Kwaliteit van beroepsuitoefening: het ontwerp Kwaliteitswet Zorginstellingen en het wetsvoorstel Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg in onderling verband

Perspectief
J. Legemaate
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:2380-4
Download PDF

Al een groot aantal jaren staat de kwaliteit van de gezondheidszorg in het brandpunt van de belangstelling. Lacunes in het huidige reguleringssysteem en veranderde opvattingen over de relatie tussen de overheid en de partijen in het veld hebben ertoe geleid dat een nieuw beleid inzake kwaliteitsbewaking wordt ontwikkeld.1 In mei 1991 publiceerde de staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de nota Kwaliteit van Zorg, waarin de beleidsvoornemens van de overheid uiteen worden gezet.2

Veel wetten en wetsontwerpen op het terrein van de gezondheidszorg hebben betekenis voor het vraagstuk van de kwaliteit. Wat de in voorbereiding zijnde regelgeving betreft, kan onder meer worden gedacht aan het wetsvoorstel Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG), thans in behandeling bij de Eerste Kamer, aan het in maart 1992 gepubliceerde ontwerp Kwaliteitswet Zorginstellingen, aan de wetsvoorstellen inzake de rechten van de patiënt en aan de wetgevingsoperaties in het kader van de stelselherziening.3 Waar het gaat om de kwaliteit van de beroepsuitoefening zal het toekomstige kader vooral worden gevormd door de wet BIG en de Kwaliteitswet. In de navolgende beschouwing staan deze beide wetten centraal. Welke gevolgen hebben ze voor de beroepsuitoefening, op welke plaatsen roepen ze vragen of kanttekeningen op?

De nota kwaliteit van zorg

In de nota Kwaliteit van Zorg zet de overheid haar voornemens betreffende het kwaliteitsbeleid uiteen. Deze voornemens liggen grotendeels in het verlengde van de afspraken welke zijn gemaakt tijdens de door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) in 1989 en 1990 georganiseerde kwaliteitsconferenties. Bij die gelegenheid hebben de zorgaanbieders, de verzekeraars, de patiëntenorganisaties en de overheid afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheden van de betrokken actoren, over kwaliteitscriteria en -systemen en over de middelen om het kwaliteitsbeleid verder vorm te geven.4 Deze afspraken houden in dat de eigen verantwoordelijkheid van de partijen in het veld sterker wordt benadrukt. De overheid trekt zich terug, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat de tamelijk gedetailleerde wettelijke voorschriften betreffende de kwaliteit (te denken valt aan de vele erkenningseisen) zullen worden vervangen door een algemene, op instellingen gerichte Kwaliteitswet. De aan de huidige regelgeving verbonden nadelen, zoals bureaucratisering en gebrek aan flexibiliteit, komen dan te vervallen. Het ‘invullen’ en operationaliseren van de Kwaliteitswet, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van kwaliteitscriteria en -systemen, zullen primair door het veld dienen te geschieden. Dit nieuwe beleid, ook wel aangeduid met het begrip ‘functionele decentralisatie’, wordt in de nota Kwaliteit van Zorg helder gepresenteerd. Verbazingwekkend is dat de overheid in dezelfde nota dit heldere uitgangspunt doorkruist, door bepaalde taken op het terrein van het kwaliteitsbeleid aan de provincies en de grote steden op te dragen (territoriale decentralisatie). Een eenduidig landelijk beleid en centraal toezicht, onder meer van belang voor de rechtsgelijkheid van verzekerden, kunnen hierdoor worden belemmerd.

Het ontwerp kwaliteitswet zorginstellingen

De overheid heeft een stelsel voor ogen waarin een heldere afbakening bestaat tussen de wet BIG, waarover hierna meer, en de Kwaliteitswet Zorginstellingen. De wet BIG heeft betrekking op individuele beroepsbeoefenaren, de Kwaliteitswet op instellingen.

In maart 1992 heeft de regering een eerste ontwerp Kwaliteitswet gepubliceerd, dat aan de adviesorganen is gezonden. Volgens het ontwerp valt onder het begrip ‘instelling’ elk organisatorisch verband waarbinnen zorg wordt verleend, ongeacht de rechtsvorm van het verband (art. 1). In alle gevallen waarin feitelijk sprake is van zorg, verleend door meer dan één individu, is sprake van een instelling in de zin van de wet. In het geval waarin binnen een overkoepelend organisatorisch verband andere verbanden functioneren (bijvoorbeeld maatschappen binnen ziekenhuizen), wordt overigens uitsluitend het overkoepelende verband als instelling in de zin van de wet aangemerkt.

Een instelling wordt gevormd en (of) in stand gehouden door een zorgaanbieder. De zorgaanbieder krijgt de wettelijke plicht verantwoorde zorg aan te bieden. Het begrip ‘verantwoorde zorg’ wordt nader omschreven als ‘zorg die doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend’ (art. 2). Een nadere concretisering van deze norm behoort volgens de regering tot de verantwoordelijkheid van het veld, en hoort niet thuis in de tekst van de wet.

Een voor instellingen belangrijk gedeelte van het wetsontwerp wordt gevormd door de artikelen 3 en 4. De zorgaanbieder organiseert de zorgverlening op zodanige wijze, voorziet de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde zorg (art. 3). Volgens art. 4 omvat het uitvoeren van art. 3 mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg. Voorts verplicht art. 4 de zorgaanbieder tot een cyclisch proces van kwaliteitsbevordering en -bewaking: het systematisch verzamelen van gegevens, toetsen en zo nodig bijstellen van de zorgverlening. De zorgaanbieder behoort jaarlijks (per instelling) een verslag ter openbare inzage te leggen, waarin verslag wordt gedaan van het beleid met betrekking tot de wetsartikelen 2-4.

Belangrijk in de Kwaliteitswet is het systeem van toezicht en handhaving. In het geval waarin de zorgaanbieder de wettelijke bepalingen niet, onvoldoende of onjuist naleeft, kunnen Gedeputeerde Staten (GS) de zorgaanbieder een schriftelijke aanwijzing geven. De aanwijzing wordt met redenen omkleed en bevat de termijn waarbinnen de zorgaanbieder eraan moet voldoen. In de gevallen waarin een gevaarlijke toestand onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Inspectie de zorgaanbieder een bevel tot wijziging of verbetering geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen, welke periode door GS kan worden verlengd (art. 7).

De wet beroepen in de individuele gezondheidszorg

Al geruime tijd wordt gestreefd naar een herziening van de wetgeving die de uitoefening van de geneeskunst regelt. Het wetsvoorstel BIG, door de Tweede Kamer aanvaard in juni van dit jaar, is dan ook het resultaat van een (wetgevings)proces dat al enige decennia geleden in werking is gesteld.56 In zoverre doet het wat vreemd aan de wet BIG en de Kwaliteitswet als een twee-eenheid te presenteren. Het is echter evident dat de wet BIG van grote betekenis is voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening. In het rijtje van motieven die ten grondslag liggen aan de wet BIG hoort kwaliteit – in de zin van bescherming van patiënten tegen ondeugdelijk handelen – nadrukkelijk thuis.

De wet BIG vervangt het stelsel van beroepsbescherming, neergelegd in de wet Uitoefening Geneeskunst van 1865, door titelbescherming. De titel ‘arts’ mag uitsluitend worden gevoerd door personen die, na het arts-examen te hebben afgelegd, als zodanig zijn ingeschreven in het door de wet voorgeschreven register. De wet BIG verschaft voorts een wettelijke basis aan de specialistenregistratie zoals deze voor artsen al geruime tijd functioneert op grond van het huishoudelijk reglement van de KNMG. Ook voor de specialistentitel geldt dat deze uitsluitend mag worden gevoerd door degene die is ingeschreven in een op grond van de wet BIG erkend specialistenregister. Art. 15 BIG noemt uitdrukkelijk de mogelijkheid om periodieke verlenging van de inschrijving in het specialistenregister aan kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden te binden. Uit een oogpunt van kwaliteitshandhaving en -verbetering moet periodieke herregistratie van groot belang worden geacht.

De wet BIG heft het huidige verbod op uitoefening van de geneeskunst door onbevoegden op. Onder de wet BIG staat het een ieder in beginsel vrij om, zoals de wet BIG het omschrijft, handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg te verrichten. Om de patiënt te beschermen tegen de risico's van ondeskundig handelen, bevat de wet BIG een aantal beperkingen van deze vrijheid. De belangrijkste beperking is gelegen in de regeling van de voorbehouden handelingen, waarover nog onlangs in dit tijdschrift uitvoerig is geschreven.7 Art. 36 BIG bevat een lijst van handelingen die uitsluitend mogen worden verricht door beroepsbeoefenaren die daarvoor een deugdelijke opleiding hebben genoten (in alle gevallen de arts, soms ook de tandarts en de verloskundige). Als additionele eis geldt dat de volgens de wet bevoegde beroepsbeoefenaar ook werkelijk moet beschikken over de bekwaamheid die vereist is voor het behoorlijk verrichten van de handeling.

Art. 40 BIG maakt het mogelijk regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door beroepsbeoefenaren wier beroep in of op grond van de wet BIG geregeld is. Het gaat hierbij om aspecten zoals technische uitrusting van de praktijkruimten, dossierplicht van de hulpverlener, toetsing, bijscholing, en rechten van de patiënt. Dergelijke regels zullen slechts worden gesteld voor zover de noodzaak tot het stellen ervan is gebleken. Een aantal van de in art. 40 genoemde aspecten zal overigens nader geregeld worden in de wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).

Evenals de Kwaliteitswet bevat de wet BIG handhavingsmechanismen die repressief ingrijpen ter afwending of voorkoming van ondeskundig, risicovol gedrag mogelijk maken. Het belangrijkste middel in dit opzicht is de in de wet BIG opgenomen regeling van het wettelijk tuchtrecht, welke regeling strekt tot vervanging van de Medische Tuchtwet 1928. De wet BIG breidt het wettelijk tuchtrecht uit tot in totaal acht categorieën beroepsbe

oefenaren (waaronder – behalve de arts – de klinisch psycholoog, de fysiotherapeut en de verpleegkundige). Verder voorziet de wet BIG in wijziging van de samenstelling van de tuchtcolleges en van de tuchtrechtelijke procedure.89 De verhouding tussen het aantal juristen en het aantal beroepsgenoten in de tuchtcolleges verandert (respectievelijk 2 en 3 in het college in eerste aanleg, en 3 en 2 in het centrale college, momenteel zijn deze getallen respectievelijk 1 en 4, zowel in het college in eerste aanleg als in het centrale college). De regel dat de tuchtrechtelijke behandeling in beginsel achter gesloten deuren geschiedt, wordt vervangen door het uitgangspunt ‘openbaarheid, tenzij ...’. Dit is een gevolg van de jurisprudentie van het Europese Hof te Straatsburg inzake art. 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Van belang voor de discussie inzake kwaliteit zijn de nieuwe mogelijkheid van een spoedbehandeling door de tuchtrechter en diens bevoegdheid om terstond werkende tuchtmaatregelen op te leggen, dat wil zeggen maatregelen waarvan de toepassing door het instellen van hoger beroep niet worden opgeschort. Naar verwachting zal de tuchtrechter door deze wijzigingen adequater kunnen reageren op misstanden die door individuele beroepsbeoefenaren worden veroorzaakt.

Een belangrijk thema wordt gevormd door risicovol optreden van personen die handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten, maar niet aan het wettelijk tuchtrecht zijn onderworpen. Tegen deze personen kan strafrechtelijk worden opgetreden in de gevallen waarin zij buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken (art. 96). Hoewel een strafrechtelijke aanpak beperkingen kent, kan art. 96 in het kader van de patiëntenbescherming een nuttige rol vervullen.

Art. 95 BIG bepaalt dat 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet een evaluatie zal plaatsvinden. Van belang is voorts dat in de Gezondheidswet een Raad voor de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg zal worden geregeld. Tot de taken van de Raad behoren het adviseren van de regering over de op grond van de wet BIG te treffen regelgevende voorzieningen alsmede het opstellen en openbaar maken van aanbevelingen omtrent gedragsregels die beroepsbeoefenaren in acht behoren te nemen.

Beschouwing

Het moge duidelijk zijn dat de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de wet BIG een paar apart vormen. Hoewel beide bedoeld om de kwaliteit van de zorg te handhaven en te verbeteren, bestaan er tussen de opzet en de achtergrond van beide wetten aanzienlijke verschillen. De wet BIG ademt nog in sterke mate de wetgevingsgeest van de jaren zeventig. De wet BIG is een uitvoerige wet, waarin een aantal zaken tamelijk gedetailleerd geregeld is. De wet BIG laat minder ruimte voor een wettelijke inkadering van zelfordening dan de Kwaliteitswet. Gegeven de huidige opvattingen met betrekking tot de rol van de overheid zou een wet BIG, indien geconcipieerd anno 1992, er waarschijnlijk heel anders uitzien. De Kwaliteitswet is duidelijk een exponent van het moderne denken. De omvang van dit wetsontwerp vormt een treffende illustratie van de veranderingen die zich op het niveau van de centrale wet- en regelgeving aan het voltrekken zijn. De eigenlijke wet bestaat uit 13 artikelen. De overige 9 artikelen regelen de intrekking van (gedeelten van) bestaande wetgeving.

Bij de Kwaliteitswet ontstaat echter het risico dat de wetgever doorschiet naar de andere kant. Om binnen het algemene wettelijke kader de eigen verantwoordelijkheid vorm te kunnen geven, zullen de partijen in het veld over een duidelijk wettelijke richtlijn moeten beschikken. Deze richtlijn mag niet te algemeen zijn. In dit licht gezien is het zeer de vraag of het algemene begrip ‘verantwoorde zorg’ (art. 2 ontwerp Kwaliteitswet) voldoende houvast biedt voor zelfregulering enerzijds en toezicht en handhaving door de overheid anderzijds.10 Ten aanzien van het laatstgenoemde aspect is de rechtszekerheid van personen en instellingen die onder de Kwaliteitswet vallen in het geding. Zij moeten redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de normen; bij overtreding van deze normen zijn immers ingrijpende wettelijke handhavingsmogelijkheden (aanwijzing, bevel) voorzien. Zonder een voldoende mate van kenbaarheid liggen onduidelijkheid, uiteenlopende interpretaties, rechtsonzekerheid en (andere) juridische problemen in het verschiet. Uiteraard moet worden voorkomen dat de wetgever het begrip ‘verantwoorde zorg’ uitvoerig in de wet gaat uitwerken. Dit sluit echter niet uit dat het begrip in de wet enigszins wordt geoperationaliseerd.

De afbakening tussen de Kwaliteitswet en de wet BIG is gebaseerd op het onderscheid tussen instellingen en individuele beroepsbeoefenaren. Hierbij passen enkele kritische kanttekeningen, nu het ontwerp Kwaliteitswet een zeer ruime definitie van het begrip ‘instelling’ bevat. Enerzijds maakt deze definitie duidelijk dat het onderscheid tussen instellingen en beroepsbeoefenaren steeds vager wordt. Anderzijds leidt de definitie ertoe dat vele individuele beroepsbeoefenaren die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet BIG, tevens met de bepalingen van de Kwaliteitswet te maken zullen krijgen.11 Dit levert ten minste twee discussiepunten op. Het eerste punt betreft de vraag vanuit welk wettelijk kader in zo'n geval regels inzake kwaliteit moeten worden gesteld: op grond van art. 40 BIG of door middel van de invulling van art. 2 Kwaliteitswet, gekoppeld aan het in art. 4 van die wet voorgeschreven cyclische proces? De regering heeft te kennen gegeven de toepassing van art. 40 BIG te willen beperken tot solistisch werkzame beroepsbeoefenaren, die niet onder de Kwaliteitswet vallen. In hun reacties op het ontwerp Kwaliteitswet tonen de Nationale Raad voor de Volksgezondheid en de KNMG zich een voorstander van het onderscheid tussen artikel 40 BIG en de Kwaliteitswet.1213 Het standpunt van de regering bevredigt evenwel niet, al was het maar omdat de wet BIG zelf geen beperking tot solistisch werkzame beroepsbeoefenaren bevat. Mede om deze reden valt te overwegen een stap verder te zetten, door art. 40 BIG te schrappen en de reikwijdte van de Kwaliteitswet uit te breiden tot instellingen en individuele beroepsbeoefenaren. Aldus zou één kader voor normstelling- èn ontwikkeling ontstaan, hetgeen een integraal kwaliteitsbeleid bevordert.

Het tweede discussiepunt in de sfeer van de overlap tussen Kwaliteitswet en BIG wordt gevormd door de handhavingsmechanismen. In de situatie bijvoorbeeld waarin een onder het BIG-tuchtrecht vallende huisarts, werkzaam in een gezondheidscentrum, een aanvechtbare handeling verricht, staan twee wegen tot correctie open: het indienen van een klacht tegen de huisarts bij de tuchtrechter, en het geven van een aanwijzing aan het gezondheidscentrum. De vraag welk instrument in een gegeven situatie behoort te worden toegepast, vereist een zorgvuldige afweging, om te voorkomen dat de verantwoordelijkheid van de instelling en de professionele verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaar op een verwarrende wijze door elkaar gaan lopen. Dit kan het geval zijn wanneer met het geven van een bevel of een aanwijzing aan een instelling wordt beoogd het handelen van een aldaar werkzame individuele beroepsbeoefenaar te corrigeren, welke mogelijkheid is geopperd door de Nationale Raad voor de Volksgezondheid.14 Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kwaliteit van het beroepsmatig handelen en de kwaliteit van (de samenwerking binnen) een organisatorisch verband. Op basis van dit onderscheid kan in zekere mate een afbakening tussen individueel tuchtrecht en een op instelling gericht(e) bevel of aanwijzing worden bereikt door de toepassing van beide laatstgenoemde maatregelen wettelijk te beperken tot gevallen waarin de ondermaatse kwaliteit de verantwoordelijkheid van een individuele beroepsbeoefenaar overstijgt. Een dergelijk onderscheid draagt tevens bij tot helderheid over de uiteenlopende verantwoordelijkheden van de Inspectie op het terrein van de kwaliteitsbewaking. De wet BIG geeft de Inspectie de bevoegdheid een klacht bij de tuchtrechter in te dienen, terwijl de Kwaliteitswet de bevoegdheid tot het geven van een bevel in handen van de Inspectie legt. Het toekennen van deze beide bevoegdheden aan één en dezelfde instantie, die bovendien nog diverse andere ‘rollen’ heeft (waaronder die van klachtenbehandelaar), onderstreept de noodzaak tot het scheppen van duidelijkheid inzake de afbakening tussen individuele en instellingsverantwoordelijkheden.

Los van de afbakening Kwaliteitswet-BIG kan de vraag worden gesteld of de in de Kwaliteitswet voorgestelde handhavingsmechanismen ver genoeg gaan. De weigering om een bevel of aanwijzing na te leven wordt strafbaar gesteld. Een dergelijke strafrechtelijke procedure is echter een langdurige zaak. Zeker in het geval van calamiteiten kan het van belang zijn dat de Inspectie en de overheid beschikken over krachtiger middelen, zoals de bevoegdheid om een afdeling (tijdelijk) te sluiten of om apparatuur buiten werking te stellen.

Ten aanzien van de wet BIG is het vooral de regeling van de voorbehouden handelingen die vragen blijft oproepen. Er is alle reden in de toekomst nog eens op deze problematiek terug te komen. In de eerste plaats vanwege de discrepantie tussen de opzet van de wet BIG en die van de Kwaliteitswet. In de tweede plaats omdat het de vraag is of de regeling van de voorbehouden handelingen uit een oogpunt van patiëntenbescherming toereikend is. De regering heeft tijdens de recente behandeling van de wet BIG in de Tweede Kamer een pragmatische keuze gemaakt door de lijst van voorbehouden handelingen enigszins uit te breiden. Naarmate deze lijst langer wordt, komt het uitgangspunt van de wet BIG – de vrijheid van een ieder om handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg te verrichten – steeds meer onder druk te staan.

Conclusie

Het toekomstige juridische kader betreffende de kwaliteit van de beroepsuitoefening zal in belangrijke mate worden bepaald door de Kwaliteitswet en de wet BIG. Het voorgaande overzicht van de opzet en de inhoud van beide wetten maakt duidelijk dat ze een gemeenschappelijk motief hebben – de kwaliteit van de zorg – maar dat ze tegelijkertijd op belangrijke punten van elkaar verschillen. De wet BIG is aanzienlijk gedetailleerder dan de Kwaliteitswet en laat minder ruimte voor vormen van zelfordening. Het onderscheid tussen een wet voor individuele beroepsbeoefenaren (de wet BIG) en een wet voor instellingen (de Kwaliteitswet) zoals dat de regering voor ogen staat, komt niet goed uit de verf. Daarvoor is de overlap te groot. Het gaat daarbij met name om de zeer ruime definitie van het begrip instelling, zulks in relatie tot de handhavingsregimes uit beide wetten. Een betere onderlinge afstemming van beide wetten is daarom aangewezen.

Literatuur
  1. Roscam Abbing HDC. Kwaliteitsbewaking en -bevordering inde gezondheidszorg; evenwicht tussen wetgeving en zelf ordenen.Ned Tijdschr Geneeskd 1990; 134:865-9.

  2. Tweede Kamer. Nota Kwaliteit van Zorg. Vergaderjaar1990-1991, 22113, nr 2. 's-Gravenhage: SDU, 1991.

  3. Legemaate J. Het ontwerp Kwaliteitswet Zorginstellingen:context en inhoud. Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1992; 4:192-205.

  4. Frissen MAG. Partijen in de gezondheidzorg maken afsprakenover kwaliteit. Med Contact 1990; 45: 871-7.

  5. Roscam Abbing HDC. Beroepenregeling in de gezondheidszorg.Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1992; 3: 135.

  6. Mijn WB van der. De lange geschiedenis van de Wet BIG. MedContact 1992; 47: 361-3.

  7. Roscam Abbing HDC. Bevoegd onder voorbehoud; de nieuwevorm van beroepsbescherming. NedTijdschr Geneeskd 1992; 136: 1742-5.

  8. Kastelein WR. Tucht of recht? De BIG en het tuchtrecht.Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1991; 6: 350-60.

  9. Legemaate J, Kastelein WR. De BIG naar de Eerste Kamer.Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1992; 7: 389-98.

  10. Raad voor het Binnenlands Bestuur. Effectiviteit vanoverheidstoezicht op kwaliteit van de gezondheidszorg. Advies over deOntwerp-Kwaliteitswet zorginstellingen. 's-Gravenhage: Raad voor hetBinnenlands Bestuur, 1992.

  11. Casparie AF. Kwaliteitswet Zorginstellingen, WGBO en BIG– Onderlinge relatie. Med Contact 1992; 47: 527-30.

  12. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. AdviesKwaliteitswet Zorginstellingen. Zoetermeer: Nationale Raad voor deVolksgezondheid, 1992.

  13. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevorderingder Geneeskunst (KNMG). Reactie op het ontwerp Kwaliteitswetzorginstellingen. Utrecht: KNMG, 1992.

  14. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. AdviesKwaliteitswet Zorginstellingen. Zoetermeer: Nationale Raad voor deVolksgezondheid, 1992.

Auteursinformatie

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst, Postbus 20.051, 3502 LB Utrecht.

Mr.J.Legemaate, jurist.

Gerelateerde artikelen

Reacties