Keuze van heupprothese voor patiënten jonger dan 50 jaar

Klinische praktijk
B.W. Schreurs
V.J.J.F. Busch
R.P.H. Veth
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1918-22
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Er is geen consensus over het type heupprothese dat het best gebruikt kan worden bij patiënten onder 50 jaar met heupproblemen.

- Bij patiënten onder de 50 jaar worden vaak ongecementeerde totaleheupprothesen of ‘resurfacing’ prothesen geplaatst, en in mindere mate gecementeerde heupprothesen.

- Voor een goed resultaat van een heupprothese kan als definitie worden gehanteerd dat 10 jaar na plaatsing meer dan 90 van de heupimplantaten nog in situ is.

- Er zijn geen vergelijkende studies beschikbaar.

- In de literatuur zijn wel studies bekend over gecementeerde totaleheupprothesen bij patiënten onder 50 jaar bij wie na 10 jaar inderdaad nog meer dan 90 van de implantaten in situ is.

- Er zijn geen studies bekend met ongecementeerde en resurfacing prothesen bij jonge patiënten bij wie na 10 jaar nog meer dan 90 van de implantaten in situ is.

- In de op grote aantallen gebaseerde Scandinavische heupregisters werd het hoogste aantal prothesen dat na 10 jaar nog in situ is gezien bij de gecementeerde heupprothese.

- Op basis hiervan kan geen voorkeur worden uitgesproken voor een resurfacing prothese boven een gecementeerde heupprothese bij jonge patiënten.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:1918-22

Zie ook de artikelen op bl. 1915, 1928 en 1935.

De vervanging van een beschadigd heupgewricht door een totaleheupprothese is een van de succesvolste medische ingrepen. In Nederland worden ongeveer 23.000 heupprothesen per jaar geplaatst. Na plaatsing is er meestal een sterke pijnvermindering en de belastbaarheid en de mobiliteit van de heup nemen toe.

Bij patiënten die 70 jaar of ouder zijn ten tijde van de operatie is de kans dat er opnieuw een heupoperatie moet plaatsvinden klein; de revisievrije overleving bij deze patiënten is 90 tot 95 na 10 jaar volgens het jaarverslag van 2004 van het Zweedse implantaatregister (Annual report 2004. Swedish National Hip Arthroplasty Register; www.jru.orthop.gu.se). Bij patiënten die echter jonger dan 50 jaar zijn ten tijde van de heupplaatsing zijn de resultaten veel minder gunstig; de revisievrije overleving van de heupprothese bij hen is 80 tot 85 na 10 jaar. De oorzaken hiervoor lopen uiteen. Een belangrijke reden voor het eerder falen van een totaleheupprothese bij jongere patiënten is dat zij de prothese intensiever gebruiken dan oudere patiënten, waardoor een grotere belasting en meer slijtage van prothesecomponenten ontstaan. Een tweede reden is dat patiënten met artrose van de heup op jonge leeftijd vaak een onderliggende heupafwijking hebben, waardoor fixatie van een heupprothese technisch lastiger is. Daarnaast speelt mogelijk de actievere botstofwisseling bij jongere patiënten een rol.

In dit artikel bespreken wij aan de hand van de beschikbare literatuur de voor- en nadelen met name op lange termijn van de verschillende typen heupprothesen bij jonge patiënten.

typen heupprothesen

Er zijn vele prothesen op de markt. Ze kunnen globaal worden ingedeeld in 3 typen: gecementeerde, ongecementeerde en ‘resurfacing’ prothesen.

De ontwikkeling van de moderne heupprothesiologie startte in de jaren zestig van de vorige eeuw met de gecementeerde totale heup van Sir John Charnley.1 Bij een gecementeerde heupprothese worden de metalen steel en de kunststof kom van polyethyleen vastgezet op het bot met botcement (figuur 1). Botcement is een tweecomponentenproduct op basis van polymethylmethacrylaat, dat snel uithardt. Dit type prothese wordt nog steeds zeer veel gebruikt bij oudere patiënten. De in 2004 gepubliceerde gegevens van het hierboven genoemde Zweedse implantaatregister laten minder goede resultaten zien van gecementeerde heupprothesen bij patiënten onder de 50 jaar (www.jru.orthop.gu.se).

Als reactie op de minder goede resultaten van gecementeerde heupprothesen bij patiënten onder de 50 jaar is er sinds 1980 een ontwikkeling gaande om bij deze groep een ongecementeerde prothese toe te passen. Bij dit soort prothesen wordt zowel de kom als de steel klemvast in het bot geslagen of geschroefd en vervolgens moet de prothese ingroeien (figuur 2). Vaak zijn deze prothesen daarom op het oppervlak voorzien van hydroxyapatiet of een verwant biomateriaal om de ingroei van bot op de prothese te bevorderen. Ook in Nederland worden ongecementeerde heupprothesen zeer veel geplaatst bij patiënten die jonger zijn dan 50 jaar. Een voordeel van dergelijke heupprothesen is dat de operatieduur korter is, omdat niet hoeft te worden gewacht op het uitharden van het botcement. De aanvankelijke veronderstelling dat bij falen ongecementeerde prothesen gemakkelijker te reviseren zouden zijn dan gecementeerde blijkt niet juist te zijn; met name acetabulair is het botverlies vaak ernstiger dan bij het falen van gecementeerde heupkommen.2

Het gebruik van resurfacing prothesen bij de groep patiënten jonger dan 50 jaar is de laatste jaren sterk in opkomst. Bij deze techniek wordt over de femurkop van de patiënt een metalen dop geplaatst. Het voordeel van dit type heupprothese is dat er minder bot hoeft te worden verwijderd bij plaatsing; vooral aan de femorale zijde kan veel bot worden gespaard (figuur 3). De idee is dat er bij een latere revisie meer bot beschikbaar is om femoraal alsnog een conventionele prothese te plaatsen. Een ander voordeel dat wordt genoemd bij dit type prothese is dat er na de operatie geen beperkingen zijn voor belastbaarheid van de heup; zo worden alle sporten toegestaan.

In het verleden zijn er ook diverse heupprothesen geweest op basis van het resurfacing principe. Het faalpercentage was toen hoog, waarna deze prothesen in onbruik zijn geraakt.3 Bij de huidige generatie resurfacing prothesen wordt gebruikgemaakt van een metaal-op-metaalarticulatie, waarbij een kop met een grote diameter articuleert in een metalen kom. Nog een voordeel is daarom dat de kans op het uit de kom schieten van deze resurfacing prothesen lager is dan bij een gecementeerde of ongecementeerde heupprothese.

Er bestaan echter nog steeds zorgen over de resurfacing prothesen. Bijvoorbeeld ten aanzien van de grote belasting met metaalpartikels ten gevolge van slijtage van deze metaal-op-metaalprothesen en de langetermijngevolgen van de zware metaalionen bij de groepen jonge patiënten.4 Verder is het onduidelijk of de verwachting uitkomt dat deze prothesen na falen inderdaad gemakkelijk zijn te vervangen door een volledige totale heup. Het botverlies aan met name de komzijde zal naar verwachting ook bij resurfacing prothesen niet minder zijn dan bij de traditionele gecementeerde of ongecementeerde heupprothesen. Juist botverlies aan de komzijde maakt een revisieoperatie lastig bij alle typen prothesen.

functioneren van de prothesen op lange termijn

Onduidelijk is wat de beste keuze is voor de patiënt. Omdat de meeste heupprothesen het op korte termijn prima doen kan de echte klinische waarde van een prothese pas beoordeeld worden 10 jaar of meer na plaatsing ervan. Daarom gebruikten wij als definitie voor ‘goed resultaat’ dat 10 jaar na plaatsing meer dan 90 van de heupimplantaten nog in situ was, conform de definitie van de NICE-2003-studiegroep.5

Wij maakten gebruik van artikelen die waren gepubliceerd in de periode tot en met 31 december 2006 en die de overleving van 1 of meer van de 3 verschillende typen heupprothesen na minimaal 10 jaar of na gemiddeld 10 jaar beschreven. Naast het eerder genoemde Zweedse register (www.jru.orthop.gu.se) gebruikten wij gegevens uit een Noors implantaatregister (The Norwegian Arthroplasty Register 1987-2004; www.haukeland.no/nrl). Van deze Scandinavische heupregisters zijn de gegevens vastgelegd in de jaarverslagen vanaf 1979 in Zweden en vanaf 1987 in Noorwegen. Deze registers bevatten betrouwbare gegevens over meer dan 220.000 heupimplantaten in Zweden en meer dan 100.000 heupimplantaten in Noorwegen.

Wij vonden geen vergelijkende studies waarin de revisievrije overleving van heupprothesen na een follow-up van tenminste 10 jaar is beschreven. Wel zijn er enkele cohortstudies verschenen.

De gecementeerde heupprothese

In 8 studies naar gecementeerde heupprothesen bij patiënten onder 50 jaar was 10 jaar na plaatsing meer dan 90 van de implantaten nog in situ, waarmee werd voldaan aan het criterium voor een goed resultaat.6-13 Meerdere van deze 8 studies laten een overleving van gecementeerde heupimplantaten bij jonge patiënten na 20 jaar zien van 75.7 9 11

De studie die wij vonden met de langste follow-up na plaatsing van een gecementeerde heupprothese bij patiënten onder de 50 jaar laat een overleving zien van 60 na 30 jaar.13

Behalve in deze studies worden ook in grote implantaatregisters langetermijngegevens van gecementeerde heupprothesen gerapporteerd. Het Zweedse heupregister meldt de overleving van gecementeerde heupprothesen 13 jaar na plaatsing (www.jru.orthop.gu.se). Voor mannen onder de 50 jaar is de overleving voor een gecementeerde prothese 80 (95-BI: 73-87) na 13 jaar. De Zweedse resultaten voor vrouwen onder de 50 jaar laten na 13 jaar een overleving van de gecementeerde heupprothese zien van eveneens 80 (95-BI: 76-85).

De ongecementeerde heupprothese

Er werden 5 gepubliceerde studies gevonden die de resultaten bij jonge patiënten met een ongecementeerde totaleheupprothese met een minimale follow-up van 10 jaar of meer rapporteren.2 14-17 Geen enkele gepubliceerde studie over ongecementeerde heupprothesen bij patiënten jonger dan 50 jaar werd gevonden waarbij het percentage prothesen dat na 10 jaar in situ hoger dan 90 was en dus voldeed aan het criterium voor een goed resultaat. De overleving van de implantaten met als onderzoeksuitkomst revisie van de prothese om iedere reden bedroeg 44 na gemiddeld 10,2 jaar,2 bij een groep patiënten onder de 40 jaar 71 na gemiddeld 10,3 jaar,14 83 na gemiddeld 11 jaar15 en 66 na gemiddeld 11,2 jaar.16 De studie met de langste follow-up naar ongecementeerde totaleheupprothesen bij patiënten jonger dan 50 jaar liet na 15 jaar een overleving zien van 60.17

Het Zweedse heupregister rapporteert ook de overleving van ongecementeerde heupprothesen 13 jaar na plaatsing, met als onderzoeksuitkomst revisie (www.jru.orthop.gu.se). Voor mannen onder de 50 jaar is in Zweden de revisievrije overleving voor een ongecementeerde heupprothese 67 (95-BI: 58-76). De resultaten voor vrouwen onder de 50 jaar zijn voor een ongecementeerde prothese 61 (95-BI: 54-69).

De resurfacing heupprothese

Er zijn geen artikelen over onderzoek naar de levensduur van resurfacing heupprothesen bij jonge patiënten gevonden met een observatieduur van minimaal 10 jaar. Het grootste onderzoek naar dit type prothese bij jonge patiënten heeft slechts een gemiddelde follow-up van minder dan 4 jaar, waarbij patiënten tot 55 jaar werden geïncludeerd.18 De studie met de langste follow-up die beschikbaar is in de literatuur van het huidige type resurfacing prothesen, waarbij ook oudere patiënten waren geïncludeerd, laat een overleving na 7 jaar zien van 79.19

In de Noorse en Zweedse implantaatregisters worden geen langetermijnresultaten beschreven van resurfacing prothesen bij jonge patiënten. Dus, hoewel de kortetermijndata van de huidige generatie resurfacing prothesen goed zijn, blijven er toch grote onzekerheden.18

conclusie

Er zijn ons geen gerandomiseerde klinische studies bekend die de overleving van de verschillende typen heupprothesen bij patiënten jonger dan 50 jaar in kaart brengen. Wel zijn er studies gepubliceerd over gecementeerde heupprothesen, waarvan 10 jaar na plaatsing meer dan 90 nog in situ was.

Uit het Zweedse heupregister blijkt dat de overleving van gecementeerde heupprothesen gunstiger is dan die van ongecementeerde. Criticasters van het Zweedse register noemen als nadeel dat deze overlevingscurven zijn gebaseerd op de samengevoegde data van alle typen ongecementeerde heupprothesen, waardoor het gunstige resultaat van het ene ongecementeerde implantaat kan worden verdoezeld door een slechtere overleving van het andere.

Het Noorse implantaatregister publiceert ook de overleving per type totaleheupprothese bij patiënten jonger dan 55 jaar en ook hieruit blijkt dat per 2003 de ongecementeerde heupprothesen 10 jaar na plaatsing een minder gunstige overleving hebben dan de gecementeerde bij jongere patiënten (www.haukeland.no/nrl).

Deze gegevens vormen geen ondersteuning van de huidige trend om bij jonge patiënten een ongecementeerde of een resurfacing prothese te plaatsen en niet een gecementeerde. Het grote probleem bij de meeste studies met ongecementeerde heupprothesen is dat de ongecementeerde acetabulumcomponenten tot op heden minder goede resultaten geven dan gecementeerde, waarbij de overmatige slijtage van polyethyleen bij ongecementeerde kommen een groot probleem is. Om dit probleem op te lossen zijn recent andere articulerende materialen geïntroduceerd. Veel wordt verwacht van metaal-op-metaaloppervlakken en keramische oppervlakken. Hoewel de vooruitzichten theoretisch gunstig zijn, moeten de data na 10 jaar follow-up worden afgewacht. Er zijn van de resurfacing artroplastieken alleen maar kortetermijnresultaten bekend, die overigens goed zijn.18 Echter, ook hiervan moeten de data na 10 jaar worden afgewacht.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Charnley J. Arthroplasty of the hip. A new operation. Lancet. 1961;1(7187):1129-32.

  2. McLaughlin JR, Lee KR. Total hip arthroplasty in young patients. 8- to 13-year results using an uncemented stem. Clin Orthop Relat Res. 2000;(373):153-63.

  3. Wagner H. Surface replacement arthroplasty of the hip. Clin Orthop Relat Res. 1978;(134):102-30.

  4. MacDonald SJ. Metal-on-metal total hip arthroplasty: the concerns. Clin Orthop Relat Res. 2004;(429):86-93

  5. National Institute for Clinical Excellence (NICE). Guidance on the selection of prostheses for primary total hip replacement. Londen: NICE; 2003.

  6. Boeree NR, Bannister GC. Cemented total hip arthroplasty in patients younger than 50 years of age. Ten- to 18-year results. Clin Orthop Relat Res. 1993;(287):153-9.

  7. Joshi AB, Porter ML, Trail IA, Hunt LP, Murphy JC, Hardinge K. Long-term results of Charnley low-friction arthroplasty in young patients. J Bone Joint Surg Br. 1993;75:616-23.

  8. Emery DF, Clarke HJ, Grover ML. Stanmore total hip replacement in younger patients: review of a group of patients under 50 years of age at operation. J Bone Joint Surg Br. 1997;79:240-6.

  9. Devitt A, O’Sullivan T, Quinlan W. 16- to 25-year follow-up study of cemented arthroplasty of the hip in patients aged 50 years or younger. J Arthroplasty. 1997;12:479-89.

  10. Sochart DH, Porter ML. The long-term results of Charnley low-friction arthroplasty in young patients who have congenital dislocation, degenerative osteoarthrosis, or rheumatoid arthritis. J Bone Joint Surg Am. 1997;79:1599-617.

  11. Sochart DH, Porter ML. Long-term results of total hip replacement in young patients who had ankylosing spondylitis. Eighteen to thirty-year results with survivorship analysis. J Bone Joint Surg Am. 1997;79:1181-9.

  12. Kobayashi S, Eftekhar NS, Terayama K, Joshi RP. Comparative study of total hip arthroplasty between younger and older patients. Clin Orthop Relat Res. 1997;(339):140-51.

  13. Keener JD, Callaghan JJ, Goetz DD, Pederson DR, Sullivan PM, Johnston RC. Twenty-five-year results after Charnley total hip arthroplasty in patients less than fifty years old: a concise follow-up of a previous report. J Bone Joint Surg Am. 2003;85:1066-72.

  14. Duffy GP, Berry DJ, Rowland C, Cabanela ME. Primary uncemented total hip arthroplasty in patients < 40 years old: 10- to 14-year results using first-generation proximally porous-coated implants. J Arthroplasty. 2001;16(8 Suppl 1):140-4.

  15. Crowther JD, Lachiewicz PF. Survival and polyethylene wear of porous-coated acetabular components in patients less than fifty years old: results at nine to fourteen years. J Bone Joint Surg Am. 2002;84:729-35.

  16. Capello WN, d’Antonio JA, Feinberg JA, Manley MT. Ten-year results with hydroxyapatite-coated total hip femoral components in patients less than fifty years old. A concise follow-up of a previous report. J Bone Joint Surg Am. 2003;85:885-9.

  17. McAuley JP, Szuszczewicz ES, Young A, Engh sr CA. Total hip arthroplasty in patients 50 years and younger. Clin Orthop Relat Res. 2004;(418):119-25.

  18. Daniel J, Pynsent PB, McMinn DJ. Metal-on-metal resurfacing of the hip in patients under the age of 55 years with osteoarthritis. J Bone Joint Surg Br. 2004;86:177-84.

  19. Beaule PE, le Duff M, Campbell P, Dorey FJ, Park SH, Amstutz HC. Metal-on-metal surface arthroplasty with a cemented femoral component: a 7-10 year follow-up study. J Arthroplasty. 2004;19(8 Suppl 3):17-22.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Orthopedie, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen.

Hr.dr.B.W.Schreurs en hr.prof.dr.R.P.H.Veth, orthopedisch chirurgen; hr.V.J.J.F.Busch, arts in opleiding tot chirurg.

Contact hr.dr.B.W.Schreurs (b.schreurs@orthop.umcn.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties