Cohortonderzoek opleidingsduur geneeskundig specialisten

Jongere specialisten en langere wachttijd

Onderzoek
Jan Pols
Viktor A. Venhorst
Claudia Brunori
A. Debbie C. Jaarsma
Robbert J. Duvivier
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2021;165:D5388
Abstract

Samenvatting

Doel

Beschrijven van trends en ontwikkelingen in de totale opleidingsduur van geneeskundig specialisten in Nederland en hun leeftijden bij afronding van het gehele opleidingstraject en de onderdelen daarvan: studie geneeskunde, wachttijd en vervolgopleidingen.

Opzet

Cohortonderzoek bij populaties.

Methode

Uit gecombineerde data over de periode 1987-2018 van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten werden de relevante populaties geselecteerd en opleidingstrajecten in kaart gebracht. De populatieomvang bedroeg 40.604 individuen voor de studie geneeskunde, 41.885 voor de duur van de vervolgopleidingen, 31.915 voor de wachttijden en 21.666 voor de totale opleidingsduur van de start van de studie geneeskunde tot de registratie als specialist.

Resultaten

De mediane duur van de studie geneeskunde (7,1 jaar) was langer dan de nominale duur en bleef onveranderd gedurende de waarnemingsperiode. De gemiddelde wachttijd tussen de studie geneeskunde en de vervolgopleiding steeg sinds 2010 tot 3,7 jaar in 2018. De gemiddelde duur van de vervolgopleidingen loopt op. De gemiddelde leeftijd bij afstuderen is gedaald met 1,7 jaar naar 26,1. De gemiddelde leeftijd bij aanvang van de vervolgopleiding en bij registratie daalt.

Conclusie

De totale opleidingsduur van geneeskundig specialisten is stabiel. Veranderingen zoals ‘dedicated schakeljaar’ en flexibilisering van de vervolgopleidingen hebben geen waarneembare invloed gehad op de totale opleidingsduur. Doordat de leeftijd bij aanvang van de vervolgopleiding is afgenomen, zijn geneeskundig specialisten gemiddeld jonger bij registratie dan voorheen.

Auteursinformatie

Rijksuniversiteit Groningen, Groningen. UMCG, Center for Educational Development and Research in Health Sciences (CEDAR): dr. J. Pols, arts niet-praktiserend, senior onderzoeker; prof.dr. A.D.C. Jaarsma, dierenarts; dr. R.J. Duvivier, aios psychiatrie, senior onderzoeker (tevens: Parnassia Groep, Den Haag); faculteit Ruimtelijke Wetenschappen: dr. V.A. Venhorst, econoom en demograaf; C. Brunori, MSc, econoom.

Contact J. Pols (j.pols@umcg.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Jan Pols ICMJE-formulier
Viktor A. Venhorst ICMJE-formulier
Claudia Brunori ICMJE-formulier
A. Debbie C. Jaarsma ICMJE-formulier
Robbert J. Duvivier ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Ron
Diercks

Het artikel van Jan Pols ea over de totale duur van de opleiding tot arts en medisch specialist levert zeer interessante gegevens op. Hoewel de perceptie anders is, - er zijn namelijk veel klagenden over de interim periode tussen afstuderen en het begin van de specialisatie - meten zij desalniettemin een verjonging van de beginleeftijd bij de aanvang van de opleiding. Hier kan echter sprake zijn van een informatiebias. Het helpt soms de gegevens in een bredere context te beoordelen. Ik studeerde af in 1978, ben geregistreerd als specialist in 1986, en sindsdien werkzaam in opleidingsklinieken en als opleider.  Het beginjaar van de metingen in het artikel was 1997. In de jaren daaraan voorafgaand hebben een aantal zaken plaatsgevonden, die de interpretatie van de cijfers doet veranderen. Ten eerste: in 1986 was er een groot aantal aan werkloze jonge klare specialisten. Daar is op gereageerd door een verlaging van de opleidingscapaciteit met in sommige specialismen wel 50%. Ten tweede werd begin jaren 90 de militaire dienstplicht afgeschaft, waardoor in ieder geval voor de helft van de mannelijke artsen hun beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt - lees de aanvang van hun specialisatie - jonger werd. Dat betekent dat er in 1997 geen "normale" situatie was, maar er al een groot stuwmeer bestond van artsen, die in de 10 jaar daarvoor alleen als ANIOS aan de slag konden, en die, toen zij uiteindelijk konden beginnen met hun opleiding, de gemiddelde beginleeftijd behoorlijk hebben verhoogd. De door de auteurs gerapporteerde daling van de beginleeftijd in de jaren daarna kan dus het gevolg hiervan zijn. Wat ik kan concluderen is dat er blijkbaar na 35 jaar nog steeds sprake is van een oververzadigde arbeidsmarkt. De effectiviteit van centrale sturing, zoals van het Capaciteitsorgaan, mag daarom wel eens tegen het licht worden gehouden.

Ron Diercks,  emeritus hoogleraar klinische sportgeneeskunde, UMC Groningen

Jan
Pols

Als antwoord op door r.l.diercks@umcg.nl

Hartelijk dank aan collega Diercks voor de moeite die hij nam om op ons artikel te reageren. We vinden dat de mogelijke interpretatie van de resultaten van ons onderzoek verrijkt worden door zijn kennis en het feit dat hij de situatie rond het begin van onze metingen uit eigen ervaring kent.

Zijn reactie gaat over figuur drie uit het artikel waarin we kijken naar de leeftijd bij de start van de vervolgopleiding voor cohorten artsen die zich als specialist registreren. In 1997 kijken we dus voor de zesjarige opleidingen naar de leeftijd van artsen die daaraan in 1991 zijn begonnen (de verblijfsduur in een vervolgopleiding is in die tijd gelijk aan de nominale opleidingsduur).

Diercks de betoogt dat er in 1997 vanwege een reductie van het aantal opleidingsplaatsen rond 1986 en de afschaffing van de opkomstplicht voor de militaire dienst begin jaren negentig: “al een groot stuwmeer bestond van artsen, die in de 10 jaar daarvoor alleen als ANIOS aan de slag konden, en die, toen zij uiteindelijk konden beginnen met hun opleiding, de gemiddelde beginleeftijd behoorlijk hebben verhoogd.” De artsen die in 1997 met een vervolgopleiding beginnen, zouden daardoor gemiddeld wat ouder kunnen zijn, iets wat wij in onze metingen dan terug moeten zien vanaf 2003.
Wat wij waarnemen, is een min of meer stabiele aanvangsleeftijd in de periode 1997-2004 en vanaf dat moment een daling van de startleeftijd tot ongeveer 2012. Dat kan inderdaad passen bij de verklaring van Diercks, als het aandeel oudere sollicitanten voor aios-plekken na 2004 daalde, maar daarover hebben we geen gegevens. Randvoorwaarden voor de geldigheid van de verklaring van Diercks zijn natuurlijk wel dat de leeftijd van artsen er (1) voor hun wens om aan een vervolgopleiding te beginnen niet toe doet en (2) bij de selectieprocedure voor vervolgopleidingen niet toe doet. Onze indruk is dat de kans dat men naar een opleidingsplek solliciteert, afneemt naarmate de wachttijd vordert (en men ouder wordt) en in ons artikel suggereren we dat opleiders een voorkeur voor jongere sollicitanten hebben. Maar over beide aspecten hebben we eveneens geen gegevens.

Wat we wel weten, is dat sinds 2012 de wachttijd tussen studie geneeskunde en de start van een vervolgopleiding toenam (figuur 1 in het artikel). De redenering van Diercks volgend zal dat weer leiden tot een stijging van de gemiddelde leeftijd van de sollicitanten voor een opleidingsplek. Voor de zesjarige opleidingen zie je dat bij onze manier van waarnemen (terugkijkend vanuit de registratiecohorten) dan pas vanaf 2018 en later. Die jaren zitten nog niet in onze waarneming, maar het is de moeite waard de hypothese van Diercks over een aantal jaren te toetsen en beide randvoorwaarden daarbij mee te nemen.

Namens de auteurs,

Jan Pols, senior onderzoeker, Rijksuniversiteit Groningen