerste kind krijgen. In 1970 was de gemiddelde leeftijd van de vrouwen die in dat jaar moeder werden 24,3 jaar; in 1990 was dit al 27,6 jaar.12 De stijgende leeftijd waarop de vrouw in Nederland haar eerste kind wenst, wordt verondersteld nadelig te zijn voor de vruchtbaarheid. Met het stijgen van de leeftijd en het afnemen van de vruchtbaarheid wordt de tendens om nog moeder te worden op latere leeftijd versterkt. De leeftijd waarop de vrouw moeder wordt, is immers de som van de leeftijd aan het begin van de pogingen om een kind te krijgen (de actieve kinderwens), de onvruchtbaarheidsduur en de zwangerschapsduur.

In de maatschappelijke discussie wordt naar voren gebracht dat sociale problemen (het gebrek aan kinderopvang, de geringe opvoedingsparticipatie van de man) tot uitstel leiden van de actieve kinderwens en daarmee tot medische problemen.3 Op een symposium in 1992 onder de titel ‘Een slimme meid regelt haar zwangerschap op tijd’ werden de medische problemen door uitstel van de actieve kinderwens, zowel voor de vrouw als voor het kind, benadrukt.4 In de discussies werd teruggegrepen op demografische en medische gegevens over vruchtbaarheid en leeftijd. Het ging vooral om de leeftijd waarop de vrouw haar eerste kind wenst en de vruchtbaarheidskans naar leeftijd.

In dit artikel worden resultaten gepresenteerd van het ‘Nationaal onderzoek over gedrag bij onvruchtbaarheid’ (NOGO). Ingegaan wordt op de vruchtbaarheidskans bij stijgende leeftijd en op de factoren die van invloed zijn op de leeftijd waarop paren hun eerste kind wensen.

Literatuur over de relatie vruchtbaarheid en leeftijd

In de literatuur zijn gegevens uit verschillende typen populaties verzameld: bezoekers van een gynaecologische kliniek,5 vrouwen die kunstmatige inseminatie met donorsperma hebben ondergaan,67 vrouwen die een hormoonbehandeling en (of) intra-uteriene inseminatie hebben ondergaan,8 vrouwen die in vitro-fertilisatie ondergingen,9-11 vrouwen die stopten met anticonceptie,12-15 vrouwen die geen contraceptiva hebben gebruikt,14 vroeg-19e-eeuwse populaties in Europa,1617 bijzondere religieuze groepen die geen geboortenregeling toepassen, zoals de Hutterieten, een anabaptistische sekte in Noord-Amerika.1819 Enkele van de onderzoeken geven een beperkt beeld, omdat daarin slechts een tweedeling wordt gehanteerd: ‘oudere vrouwen’ versus ‘jongere vrouwen’.81213 Uit alle onderzoeken blijkt echter een afnemende fertiliteit bij hogere leeftijd van de vrouw. Sommige onderzoekers constateren een geleidelijke daling van de vruchtbaarheidskans. Er worden echter verschillende leeftijden aangewezen als beginpunt van de daling: 20 jaar,16 27 jaar,11 28 jaar,15 en 30 jaar.617 Andere onderzoekers constateren een duidelijk omslagpunt in de vruchtbaarheidskans. Uit hun onderzoeken blijkt dat na een bepaald kritisch punt de vruchtbaarheidskans sterk daalt en dat vóór die kritische leeftijd de vruchtbaarheidskans weinig variabel is. Ook hier is er steeds een verschillend kritisch punt: 31 jaar,7 35 jaar,8 en 37 jaar.910 Het onderzoek onder de Hutterieten van Eaton en Mayer toonde een variabel patroon: daling van de zwangerschapskans tussen het 18e en 23e jaar, vervolgens een stabilisatie tot het 33e jaar, daarna een lichte daling en vanaf het 38e jaar een sterke daling.18

Geconcludeerd kan worden dat de onderzoeksresultaten verschillen betreffende het beginpunt en de abruptheid van de daling. Deze verschillende resultaten zijn deels te verklaren doordat de gegevens bijeengebracht zijn uit verschillende en vaak ook bijzondere groepen, deels ook door de hantering van andere leeftijdsgrenzen of leeftijdscategorieën.

Methode

Vraagstelling

Gezien de toenemende tendens om op latere leeftijd moeder te worden, de verschillende resultaten van de genoemde onderzoeken en de toenemende medische mogelijkheden op het gebied van de behandeling van onvruchtbaarheid, is het van belang de (on)vruchtbaarheid in de doorsnee Nederlandse bevolking te onderzoeken.

Twee onderwerpen werden door middel van een nationale enquête onderzocht: de vruchtbaarheidskansen van de vrouw op verschillende leeftijden en de factoren die van invloed zijn op de leeftijd waarop het eerste kind gewenst wordt en daarmee op het moment dat het eerste kind wordt geboren. Met vruchtbaarheidskans wordt bedoeld de kans op het bereiken van een zwangerschap die leidt tot de geboorte van het eerste kind. Het gaat om de (cumulatieve) vruchtbaarheidskans na verschillende tijdsperioden.

Bij de bepalende factoren gaat het om het moment van de actieve kinderwens; daarbij kunnen veranderingen in sociaal-demografische factoren een rol spelen (zoals toename van het percentage vrouwen met een hoge opleiding, stijging van het welvaartsniveau, afname van het belang van godsdienst). Daarenboven zijn er culturele veranderingen die onafhankelijk zijn van variaties in de bevolkingssamenstelling. Deze culturele veranderingen kunnen de houding beïnvloeden ten opzichte van het moment waarop het eerste kind gewenst wordt.

Nationale enquête

In het najaar van 1992 werd een nationale enquête gehouden onder vrouwen in de leeftijd van 25-49 jaar. Het veldwerk werd uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor de Publieke Opiniepeiling (NIPO) door middel van een omnibus-enquete (dat is een enquête waarin verschillende onderwerpen aan de orde komen). In een steekproef werden 8050 huishoudens bezocht. De steekproef betrof een aselecte adressenverzameling. In 3295 van de huishoudens bleek een vrouw in de leeftijd van 25-49 jaar aanwezig te zijn. Deze vrouwen beantwoordden 4 vragen over vruchtbaarheid en gezinsvorming. Voorts werden sociaal-demografische gegevens verzameld.

De onderzochte groep vrouwen van 25-49 jaar vormde een dwarsdoorsnede uit de vrouwelijke bevolking. Dat betekent enerzijds dat de groep was samengesteld uit verschillende jaargangen van vrouwen (vrouwen geboren in een zelfde jaar, jaarcohort). Hun ervaringen met vruchtbaarheidsproblemen vielen in de periode 1960 en later. Het onderzoek had in die zin een longitudinaal karakter. Anderzijds was er een grote spreiding met betrekking tot de periode waarin de vrouw haar eerste kind wenste. Zowel vrouwen van 25 als vrouwen ouder dan 40 probeerden op het moment van de enquête hun eerste kind te krijgen. Het onderzoek had daardoor ook een transversaal karakter. Voor opeenvolgende jaargangen vrouwen werd de ontwikkeling rond een actieve kinderwens in kaart gebracht. De analyse met betrekking tot de relatie leeftijd en actieve kinderwens werd voorlopig beperkt tot vrouwen van 35 jaar en ouder, omdat bij jongere vrouwen nog veelal onbekend was wanneer zij een eerste kind wensten.

Met betrekking tot de vraag welke factoren bepalend zijn voor de verandering in de leeftijd waarop vrouwen in Nederland hun eerste kind krijgen, werden eerst bivariate analyses uitgevoerd. Onderzocht werden verschillende variabelen: gezinsinkomen, godsdienst, opleiding, gemeentegrootte, aantal inkomens per gezin en regio. De tijdsfactor werd geoperationaliseerd door de tijd die verstreken was sinds het begin van de actieve kinderwens te bepalen. Daarna werd door middel van lineaire regressieanalyses de betekenis van de verschillende variabelen onderzocht.

Voor de meting van de cumulatieve vruchtbaarheidskans werden 3 meetmomenten gehanteerd: 6, 12 en 24 maanden na het begin van de pogingen om een kind te krijgen.

Representativiteit

De representativiteit van de steekproef werd op 4 aspecten getoetst: leeftijd, opleiding, godsdienst en percentage vrouwen met kinderen en zonder kinderen per leeftijdscategorie. Er werd vergeleken met populatiegegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en een onderzoek naar levensovertuiging door het bureau InterView. De diverse leeftijdscategorieën waren in de onderzoeksgroep alle in voldoende mate vertegenwoordigd (tabel 1). Ook wat godsdienst betreft, vertoonde de onderzoeksgroep een goede weerspiegeling van de Nederlandse bevolking. De verzamelde gegevens betreffende de hoogst genoten opleiding waren die van de hoofdkostwinner, meestal de man. De gegevens werden daarom vergeleken met het voltooide opleidingsniveau van mannen in de meest nagelegen leeftijdscategorie. Er was een ondervertegenwoordiging van de laagst opgeleiden. Hier staat tegenover dat de categorie lager beroepsonderwijs (LBO) en middelbaar algemeen vormend onderwijs (MAVO) enigszins was oververtegenwoordigd, zodat de steekproef niet in een bepaalde richting scheef was. Ondervertegenwoordiging van laag opgeleiden is gebruikelijk bij enquêtes.2425 Het gemiddelde opleidingsniveau verschilde niet. Het laagste opleidingsniveau vormde niet een centraal punt van de enquête; daarom werd hierop geen weging in de gegevens aangebracht. In de onderzoeksgroep waren bij de vrouwen onder de 40 jaar vrouwen met kinderen oververtegenwoordigd ten opzichte van de algemene populatie. Waarschijnlijk was dit een gevolg van de enquêtemethode (huis-aan-huisenquête; vrouwen met kinderen zijn vaker thuis dan vrouwen zonder kinderen). Omdat ‘kinderen krijgen’ een belangrijk aspect van het onderzoek vormde, werden de gegevens gewogen met betrekking tot het welniet aanwezig zijn van kinderen. De omvang van de kinderloze groep is verhoogd met behulp van de gegevens van het CBS; die van de groep mèt kinderen is evenredig verlaagd. Het effect van deze weging was dat de onderzochte groep ook ten aanzien van dit aspect representatief was voor de Nederlandse bevolking.

Resultaten

Leeftijd en kans op zwangerschap

Bij meer dan twee derde van de vrouwen uit de steekproef (68,6) was het gelukt om binnen 7 maanden (1-6 maanden) zwanger te worden; bij 17,5 lukte dit in de tweede helft van het 1e jaar (7-12 maanden) en bij 5,5 in het 2e jaar (13-24 maanden). Van de vrouwen was 8,4 ondanks de pogingen daartoe niet zwanger geworden in de periode van 2 jaar.

De cumulatieve kans op zwangerschap voor de 3 waarnemingstijdstippen staat in de figuur. Tussen het 17e en het 20e levensjaar was de zwangerschapskans na elk van de 3 meetmomenten het hoogst. Rond het 18e jaar was 80 van de vrouwen binnen 7 maanden zwanger, daarna daalde de zwangerschapskans. Tussen het 22e en 33e jaar lag de zwangerschapskans binnen 7 maanden op 65-70. Vanaf het 33e jaar daalde de kans sterk, tot rond de 50. De zwangerschapskans binnen 7 maanden was voor vrouwen boven de 33 jaar significant lager dan voor vrouwen tot 33 jaar (?2-toets: p

De totale zwangerschapskans in het 1e jaar lag tussen het 20e en 28e jaar iets onder de 90. Daarna daalde de kans tot 75 bij het 35e jaar. De groep vrouwen die er niet in slaagt in 2 jaar zwanger te worden, bleef tussen het 19e en het 28e jaar vrij constant: circa 7, maar steeg daarna vrij snel tot ruim 20 bij 35 jaar. Met andere woorden, van de vrouwen die rond hun 35e jaar voor het eerst trachtten zwanger te worden, lukte dit in 1 op de 5 gevallen niet in 2 jaar.

Aan degenen die in de loop van het 2e jaar zwanger werden, werd gevraagd of zij medische hulp (bij huisarts en (of) specialist) hadden ingeroepen voor hun vruchtbaarheidsproblemen. Het bleek dat 43 advies had gekregen en (of) een behandeling had ondergaan.

Factoren van invloed op de leeftijd bij actieve kinderwens

De onderzoeksgroep omvatte verschillende opeenvolgende generaties in de leeftijdsfase waarin in de regel het eerste kind wordt gewenst (19-31 jaar). Over deze periode (1974-1986) werd de relatie tussen leeftijd en kinderwens geanalyseerd. Er was een duidelijke samenhang tussen hoe lang geleden het eerste kind werd gewenst en de leeftijd waarop vrouwen voor het eerst een kind probeerden te krijgen (r = -0,21; p

De leeftijd waarop men voor het eerst actief een kind wenste, hing ook samen met enkele van de onderzochte sociaal-demografische variabelen: het bruto-gezinsinkomen, het beroep en met name de opleiding van de hoofdkostwinner. Hoe hoger het gezinsinkomen, hoe hoger de status van het beroep en hoe hoger de opleiding, des te hoger was de leeftijd waarop vrouwen kinderen wensten. Er was echter geen significante correlatie tussen de leeftijd van eerste actieve kinderwens en godsdienst, de regio waaruit de mensen afkomstig waren, de gemeentegrootte en het aantal inkomens per gezin. Omdat gezinsinkomen, beroep en opleiding onderling samenhangen, werd door middel van multipele regressievergelijking onderzocht wat het gewicht van deze afzonderlijke variabelen was (tabel 2).

Beschouwing

De doelen van dit onderzoek waren meer inzicht te krijgen in de relatie tussen leeftijd, actieve kinderwens en vruchtbaarheid, en in de factoren van invloed op het tijdstip van actieve kinderwens. Alvorens deze punten te behandelen is het nodig in te gaan op de representativiteit van de geënquêteerden.

Representativiteit

Er was een ondervertegenwoordiging van vrouwen zonder kinderen. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het enquêteringssysteem: aanbellen bij woningen. Het is goed voorstelbaar dat mensen zonder kinderen minder vaak thuis zijn. Het ontbreken van een zorgtaak voor kinderen maakt het hen mogelijk vaker uithuizig te zijn dan een moeder (of vader). Omdat het hebben van kinderen een belangrijk aspect van het onderzoek vormde, werden de getallen voor het wel of niet hebben van kinderen gecorrigeerd.

Leeftijd van eerste kinderwens

Wat betreft de stijging van de leeftijd waarop de vrouw in Nederland haar eerste kind wenst, was de tijdsfactor (de tijd die verstreken was sinds zich de eerste actieve kinderwens voordeed) de belangrijkste factor. Ook demografische factoren speelden een rol. Vooral een hoge opleiding, en daarnaast een hoog gekwalificeerd beroep en een hoog gezinsinkomen gingen samen met de wens om op latere leeftijd moeder te worden. Doordat het gemiddelde opleidingsniveau, beroepsniveau en gezinsinkomen in de onderzochte periode voortdurend zijn gestegen, was ook de leeftijd opgelopen waarop het eerste kind gewenst werd.

Zwangerschapskans

Tussen het 20e en het 28e levensjaar van de vrouw was er weinig variatie in de cumulatieve zwangerschapskans. Rond de 65 tot 70 van de vrouwen werd in de eerste 6 maanden zwanger, iets onder de 90 in de eerste 12 maanden en circa 93 in 2 jaar. De cumulatieve zwangerschapskans in 6 maanden bleef tot aan het 33e jaar in de buurt van de 70 en daalde pas daarna sterk. Uit dit onderzoek bleek dat rond het 33e jaar een omslagpunt ligt. In een aantal eerdere onderzoeken werd eveneens een omslagpunt geconstateerd, echter variërend tussen het 31e en 37e jaar;7-10 in die periode viel ook ons omslagpunt. Het lijkt erop dat er rond het 33e jaar een tamelijk abrupte daling van de zwangerschapskans bestaat.

De cumulatieve kans op zwangerschap in 12 maanden en in 24 maanden daalde geleidelijk vanaf het 28e jaar. Op het 35e jaar was deze voor 12 maanden 75 en voor 24 maanden iets minder dan 80. De resultaten van dit onderzoek zijn gedetailleerder dan die van een aantal andere onderzoeken, omdat daarin siechts een tweedeling wordt gehanteerd van ‘oudere vrouwen’ versus ‘jongere vrouwen’,81213 of omdat vrouwen onder de 25 jaar ontbreken.911 Indien vergeleken wordt met onderzoeksgroepen die ongeveer dezelfde leeftijdsopbouw hadden, komen de in dit onderzoek gevonden zwangerschapskanscurven qua vorm het meest overeen met de gegevens over de Hutterieten.18 Ook is er gelijkenis met een analyse op basis van onderzoeken in de V.S. en in historische populaties opgesteld door McFalls Jr.26

In het algemeen wordt verondersteld dat vruchtbaarheidsgegevens over de jongste leeftijdsperiode (17-20 jaar) vertekend zijn door gebrekkig gebruik van anticonceptiemiddelen. De vruchtbaarheid bij deze jongste leeftijdsgroep is slechts door enkele auteurs onderzocht. Een zeer hoge zwangerschapskans onder de 20 jaar is ook geconstateerd in het onderzoek bij de Hutterieten.18 McFalls Jr. concludeert eveneens dat de hoogste vruchtbaarheidskans onder deze leeftijd ligt.26 Ook in ons onderzoek wordt een zeer hoge zwangerschapskans tussen het 17e en 20e jaar geconstateerd. Het is echter zeer wel mogelijk dat in deze leeftijdsgroep een relatief hoog aantal ongeplande zwangerschappen voorkomt en de zwangerschap niet wordt voorafgegaan door een bewuste kinderwens. Van de vrouwen die na 1 jaar nog niet zwanger waren geworden (13,9 van de totale onderzoeksgroep), kreeg 40 (namelijk 5,5 van het totaal) gedurende het 2e jaar een doorgaande zwangerschap. Het merendeel (57) van de zwangerschappen ontstond zonder medische hulp. Daarenboven waren de zwangerschappen die wel ontstonden na de vraag om medische hulp en advies (43) niet altijd het gevolg van dergelijk hulp.

Literatuur
  1. Vermunt JK. De geboorte van het eerste kind: uitstel ofafstel? Gezin 1993;5:31-52.

  2. Graaf A de. In Nederland worden vrouwen laat moeder.Maandstatistiek van de bevolking 1992;40;16-8.

  3. Velde ER te. Zwanger worden in de 21ste eeuw: steedslater, steeds kunstmatiger oratie. Utrecht: RijksuniversiteitUtrecht, 1992.

  4. Beets G, Verloove-Vanhorick P, editors. Een slimme meidregelt haar zwangerschap op tijd. Lisse: Swets & Zeitlinger,1992.

  5. Hull MGR, Glazener CMA, Kelly NJ, Conway DI, Foster PA,Hinton RA, et al. Population study of causes, treatment, and outcome ofinfertility. BMJ 1985;291:1693-7.

  6. Schwartz D, Mayaux MJ. Female fecundity as a function ofage, results of artificial insemination in 2193 nulliparous women withazoospermic husbands. N Engl J Med 1982;306:404-6.

  7. Noord-Zaadstra BM van, Looman CWN, Alsbach H, Habbema JDF,Velde ER te, Karbaat J. Delaying childbearing: effect of age on fecundity andoutcome of pregnancy. BMJ 1991;302:1361-5.

  8. Pearlstone AC, Oei ML, Wu TC. The predictive value of asingle, early human chorionic gonadotropin measurement and the influence ofmaternal age on pregnancy outcome in an infertile population. Fertil Steril1992;57:302-4.

  9. Padilla SL, Garcia JE. Effect of maternal age and numberof in vitro fertilization procedures on pregnancy outcome. Fertil Steril1989; 52:270-3.

  10. Piette C, Mouzon J de, Bachelot A, Spira A. In-vitrofertilization: influence of women's age on pregnancy rates. Hum Reprod1990;5:56-9.

  11. Toner JP, Philput CB, Jones CS, Muasher SJ. Basalfollicle-stimulating hormone level is a better predictor of in vitrofertilization performance than age. Fertil Steril 1991;55:784-91.

  12. Tietze C. Fertility after discontinuation of intrauterineand oral conception. Int J Fertil 1968;13:385-9.

  13. Wajntraub G. Fertility after removal of the intrauterinering. Fertil Steril 1970;21:555-64.

  14. Harlap S, Baras M. Conception-waits in fertile womenstopping oral contraceptives. Int J Fertil 1984;28:73-80.

  15. Howe G, Westhoff C, Vessey M, Yeates D. Effects of age,cigarette smoking and other factors on fertility, findings in a largeprospective study. BMJ 1985;290:1697-700.

  16. Henry L. Démographie, analyse et modèles.Paris: Librairie Larousse, 1972.

  17. Bongaarts J. Infertility after age 30: a false alarm. FamPlann Perspect 1982;14:75-8.

  18. Eaton J, Mayer A. The social biology of very highfertility among the Hutterites, the demography of a unique population. HumBiol 1953;25:206-64.

  19. Tietze C. Reproductive span and rate of reproductionamong Hutterite women. Fertil Steril 1957;8:89-97.

  20. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Jaarcijfers,stand en loop van de bevolking per provincie, resp. landsdeel 1991, tellingper 1-1-92. Maandstatistiek van de Bevolking. Voorburg: CBS,1993;40:1135-7.

  21. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Enquêteberoepsbevolking 1992. Voorburg: CBS, 1993.

  22. Jong AH de. Vrouwen naar kindertal. Voorburg: CentraalBureau voor de Statistiek, 1993.

  23. Bureau voor Marktonderzoek InterView. De voortgaandeontkerkelijking van Nederland (enquête 1988). Amsterdam:InterView, 1989.

  24. Hart H 't. Selektie en zelf-selektie van informantenin enquêtes. Amsterdam: Bachwitz instituut voor massapsychologie enopenbare mening, 1974.

  25. Leeuw ED de, Hox JJ. Recente ontwikkelingen bijpostenquêtes. In: Bronner AE, Leeflang PSH, Middendorp CP, Olivier AJ,Raaij WF van, Wierenga B, redacteuren. Nederlands jaarboek voormarktonderzoekers. Haarlem: De Vrieseborch, 1985:11-26.

  26. McFalls JA jr. The risk of reproductive impairment in thelater years of childbearing. Ann Rev Soc1990;16:491-519.

Auteursinformatie

Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO), Postbus 5018, 3502 JA Utrecht.

Dr.F.van Balen (tevens: Universiteit van Amsterdam, vakgroep Pedagogische Wetenschappen, Amsterdam) en dr.E.Ketting, sociologen; mw.drs.J.E.E.Verdurmen, psycholoog.

Contact dr.F.van Balen

Gerelateerde artikelen

Reacties