Artikel
Inleiding
Zie ook het artikel op bl. 2218.
In het Laboratorium voor de Volksgezondheid in Friesland wordt sinds 1982 onderzoek gedaan naar het vóórkomen, de diagnostiek en de behandeling van Yersinia enterocolitica-infecties. Hierbij worden onder andere de klinische gegevens van patiënten met een dergelijke infectie via een enquête onder…
(Geen onderwerp)
Amsterdam, december 1991,
Wij lazen het interessante artikel van Willemstein en Guicherit (1991;2227-31). Wij zouden naar aanleiding van dit artikel de auteurs willen vragen of zij ons informatie kunnen geven betreffende de frequentie en aard van Y. enterocolitica-infecties bij Friese bloeddonors of andere gezonde personen.
Figuur 2 zou letterlijk moeten worden ‘rechtgezet’, en wij zouden graag willen weten hoe vaak en welk imunoblot-patroon bij bepaalde patiënten en vooral ook bij gezonde personen wordt waargenomen.
(Geen onderwerp)
Leeuwarden, december 1991,
Helaas kunnen wij geen informatie verschaffen over Y. enterocolitica-infecties bij bloeddonors of andere gezonde personen daar hier, voor zover ons bekend, geen onderzoek naar gedaan is.
Figuur 2, die inmiddels is ‘rechtgezet’ (1991;2464), is bedoeld als illustratie van patronen die kùnnen vóórkomen bij genoemde ziektebeelden. Een bepaald blotpatroon is niet gekoppeld aan één ziektebeeld. Wel zien wij dat (zoals ook in de tekst staat) bij de ‘vroege’ vormen, zoals enteritis, antistoffen tegen de eiwitten Yop5 en 4a worden gezien, terwijl bij ‘late’ vormen, zoals artritis en erythema nodosum, deze bandjes verdwenen zijn en vooral antistoffen tegen Yop2a en 2b worden aangetoond.
(Geen onderwerp)
Naar aanleiding van het antwoord van Willemstein en Guicherit op de ingezonden brief van Feltkamp en Sprenkels ( 1992; 196) zou ik het volgende willen opmerken. Voordat Willemstein en Guicherit betrokken raakten bij het Yersinia-onderzoek en de immunoblot bij de diagnostiek werd ingevoerd om Yersinia-infecties aan te kunnen tonen, heb ik in samenwerking met prof.Heesemann (Universiteit van Wurzburg) wel degelijk gekeken naar de ‘achtergrondruis’ van deze bepalingen in de algemene bevolking en bij bepaalde patiëntengroepen. Hieraan is ook regelmatig gerefereerd in internationale artikelen. In Nederland vindt men bij gezonde bloeddonors bij 18% specifieke IgG-antistoffen, alleen tegen het 36 kD proteïne, evenals bijvoorbeeld bij patiënten met reumatoïde artritis. IgA-antistoffen zijn bij deze mensen niet aantoonbaar. Dergelijke getallen worden ook voor de Duitse bevolking gevonden.
(Geen onderwerp)
Nijmegen, maart 1992,