Keuzes bij erfelijk risico op borstkanker

Klinische praktijk
Sepideh Saadatmand
Inge-Marie Obdeijn
Linetta B. Koppert
Madeleine M.A. Tilanus-Linthorst
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6625
Abstract
Download PDF

Dames en Heren,

Een jonge steractrice die bekend maakt dat ze heeft gekozen voor preventieve dubbele mastectomie, omdat ze draagster is van een borstkankergen mutatie, dat trekt aandacht. Maar vrouwen kunnen er ook voor kiezen om zich jaarlijks te laten screenen met MRI en mammografie. Bij het maken van deze afweging spelen de leeftijd en de familiegeschiedenis een belangrijke rol.

Van de 13.000 vrouwen bij wie in Nederland jaarlijks borstkanker wordt gediagnosticeerd, hebben minstens 1300 een duidelijke familiaire belasting. Bij ongeveer 300 zal een BRCA1- of BRCA2-mutatie bekend zijn. De vrouwen in deze laatste groep hebben een geschat risico van 45-70% om voor ze 70 jaar oud zijn borstkanker te krijgen.1 Is het mogelijk om in te schatten welke draagster tot de 20-30% hoort die voor haar 50e borstkanker krijgt, wie pas op hogere leeftijd en wie helemaal niet? Wat is de beste keuze als een vrouw pas op hogere leeftijd hoort dat ze draagster is van een mutatie, zoals vaak het geval is? Als bij een jonge draagster borstkanker blijkt, wat zijn dan haar opties? En ligt dat anders voor een vrouw met een sterk belaste familie, zonder genafwijking? Aan de hand van 3 vrouwen laten we in deze klinische les zien welke overwegingen meespelen als een vrouw hoort dat ze erfelijk belast is met borstkanker.

Patiënt A is een vrouw die zich vanaf haar 30e liet screenen op borstkanker met een jaarlijkse mammografie, MRI en lichamelijk onderzoek volgens de landelijke richtlijn.2 Zij erfde de BRCA1-genmutatie via haar vader. Bij haar nichtje was op 29-jarige leeftijd borstkanker geconstateerd en op 42-jarige leeftijd in de contralaterale borst. De moeder van haar vader had beiderzijds borstkanker op 50 en 52 jaar, de zus van vader op 42 jaar. Mevrouw had geen kinderen, maar wel een kinderwens. De mammografie was goed te beoordelen: er was weinig dicht klierweefsel en er waren geen afwijkingen. Na 2 jaar screening liet de MRI links een afwijking zien van 12 mm (BI-RADS 3, ofwel een kleine kans op maligniteit; BI-RADS staat voor ‘Breast imaging - reporting and data systeem’) (figuur 1). Echografisch was een afwijking herkenbaar van 9 mm die gering verdacht was. Cytologisch onderzoek van het punctaat wees op een adenocarcinoom. Gezien haar leeftijd van 32 jaar, de ingeschatte grootte en het feit dat BRCA1-tumoren meestal hooggradig zijn, was adjuvante chemotherapie geïndiceerd bij de behandeling. Patiënte sprak een gynaecoloog die gespecialiseerd is in fertiliteitsbehoud, maar zag af van de geboden mogelijkheid van cryopreservatie voor latere ivf. Besloten werd tot lumpectomie met een schildwachtklierprocedure, zodat patiënte tijdens de daarop volgende chemotherapie rustig de mogelijkheid van ablatio met reconstructie kon overwegen en ook kon nadenken over een eventuele preventieve contralaterale ablatio. De tumor bleek 7 mm, N0, graad 3 en oestrogeenreceptor(ER)-negatief, progesteronreceptor(PR)-negatief en humane epidermale-groeifactorreceptor HER2/neu-negatief. De adjuvante chemotherapie – 3 kuren FEC (fluorouracil, epirubicine, cyclofosfamide) en 3 kuren docetaxel – viel zwaar. Patiënte maakte de borstsparende behandeling af door radiotherapie van de borst en continueerde de follow-up met MRI. Nu, 2 jaar later, is er geen recidief.

Figuur 1

Patiënt B hoort op haar 56e dat ze draagster is van een BRCA2-mutatie. Een nicht met die mutatie kreeg een mammacarcinoom toen ze 41 jaar oud was, een tante toen ze 51 was en 2 andere familieleden toen ze 65 en 70 jaar waren.

Mevrouw menstrueert nog onregelmatig en laat preventieve bilaterale ovariëctomie verrichten, zonder hormonale substitutie daarna. Na 7 jaar jaarlijkse screening toont de MRI een 4 mm grote afwijking boven de linker tepel (BI-RADS 3). Bij lichamelijk onderzoek, mammografie en echografie worden geen afwijkingen geconstateerd. Op de herhalings-MRI na 6 maanden blijkt de afwijking enigszins te zijn toegenomen: van 4 naar 5 mm, ook is er verdachte contrastopname. De afwijking wordt nu wel herkend op een echo. Histologisch onderzoek van een biopt toont een invasief carcinoom. Bij lumpectomie met schildwachtklierprocedure blijkt het ductaal carcinoom 4 mm, N0, graad 2, ER-positief, PR-negatief en HER2/neu-negatief. Na radiotherapie van de borst wordt de follow-up van de 63-jarige patiënte gecontinueerd met om en om MRI en mammografie, met geleidelijk toenemende tussenpozen.

Patiënt C is een 52-jarige nullipara die de anticonceptiepil nog gebruikt. Haar moeder kreeg beiderzijds mammacarcinoom toen ze 50 was. De overige familieanamnese is negatief en het geschatte ‘lifetime’-risico op borstkanker is 24%, zodat patiënte volgens de landelijke richtlijn kon deelnemen aan het landelijk bevolkingsonderzoek. Mevrouw besloot echter tot deelname aan de Familiare MRI screeningsstudie (FaMRIsc-studie) naar de waarde van MRI–screening bij familiair belaste vrouwen bij wie geen sprake is van een BRCA1/2-genmutatie. Ze randomiseerde voor de MRI-groep, waarbij vrouwen jaarlijks met MRI en om het jaar met mammografie worden gescreend. Op de 1e mammografie in de studie, die goed beoordeelbaar was, werden links retromamillair over een lengte van 2 cm nieuwe calcificaties gezien verdacht voor maligniteit. Op de 1e MRI werd zowel mediaal boven, als caudaal van de linker tepel contrastopname gezien passend bij ductaal carcinoma in situ (DCIS). 2 biopten op enkele centimeters van elkaar toonden DCIS graad 3. Vanwege de ligging en de grootte van de afwijking in verhouding tot de grootte van de borst werd in overleg met patiënte tot ablatio met schildwachtklierprocedure besloten. Er werd 3 cm DCIS gevonden.

Hierna zet patiënte erfelijkheidsonderzoek in gang. Als blijkt dat zij draagster is van een BRCA1/2-mutatie wil zij contralateraal preventieve ablatio met ‘deep inferior epigastric perforator’(DIEP)-reconstructie beiderzijds. Als ze geen draagster is kiest ze voor eenzijdige reconstructie. Op dit moment is de uitslag van het erfelijkheidsonderzoek nog niet bekend.

Beschouwing

Screening bij BRCA1/2-mutaties

In de 3 hierboven beschreven casussen kozen alle patiënten voor screening, zoals ongeveer 60% van de gezonde draagsters van een BRCA1/2-mutatie doet. Bij alle 3 werd de tumor gedetecteerd toen hij < 1 cm was en in stadium N0. Het tumorstadium heeft ook bij BRCA1/2-mutatiedraagsters significante invloed op de prognose.3

De Nederlandse richtlijn adviseert om draagsters van een BRCA1/2-mutatie en vrouwen met 50% kans daarop jaarlijks te screenen met MRI vanaf 25 tot 60 jaar en jaarlijks een mammografie te maken van 30 tot 60 jaar.2 Hoe effectief is MRI-screening vergeleken met preventieve mastectomie? Naar schatting neemt de kans om 70 jaar te worden voor een BRCA1-mutatiedraagster toe van 53% zonder screening of preventieve chirurgie naar 79% door preventieve salpingo-ovariëctomie op 40-jarige leeftijd en preventieve mastectomie op 25-jarige leeftijd .4 Als in plaats van preventieve mastectomie wordt gekozen voor MRI-screening tussen het 25ste en 70e levensjaar zou die kans 74% zijn. Bij BRCA2-mutatiedraagsters stijgt de kans om 70 jaar te worden in het eerste scenario van 71 naar 83% en in het tweede naar 80%.4 Een prospectieve studie volgde in de periode 1994-2011 570 gezonde BRCA1/2-draagsters, waarvan 212 op enig moment voor preventieve mastectomie kozen.5 De 10-jaarsoverleving was 99% in de groep die preventieve mastectomie onderging versus 96% in de screeningsgroep; dit verschil was niet significant.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat mevrouw B frequenter werd gescreend dan de Nederlandse richtlijn aangeeft. Volgens de richtlijn kunnen BRCA1/2-mutatiedraagsters na het 60e levensjaar volstaan met eens per 2 jaar screenen met mammografie, door deelname aan het landelijk bevolkingsonderzoek of door screening in het ziekenhuis. De vraag is of dit echt zo is. De incidentie neemt namelijk boven de leeftijd van 60 jaar niet af. Wel neemt de groeisnelheid van de borsttumor af met toenemende leeftijd, even sterk als bij niet-genmutatiedraagsters.6 Maar er is wél aangetoond, dat de groeisnelheid van borstkanker bij BRCA1/2-draagsters op iedere leeftijd 2 maal zo snel is als bij niet-draagsters, zoals weergegeven in figuur 2. Gemiddeld groeit de borstkanker bij een BRCA1/2-draagster van 60 even snel als bij een niet-draagster van 40, voor wie wel jaarlijkse screening is geïndiceerd.6 Recent is in het Erasmus MC Kankerinstituut uitgezocht, dat 72% van de BRCA1/2-draagsters van 60 jaar of ouder nog borstklierweefsel heeft en dus risico heeft op borstkanker. Data over optimale screening bij BRCA1/2-mutatiedraagsters boven de 60 jaar ontbreken, maar als bovenstaande wordt bevestigd met onderzoek is het te verwachten dat de richtlijn wordt aangepast en het advies wordt om vaker dan eens per 2 jaar een mammografie te maken.

Figuur 2

In de Nederlandse MRISC-studie was bij BRCA1-mutatiedraagsters < 40 jaar die jaarlijks gescreend werden met MRI het tumorstadium slechter en het percentage intervalcarcinomen hoger dan bij oudere BRCA1-mutatiedraagsters, bij gescreende BRCA2-mutatiedraagsters en bij vrouwen met familiair risico. Dit suggereert dat het screeningsinterval te lang is. De bijdrage aan borstkankerdetectie van mammografie was < 10%.6,7 Of 2 keer per jaar MRI-screening en het achterwege laten van mammografie bij jonge BRCA1-mutatiedraagsters kosteneffectief is als borstkanker jong in de familie voorkomt, is nog niet onderzocht.

Screening bij familiair risico

Bij patiënt C werd het hooggradige DCIS zowel met mammografie als met MRI gedetecteerd. Patiënte deed mee met de FaMRIsc-studie, die onderzoekt of een deel van de vrouwen met een screeningsindicatie vanwege familiair risico zonder BRCA1/2-mutatie baat heeft bij MRI-screening.8,9 Mogelijk zijn dat vrouwen met dicht borstklierweefsel, want de incidentie van borstkanker is bij hen het hoogst. Daarnaast is de sensitiviteit van mammografie, zelfs die van digitale mammografie, bij hen minder hoog. De FaMRIsc-studie (www.famrisc.nl) loopt in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, 6 academische centra en enkele grote Nederlandse ziekenhuizen.

Timing van preventie

Als we wisten welke vrouw met familiair risico of een BRCA1/2-genmutatie de ziekte jong zou krijgen en wie pas postmenopauzaal of zelfs helemaal niet, dan zouden veel BRCA1/2-mutatiedraagsters screening of preventieve operaties later kunnen plannen. Patiënt A had een nichtje dat met 29 jaar borstkanker kreeg; zijzelf was 32. Bij patiënt B was de laagste leeftijd waarop een familielid borstkanker kreeg 41 jaar; zijzelf was 63. Bij beide families valt op dat er een grote spreiding is in de leeftijd waarop de diagnose ‘borstkanker’ wordt gesteld: 29-52 jaar in familie A en 41-70 jaar in familie B.

Uit een recente Nederlands-Engelse studie bleek dat als van veel familieleden bekend is op welke leeftijd borstkanker optrad, dit een indicatie geeft op welke leeftijd de ziekte is te verwachten.10 Er blijven echter ruime marges bestaan (figuur 3). Naarmate meer diagnoseleeftijden bekend zijn in de familie is beter te voorspellen op welke leeftijd een draagster borstkanker kan ontwikkelen (figuur 4). Die kennis zou, naast gegevens over andere risicofactoren, gebruikt kunnen worden bij de timing van bijvoorbeeld preventieve operaties. Als er slechts 1 of 2 leeftijden bekend zijn, zoals bij patiënt C, kunnen hierop geen aannames worden gebaseerd.

Figuur 3
Figuur 4

De Nederlandse richtlijn adviseert screening met jaarlijks mammografie van 40-50 jaar bij een geschat lifetimerisico van 20-30% en van 35-60 jaar bij een lifetimerisico ≥ 30% zonder aangetoonde BRCA1- of BRCA2-mutatie of 50% risico daarop. Het familiaire risico wordt hoger geschat als de borstkankerdiagnoses in de familie op jongere leeftijd waren. Het is dus verstandig om bij een hoger risico op een jongere leeftijd te starten met screenen. Er zijn overigens verschillende methodes om tot een schatting van het risico te komen. Bij dezelfde vrouw kunnen deze tot aanzienlijk verschillende uitkomsten leiden.

Behandelopties

Therapeutische ablatio en contralaterale preventieve ablatio verbeteren de overleving van BRCA1/2-draagsters niet meer dan mammasparende therapie van borstkanker.3 Maar de kans om nogmaals de diagnose ‘borstkanker’ te krijgen is hoog. Voor BRCA1-draagsters die hun eerste mammacarcinoom voor hun 50e krijgen, zoals patiënte A, is het risico op een contralateraal carcinoom 40% na 10 jaar. Als het 1e carcinoom op een leeftijd > 50 jaar wordt vastgesteld is die kans 12%, niet hoger dan bij het sporadische mammacarcinoom.3 Ook een 2e ipsilateraal carcinoom lijkt vaker voor te komen, hoewel de incidentie in de literatuur wisselt.3 Veel vrouwen willen niet nog eens de diagnose horen en de chemotherapie ondergaan en kiezen daarom voor preventieve contralaterale mastectomie met directe reconstructie, zoals patiënt C aangeeft te zullen doen als ze BRCA1/2-mutatiedraagster blijkt te zijn.

Kiezen voor mammasparende behandeling en screening met MRI continueren is ook voor BRCA1/2-draagsters verantwoord.3 Het kan verstandig zijn denktijd te winnen door zonder uitstel een lumpectomie uit te voeren met schildwachtklierprocedure gevolgd door eerst adjuvante chemotherapie in plaats van eerst bestraling. Dan is het tumorstadium en de totale noodzakelijke behandeling duidelijk en kunnen alle behandelopties rustig worden overwogen, zoals bij patiënt A werd gedaan.

Voor familiair belaste vrouwen zonder BRCA1/2-mutatie is het risico op contralateraal carcinoom en ipsilateraal recidief meestal niet verhoogd.3

Dames en Heren, BRCA1/2-draagsters kunnen preventief hun borsten laten verwijderen, maar het is net zo verantwoord om te screenen met MRI en mammografie. Ook een mammasparende behandeling gevolgd door MRI screening kan een acceptabele optie voor een mutatiedraagster zijn, als ze de risico’s op recidief kent. Het geeft veel inzicht in de gevoelens en ervaringen van een erfelijk belaste vrouw als de familiegeschiedenis uitgebreid met haar wordt besproken. Dit helpt haar bij het maken van de moeilijke keuzes.

Leerpunten

  • Vrouwen met een BRCA1- of BRCA2-mutatie kunnen kiezen voor ofwel MRI-screening conform de richtlijn ofwel preventieve ablatio. Het verschil in effectiviteit tussen beide opties is klein.

  • Bij borstkanker kan borstsparende behandeling ook voor jonge BRCA1/2-mutatiedraagsters een verantwoorde keuze zijn.

  • Bij vrouwen jonger dan 40 met een BRCA1-mutatie die jaarlijks een MRI krijgen, draagt mammografie nauwelijks bij aan vroege detectie van borstkanker.

  • Het is nog onduidelijk of screening via het landelijk bevolkingsonderzoek wel voldoende frequent is voor BRCA1/2-mutatiedraagsters ouder dan 60.

  • Een deel van de vrouwen met een familiair risico op borstkanker, maar zonder BRCA1/2-mutatie heeft mogelijk baat bij MRI-screening; om welke vrouwen dat gaat wordt momenteel onderzocht in de FaMRIsc-studie.

Literatuur
  1. Mavaddat N, Peock S, Frost D, et al. Cancer risks for BRCA1 and BRCA2 mutation carriers: Results from prospective analysis of EMBRACE. J Natl Cancer Inst. 2013;105:812-22 Medline. doi:10.1093/jnci/djt095

  2. Integraal Kankercentrum Nederland. Heriditair Mamma/Ovariumcarcinoom. Landelijke richtlijn, Versie: 2.0. IKN; 2010.

  3. Brekelmans CTM. Tilanus-Linthorst MMA, Seynaeve C et al. Tumour characteristics, survival and prognostic factors of hereditary breast cancer from BRCA2-, BRCA1-, and npn-BRCA1/2 families as compared to sporadic breast cancers. Eur J Cancer. 2007;43:867-76. doi:10.1016/j.ejca.2006.12.009

  4. Kurian AW, Sigal BM, Plevritis S. Survival analysis of cancer risk reduction strategies for BRCA1/2 mutation carriers. J Clin Oncol. 2010;28:222-31 Medline. doi:10.1200/JCO.2009.22.7991

  5. Heemskerk-Gerritsen BAM, Menke-Pluijmers MBE, Jager A, et al. Substantial breast cancer risk reduction and potential survival benefit after bilateral mastectomy when compared with surveillance in healthy BRCA1 and BRCA2 mutation carriers: a prospective analysis. Ann Oncol. 2013;24:2029-35 doi:10.1093/annonc/mdt134 Medline.

  6. Tilanus-Linthorst MM, Obdeijn IM, Hop WC, et al. BRCA1 mutation and young age predict fast breast cancer growth in the Dutch, United Kingdom and Canadian magnetic resonance imaging screening trials. Clin Cancer Res. 2007;13:7357-62 Medline. doi:10.1158/1078-0432.CCR-07-0689

  7. Heijnsdijk EA, Warner E. Gilbert FJet al. Differences in natural history between breast cancers in BRCA1 and BRCA2 mutation carriers and effects of MRI-screening-MRISC, MARIBS and Canadian studies combined. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2012;21:1458-68 Medline. doi:10.1158/1055-9965.EPI-11-1196

  8. Saadatmand S, Rutgers EJ, Tollenaar RA, et al. Breast density as indicator for the use of mammography or MRI to screen women with familial risk for breast cancer(FaMRIsc): a multicentre randomized controlled trial. BMC Cancer. 2012;12:440 Medline. doi:10.1186/1471-2407-12-440

  9. Saadatmand S, Tilanus-Linthorst MMA, Rutgers EJT, et al. Cost-effectiveness of screening women with familial risk for breast cancer with MRI. J Natl Cancer Inst. 2013;105:1314-21. doi:10.1093/jnci/djt203 . Medline

  10. Tilanus-Linthorst MM, Lingsma HF, Evans DG, et al. Optimal age to start preventive measures in women with BRCA1/2 mutations or high familial breast cancer risk. Int J Cancer. 2013;133:156-63 Medline. doi:10.1002/ijc.28014

Auteursinformatie

Erasmus MC, Kankerinstituut, Rotterdam.

Drs. S. Saadatmand, arts-onderzoeker; drs. I.M. Obdeijn, radioloog; dr. L.B. Koppert, chirurg; dr. M.M.A. Tilanus-Linthorst, arts.

Contact dr. M.M.A. Tilanus-Linthorst (m.tilanus-linthorst@erasmusmc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaardingsdatum 14 augustus 2013

Auteur Belangenverstrengeling
Sepideh Saadatmand ICMJE-formulier
Inge-Marie Obdeijn ICMJE-formulier
Linetta B. Koppert ICMJE-formulier
Madeleine M.A. Tilanus-Linthorst ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties