Resultaten van de effectiviteit na 3 jaar proefimplementatie

Jaarlijkse systematische chlamydiascreening*

Onderzoek
Ingrid V.F. van den Broek
Jan E.A.M. van Bergen
Johan S.A. Fennema
Hannelore M. Götz
Christian J.P.A. Hoebe
Marianne A.B. van der Sande
Eline L.M. Op de Coul
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5503
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Het evalueren van de effectiviteit van systematische, jaarlijkse chlamydiascreening.

Opzet

Clustergecontroleerde trial met een gerandomiseerde, gefaseerde invoering (‘stepped wedge’-design) in 3 regio’s in Nederland, te weten Amsterdam, Rotterdam en Parkstad Limburg, gelegen in Zuid-Limburg (NTR 3071).

Methode

In de periode maart 2008-januari 2011 werd jaarlijks een uitnodigingsbrief voor chlamydiascreening gestuurd naar alle jongeren in de leeftijd van 16-29 jaar die ingeschreven stonden in het bevolkingsregister van de deelnemende gemeenten (n = 317.304; bij aanvang van de studie). In de brief werd gevraagd om via internet een testpakket te bestellen om zelf materiaal af te nemen voor onderzoek naar de aanwezigheid van een chlamydia-infectie en dat vervolgens in te sturen naar een deelnemend laboratorium voor analyse. Communicatie met de deelnemers verliep via internet, e-mail en sms. Behandeling van een chlamydia-infectie vond plaats bij de huisarts of bij de soa-polikliniek van de GGD. De belangrijkste uitkomstmaten waren de participatiegraad, het percentage positieve chlamydiatesten en (trends in) de geschatte prevalentie van chlamydia-infecties.

Resultaat

In de interventiegroep was de participatiegraad van de chlamydiascreening 16,1% na de 1e jaarlijkse uitnodiging, 10,8% na de 2e en 9,5% na de 3e uitnodiging, vergeleken met 13,0% in de controlegroep die aan het einde van de 2e screeningsronde werd uitgenodigd. Bij de 1e uitnodiging was het percentage personen met een positieve chlamydiatest hetzelfde in de interventiegebieden als in de controlegebieden (4,3%). Bij de 3e uitnodiging in de interventiegroep bleef dit percentage vergelijkbaar (4,1%). Het percentage personen met een positieve chlamydiatest daalde niet significant per regio of sociaaldemografische subgroep. Alleen bij personen die consequent aan 3 screeningsronden deelnamen (2,8% van alle uitgenodigden) daalde het percentage positieve testen significant van 5,9 naar 2,9% (oddsratio: 0,49; 95%-BI: 0,47-0,50).

Conclusie

Er kon geen significant effect van 3 jaar systematische chlamydiascreening worden aangetoond op het percentage personen met een positieve chlamydiatest bij de gevonden, lage participatiegraad. Op dit moment is er onvoldoende bewijskracht om deze chlamydiascreening landelijk in te voeren.

Inleiding

Chlamydiascreening is een strategie om de toename van het aantal infecties met Chlamydia trachomatis, de meest voorkomende bacteriële soa, tegen te gaan.1-3 Door vroege opsporing en behandeling van – veelal asymptomatische – chlamydia-infecties in de populatie zal de kans op transmissie van nieuwe infecties afnemen en het risico op complicaties, zoals salpingitis (eileiderontsteking), ‘pelvic inflammatory disease’ (PID), tubagerelateerde infertiliteit en buitenbaarmoederlijke zwangerschap, dalen.4 Eerder lieten 3 buitenlandse RCT’s zien dat een eenmalig aanbod van chlamydiascreening het risico op PID doet afnemen.5-7 In de recentste studie, met de minste bias, was het effect het kleinst (relatief risico: 0,65).7

Er is onvoldoende bewijs dat herhaalde chlamydiascreening effect heeft op de prevalentie van chlamydia-infecties.8 Toch wordt opportunistische screening breed toegepast.9 Eerder pilot-onderzoeken in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk suggereren dat systematische screening de meest aangewezen strategie is.10,11 Voordat een landelijk screeningsprogramma naar chlamydia-infecties in Nederland kan worden gestart, dient bewijs van de haalbaarheid, effectiviteit en kosteneffectiviteit in de praktijk te zijn vastgesteld. Met dit doel, en om een begin te maken met actieve opsporing van chlamydia-infecties onder seksueel actieve jongeren, werd een projectmatige chlamydiascreening geïmplementeerd, het zogenoemde ‘CSI-project’ (NTR 3071).

Patiënten en methode

Studieopzet en doelgroep

Zowel de opzet van het CSI-project, dat als een clustergecontroleerde trial werd uitgevoerd in 3 regio’s, als de resultaten ervan zijn elders uitvoeriger beschreven.12-18 De studiepopulatie omvatte alle mannen en vrouwen van 16-29 jaar die ingeschreven stonden in de deelnemende gemeenten in de periode maart 2008-januari 2011 (n = 317.304). De 3 deelnemende regio’s, zijnde Amsterdam, Rotterdam en Parkstad Limburg, gelegen in Zuid-Limburg, werden ingedeeld in clusters (wijken). In Amsterdam werden 82 clusters gevormd met elk circa 2000 personen, in Rotterdam telden 62 clusters elk ook circa 2000 personen en in de regio Parkstad Limburg omvatte elk van de 46 clusters 1000 personen. De medisch-ethische toetsingscommissie (METC) van het VUmc in Amsterdam verleende toestemming voor het onderzoek (ID 2007/239).

Interventie

De interventie bestond uit een jaarlijkse, persoonlijke uitnodigingsbrief om gescreend te worden op een chlamydia-infectie. De brief verwees naar een website waar met een persoonlijke inlogcode een testpakket voor onderzoek naar een chlamydia-infectie kon worden aangevraagd; bij mannen was dit een urinetest, vrouwen moesten een vaginaal uitstrijkje afnemen. Daarna dienden zij het pakketje met afgenomen materiaal op te sturen. Na analyse van het afgenomen materiaal in een regionaal laboratorium kon de deelnemer de uitslag en eventueel een verwijsbrief voor diegene met een positieve testuitslag online bekijken. Herinneringsbrieven, mails en sms-berichten werden verstuurd naar personen die niet reageerden op de uitnodigingsbrief, naar deelnemers die hun test niet terugstuurden of naar diegene die de testuitslag niet bekeken. Behandeling van deelnemers met een chlamydia-infectie en het waarschuwen van een eventuele partner verliep via de huisarts of de soa-polikliniek van de plaatselijke GGD. Personen met een positieve testuitslag kregen na 6 maanden opnieuw een testpakket thuisgestuurd om zich nogmaals te testen.

In de uitnodigingsbrief werden in Amsterdam en Rotterdam alle jongeren met seksuele ervaring gevraagd mee te doen; in Zuid-Limburg werden deelnemers ook nog geselecteerd aan de hand van een risicoscore. Deze risicoscore werd berekend met behulp van een vragenlijst die zij moesten invullen op het moment dat zij inlogden op website van de GGD.18,19 Deelnemers in de controlegroep konden, zoals altijd, op eigen initiatief naar de huisarts of soa-polikliniek van de plaatselijke GGD. Aan het einde van de 2e screeningsronde van de deelnemers in de interventiegroep ontvingen deelnemers in de controlegroep een eenmalige uitnodigingsbrief voor chlamydiascreening.

Clusters en gerandomiseerde gefaseerde implementatie

Randomisatie werd op het niveau van de clusters gedaan, zodat alle jongeren binnen 1 cluster tegelijkertijd werden uitgenodigd om daarmee zo veel mogelijk infecties en herinfecties te voorkomen bij partners, aangezien zij vaak dichtbij elkaar wonen.20 Tevens werden op deze manier onnodige vragen voorkomen, zoals ‘Waarom ik wel en mijn buurmeisje niet?’. De interventie werd uitgezet in een ‘stepped wedge’-design,21 een stapsgewijze implementatie waardoor gegroepeerde clusters op verschillende momenten van de interventie met elkaar vergeleken kunnen worden. In de steden Amsterdam en Rotterdam waren de clusters in de controlegroep kleiner dan in de regio Parkstad Limburg, te weten respectievelijk een zesde versus een derde van de populatie, opdat een maximale statistische power werd behouden.

De indeling van de clusters in de interventie- en de controlegroep was zodanig dat de clusters per regio vergelijkbare percentages jongeren uit hoog-, gemiddeld- en laagrisicowijken hadden.14 De indeling van risicowijken was gebaseerd op demografische factoren die gerelateerd zijn aan het oplopen van een chlamydia-infectie, zoals het aandeel van 16-29-jarigen in de wijk, het aantal Surinaamse en Antilliaanse bewoners, en het aantal inwoners met een laag inkomen. In de regio Parkstad Limburg werd ook de urbanisatiegraad als risicofactor meegewogen.12 Er werd gerandomiseerd voor de volgorde waarin de clusters een uitnodigingsbrief ontvingen. Als een cluster aan de beurt was, werden de adressen van de 16-29-jarigen uit de gemeenteregistratie gehaald en werden dagelijks 600 uitnodigingsbrieven per regio verstuurd totdat elke deelnemer in het betreffende cluster een brief had ontvangen.

Steekproefgrootte

De grootte van de clusters werd bepaald door het aantal 16-29-jarigen. De verdeling van deelnemers tussen interventie- en controlegroep werd vooraf berekend door computersimulaties van het te verwachten aantal personen met een positieve testuitslag vóór en na screening.16 Hierbij werd op grond van eerdere pilotstudies aangenomen dat 30% van de 16-29-jarigen zou participeren en dat 3% een positieve testuitslag zou hebben.12 Voor aanvang van het onderzoek werd berekend dat de studie voldoende power had om een absolute afname van 1% aan positieve testuitslagen te detecteren, mits de participatiegraad in Amsterdam en Rotterdam 10% was en 25% in de regio Parkstad Limburg. Na de 1e screeningsronde werden deze berekeningen herzien tot een te verwachten afname van 0,5% in Amsterdam, 0,8% in Rotterdam en 1,2% in Parkstad Limburg.

Uitkomstmaten en statistisch analyse

De evaluatie van de effectiviteit van de chlamydiascreening werd gebaseerd op het aantal personen met een positieve testuitslag, de participatiegraad en de geschatte prevalentie van chlamydia-infecties in de 3 deelnemende regio’s. Het absolute verschil en de oddsratio’s (OR’s) in het aantal positieve testuitslagen werden berekend tussen de interventie- en controlegroep en tussen de 1e en 3e jaarlijkse screeningsronde. Participatiegraad en het aantal positieve testuitslagen werden ook vergeleken per regio en naar leeftijd, geslacht, etnische groep en sociaaleconomische status.

De prevalentie van chlamydia-infecties werd geschat voor de hele doelgroep door extrapolatie van het aantal positieve testuitslagen onder deelnemers middels weging. Weegfactoren werden gebaseerd op de verdeling van geslacht, leeftijd, etniciteit en wijkrisico onder alle genodigden en onder de daadwerkelijke deelnemers. Schattingen werden aangepast voor het percentage jongeren met seksuele ervaring per jaargroep,22 aangenomen dat personen zonder seksuele ervaring niet geïnfecteerd waren.

SPSS versie 18 (SPSS Inc., Chicago, IL, VS) en SAS versie 9.2 (SAS Institute Inc., Cary, NC, VS) werden gebruikt voor statistische analyses.

Resultaten

Populatie

In de periode maart 2008-januari 2011 werden in totaal 834.971 uitnodigingen verstuurd naar 412.820 personen in de leeftijd van 16-29 jaar in de 3 deelnemende regio’s (tabel 1) (figuur). Uiteindelijk werden 102.283 testmonsters ingestuurd door 79.173 personen en werden er 4.252 chlamydia-infecties gevonden. Ten tijde van de analyses waren 2.661 van de deelnemers met een chlamydia-infectie opnieuw getest na 6 maanden.

Figuur 1
Figuur 2

Participatie

Na de 1e jaarlijkse uitnodiging stuurde 16,1% van de genodigden in de interventiegroep een testmonster in; 10,8% deed dit na de 2e uitnodiging en 9,5% na de 3e uitnodiging. De participatiegraad in de controlegroep was 13,0%. De regio’s vertoonden vergelijkbare trends in participatie per ronde (tabel 2); in Zuid-Limburg was de participatiegraad lager door de selectie van deelnemers. De dalende trend was consistent in alle demografische subgroepen.

Figuur 3

Vrouwen deden vaker mee dan mannen (OR: 2,34; 95%-BI: 2,31-2,38), 25-plussers meer dan tieners (OR: 1,89; 95%-BI: 1,85-1,92) en Nederlanders vaker dan allochtonen (OR: 1,90; 95%-BI: 1,87-1,92). Een laag wijkrisico (OR: 1,57; 95%-BI: 1,54-1,61) en een hoge sociaaleconomische status (OR: 1,28; 95%-BI: 1,24-1,33) waren ook geassocieerd met een hogere participatiegraad.

Percentage positieve chlamydiatesten

Bij de 1e uitnodiging had 4,3% van de deelnemers in de interventiegroep een positieve testuitslag; bij de 2e uitnodigingsronde in het daaropvolgende jaar was dit 4,0% en bij de 3e ronde 4,1% (tabel 3). Het percentage positieve testuitslagen in de controlegroep (4,3%) was hetzelfde als bij de 1e uitnodigingsronde in de interventiegroep. De participatiegraad in de interventiegroep bij de 3e uitnodiging (4,1%) was 0,2% lager dan de participatiegraad in de controlegroep (4,3%) (OR: 0,96; 95%-BI: 0,83-1,10). Het verschil in het percentage positieve testuitslagen tussen de interventie- en de controlegroep was 0,05% in Amsterdam, -0,27% in Rotterdam en -1,02% in Zuid-Limburg (zie tabel 3).

Figuur 4

Vrouwen testten vaker positief dan mannen (4,2 vs. 3,8%; OR: 1,12; 95%-BI: 1,04-1,21). Het percentage positieve uitslagen was hoger onder deelnemers

Het percentage deelnemers met een positieve testuitslag was hoger in clusters met een hoog wijkrisico vergeleken met die met een laag wijkrisico (6,7 vs. 3,0%; OR: 2,30; 95%-BI: 2,10-2,52). Ook deelnemers met een lage sociaaleconomische status hadden een hoger risico op een positieve uitslag dan deelnemers met een hoge sociaaleconomische status (4,6 vs. 2,4%; OR: 1,91; 95%-BI: 1,54-2,37), net als allochtone deelnemers vergeleken met autochtone deelnemers (5,6 vs. 3,4%; OR: 1,63; 95%-BI: 1,53-1,74). De daling van het percentage positieve testuitslagen tussen de 1e en de 3e screeningsronde was iets hoger in hoogrisicowijken vergeleken met laagrisicowijken (-0,3 vs. 0,0%), onder deelnemers uit gebieden met een lage vergeleken met een hoge sociaaleconomische status (-0,8 vs. -0,1%) en onder allochtone deelnemers vergeleken autochtone participanten (-0,5 vs. -0,1%).

Herhaalde deelname

Personen die hadden meegedaan in een eerdere uitnodigingsronde deden vaker opnieuw mee: 28-30% van de deelnemers reageerde opnieuw op een volgende uitnodiging, en van wie 2 maal eerder had meegedaan deed 51% van de deelnemers dat opnieuw bij een 3e uitnodiging. Slechts 5% van de personen die eerder niet deelnamen aan een screeningsronde, reageerde wel op een volgende uitnodiging.

In de groep die 3 uitnodigingen ontving (n = 162.096), werd 25% 1 of meerdere keren getest, 8,3% werd 2 keer getest en 2,8% 3 keer. In de groep die 3 keer was getest, daalde het percentage positieve testuitslagen opvallend van 5,9% bij de 1e uitnodiging naar 2,9% bij de 3e uitnodiging (OR: 0,49; 95%-BI: 0,47-0,50). Bij een herhaling van de zelftest bij personen met een chlamydia-infectie na 6 maanden deed 65% opnieuw mee en testte 9% weer positief.19

Schatting van de populatieprevalentie

De populatieprevalentie van personen met een chlamydia-infectie was lager dan het aandeel positieve chlamydiatesten onder deelnemers aan het CSI-project: 2,6% in Amsterdam, 3,7% in Rotterdam en 3,2% in de regio Parkstad Limburg bij de 1e uitnodigingsronde (zie tabel 3). De prevalentie in de 3e uitnodigingsronde was lager dan die in de controlegroep in Amsterdam (2,5 vs. 3,0%) en in de regio Parkstad Limburg (1,8 vs. 2,5%), maar niet in Rotterdam (beide 3,9%). De prevalentie was hoger onder mannen dan vrouwen; de daling was het sterkst voor vrouwen > 20 jaar.

Beschouwing

Belangrijkste bevindingen

De participatiegraad in deze grootschalige chlamydiascreening was laag en daalde over de 3 uitnodigingsronden. Het percentage deelnemers dat positief testte op chlamydia in de interventiegroep na 3 uitnodigingsronden verschilde niet van die in de controlegroep waarvan de deelnemers maar 1 keer uitgenodigd werden. In de regio Parkstad Limburg, waar deelnemers werden geselecteerd op basis van een risicoscore, bereikte de daling van het percentage positieve testuitslagen wel de vooraf berekende verwachting, maar dat verschil was niet statistisch significant door de lage participatiegraad. Er zijn dus geen aanwijzingen dat de prevalentie van chlamydia-infecties onder jongeren in de leeftijd van 16-29 jaar significant daalt door systematisch en herhaaldelijk chlamydiascreening aan te bieden.

Het screeningsprogramma had als doel om meer jongeren te motiveren om zich, naast het reguliere zorgaanbod bij de huisarts en de aanvullende mogelijkheden bij de soa-polikliniek van de GGD, te laten testen op een chlamydia-infectie. Het uiteindelijke doel was de prevalentie van chlamydia-infecties omlaag te brengen. De opzet met persoonlijke uitnodigingsbrieven, eenvoudige online procedures, testpakketten om thuis materiaal af te nemen, en het versturen van herinneringen per sms en e-mail bleek goed uitvoerbaar en acceptabel, maar dit alles slaagde er niet in om voldoende deelnemers te screenen om de kans op transmissie van chlamydia in de doelgroep te verlagen. Dat screening wel effectief kan zijn, werd zichtbaar in de groep deelnemers die 3 jaar achter elkaar meededen (2,8% van alle deelnemers): in deze groep daalde het percentage positieve testuitslagen van 6% bij de 1e test naar 3% bij de 3e jaarlijkse test.

Deze trial heeft als sterke punten dat 3e opeenvolgende, jaarlijkse screeningsronden werden geëvalueerd; het ‘stepped wedge’-design faciliteerde de vergelijking van de al gescreende clusters met niet eerder gescreende clusters tijdens het invoeren van de interventie. Het systematisch uitnodigen vanuit gemeenteregisters maakte het mogelijk te zien wie van de genodigden wel en niet meededen.

Een beperking van het onderzoek is dat onderlinge transmissie van chlamydia tussen deelnemers in de interventie- en de controlegroep of overdracht aan personen buiten deze groepen niet uitgesloten kon worden. Het gemeten effect van de interventie is daardoor waarschijnlijk kleiner. Het effect kan eveneens verminderd zijn door opportunistisch testen in de reguliere soa-zorg; naar schatting laat 10-12% van de Nederlandse jongeren zich jaarlijks op eigen initiatief testen.22

Door de lage participatiegraad kon de prevalentie van chlamydia-infecties onder jongeren niet goed worden geschat. De schatting is gebaseerd op extrapolatie van gegevens van een selecte groep, namelijk de deelnemers, en deze is bovendien alleen gebaseerd op demografische factoren en seksuele ervaring en dus niet op andere gedragsfactoren. We weten echter dat deelnemers vaker seksueel risicogedrag vertonen dan personen die niet deelnemen, vooral in de 2e en 3e screeningsronde.15,22,23 De populatieprevalentie ligt dus waarschijnlijk lager en deze daalt mogelijk sterker.

De lage en dalende participatiegraad was onverwacht. In Engeland is de deelname aan opportunistische chlamydiascreening juist geleidelijk gestegen tot 33% in 2011.24 Andere studies in Nederland en Engeland, die zich beperkten tot een eenmalige uitnodiging, hadden een hogere participatiegraad (30-41%),10,11 maar daar werd direct een testpakket opgestuurd, terwijl jongeren die deelnamen aan het CSI-project eerst online moesten inloggen en een pakket moesten aanvragen. In de 3 jaar dat het project werd uitgevoerd, liet maar 3% van de deelnemers zich elk jaar testen. Dit percentage is vergelijkbaar met eerdere bevindingen in Zweden en de VS, waar respectievelijk 1,1 en 0,1% van de deelnemers zich elk jaar liet testen.25,26

In een vervolgstudie, waarin de bevindingen van het CSI-project werden ingevoerd in een dynamisch netwerksimulatiemodel, schatten wij in dat de prevalentie van chlamydia-infecties met 20-30% zal dalen na 10 jaar systematische screening naast reguliere soa-zorg.27 Kosteneffectiviteitstudies geven echter aan dat dit effect te klein is om een acceptabele kosten-batenratio te bewerkstelligen.28

Conclusie

Dit onderzoek laat zien dat een gedegen toets vanuit de praktijk noodzakelijk is. Eerdere pilot- en modelleringsstudies suggereren dat een screeningsprogramma binnen enkele jaren een impact op de prevalentie van chlamydia-infecties zou kunnen hebben en een kosteneffectieve interventie zou zijn. De resultaten van deze trial weerspreken dit en ondersteunen daarmee de gedachte om een nationaal chlamydiascreeningsprogramma niet in te voeren.

Leerpunten

  • Systematische, jaarlijkse chlamydiascreening onder jongeren in 3 regio’s in Nederland had geen aanwijsbaar effect op het aantal positieve chlamydiatesten onder de deelnemers.

  • Het percentage jongeren in de leeftijd van 16-29 jaar dat deelnam aan het screeningsprogramma was lager dan verwacht op grond van eerdere, kortdurende pilotstudies en nam verder af in de opeenvolgende screeningsronden.

  • De resultaten van deze trial en van vervolgstudies naar de effectiviteit en de kosteneffectiviteit op lange termijn pleiten niet voor het invoeren van een landelijk, systematisch chlamydiascreeningsprogramma.

Literatuur
  1. Workowski KA, Berman S, Centers for Disease Control and Prevention (CDC). Sexually transmitted diseases guidelines, 2010. MMWR Recomm Rep. 2010;59:1-110 Medline.

  2. Health Protection Agency. National Chlamydia Screening Programme Core requirements, 5e ed, update 2; 2010. www.chlamydiascreening.nhs.uk/ps/resources/core-requirements/1_Core_Req…, geraadpleegd op 31 oktober 2012. link

  3. Screenen op chlamydia. Publicatienr 2004/07. Den Haag: Gezondheidsraad; 2004. link

  4. Westrom L. Effect of pelvic inflammatory disease on fertility. Venereology. 1995;8:219-22 Medline.

  5. Scholes D, Stergachis A, Heidrich FE, Andrilla H, Holmes KK, Stamm WE. Prevention of pelvic inflammatory disease by screening for cervical chlamydial infection. N Engl J Med. 1996;334:1362-6 Medline. doi:10.1056/NEJM199605233342103

  6. Østergaard L, Andersen B, Møller JK, Olesen F. Home sampling versus conventional swab sampling for screening of Chlamydia trachomatis in women: a cluster-randomized 1-year follow-up study. Clin Infect Dis. 2000;31:951-7 Medline. doi:10.1086/318139

  7. Oakeshott P, Kerry S, Aghaizu A, Atherton H, Hay S, Taylor-Robinson D, et al. Randomised controlled trial of screening for Chlamydia trachomatis to prevent pelvic inflammatory disease: the POPI (prevention of pelvic infection) trial. BMJ. 2010;340:c1642.

  8. Low N, Bender N, Nartey L, Shang A, Stephenson JM. Effectiveness of chlamydia screening: systematic review. Int J Epidemiol. 2009;38:435-48 Medline. doi:10.1093/ije/dyn222

  9. Low N, Cassell JA, Spencer B, Bender N, Martin Hilber A, van Bergen J, et al. Chlamydia control activities in Europe: cross-sectional survey. Eur J Public Health. 2011 (epub). link

  10. Low N, McCarthy A, Macleod J, Salisbury C, Campbell R, Roberts TE, et al. Epidemiological, social, diagnostic and economic evaluation of population screening for genital chlamydial infection. Health Technol Assess. 2007;11:iii-iv, ix-xii, 1-165 Medline.

  11. Van Bergen J, Götz HM, Richardus JH, Hoebe CJ, Broer J, Coenen AJ, et al. Prevalence of urogenital Chlamydia trachomatis increases significantly with level of urbanisation and suggests targeted screening approaches: results from the first national population based study in the Netherlands. Sex Transm Infect. 2005;81:17-23 Medline. doi:10.1136/sti.2004.010173

  12. Van Bergen JE, Fennema JS, van den Broek IV, Brouwers EE, de Feijter EM, Hoebe CJ, et al. Rationale, design, and results of the first screening round of a comprehensive, register-based, Chlamydia screening implementation programme in the Netherlands. BMC Infect Dis. 2010;10:293 Medline. doi:10.1186/1471-2334-10-293

  13. Van den Broek IV, Hoebe CJ, van Bergen JE, Brouwers EE, de Feijter EM, Fennema JS, et al. Evaluation design of a systematic, selective, internet-based, Chlamydia screening implementation in the Netherlands, 2008-2010: implications of first results for the analysis. BMC Infect Dis. 2010;10:89 Medline. doi:10.1186/1471-2334-10-89

  14. Op de Coul EL, Götz HM, van Bergen JE, Fennema JS, Hoebe CJ, Koekenbier RH, et al. Who participates in the Dutch Chlamydia Screening? A study on demographic and behavioural correlates of participation and positivity. Sex Transm Dis. 2012;39:97-103 Medline. doi:10.1097/OLQ.0b013e3182383097

  15. Dokkum NF, Koekenbier RH, van den Broek IV, van Bergen JE, Brouwers EE, Fennema JS, et al. Keeping participants on board: increasing uptake by automated respondent reminders in an Internet-based Chlamydia Screening in the Netherlands. BMC Public Health. 2012;12:176. Medline. doi:10.1186/1471-2458-12-176

  16. Greenland KE, Op de Coul EL, van Bergen JE, Brouwers EE, Fennema HJ, Götz HM, et al. Acceptability of the Internet-Based Chlamydia Screening Implementation in the Netherlands and Insights Into Nonresponse. Sex Transm Dis. 2011;38:467-74 Medline.

  17. Götz HM, van den Broek IV, Hoebe CJ, Brouwers EE, Pars LL, Fennema JS, et al. High yield of reinfections by home-based automatic rescreening of Chlamydia positives in a large-scale register-based screening programme and determinants of repeat infections. Sex Transm Infect. 2012 (epub) Medline. doi:10.1136/sextrans-2011-050455

  18. Van den Broek IV, Brouwers EE, Götz HM, van Bergen JE, Op de Coul EL, Fennema JS, et al. Systematic selection of screening participants by risk score in a chlamydia screening programme is feasible and effective. Sex Transm Infect. 2012;88:205-11 Medline. doi:10.1136/sextrans-2011-050219

  19. Götz HM, van Bergen JE, Veldhuijzen IK, Broer J, Hoebe CJ, Steyerberg EW, et al. A prediction rule for selective screening of Chlamydia trachomatis infection. Sex Transm Infect. 2005;81:24-30 Medline. doi:10.1136/sti.2004.010181

  20. Mercer CH, Copas AJ, Sonnenberg P, Johnson AM, McManus S, Erens B, et al. Who has sex with whom? Characteristics of heterosexual partnerships reported in a national probability survey and implications for STI risk. Int J Epidemiol. 2009;38:206-14 Medline. doi:10.1093/ije/dyn216

  21. Dekkers OM. Het ‘stepped wedge’-design. Methodologie van onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A4069. Medline NTvG

  22. Bakker F, de Graaf H, de Haas S, Kedde H, Kruijer H, Wijsen C. Seksuele gezondheid in Nederland 2009. Projectnummer EPI031. Utrecht: Rutgers Nisso Group; 2009. link

  23. Riha J, Mercer CH, Soldan K, French CE, Macintosh M. Who is being tested by the English National Chlamydia Screening Programme? A comparison with national probability survey data. Sex Transm Infect. 2011;87:306-11 Medline. doi:10.1136/sti.2010.047027

  24. Health Protection Agency. National Chlamydia Screening Programme. Chlamydia Connects. NCSP eNewsletter augustus 2011. www.chlamydiascreening.nhs.uk/ps/resources/newsletters/archive/NCSP_new…, geraadpleegd op 31 oktober 2011. link

  25. Low N, Egger M, Sterne JA, Harbord RM, Ibrahim F, Lindblom B, et al. Incidence of severe reproductive tract complications associated with diagnosed genital chlamydial infection: the Uppsala Women’s Cohort Study. Sex Transm Infect. 2006;82:212-8 Medline. doi:10.1136/sti.2005.017186

  26. Heijne JC, Tao G, Kent CK, Low N. Uptake of regular chlamydia testing by U.S. women: a longitudinal study. Am J Prev Med. 2010;39:243-50 Medline. doi:10.1016/j.amepre.2010.05.011

  27. Schmid BV, van den Broek IV, Op de Coul EL, van Bergen JE, Fennema JS, Götz HM, et al. Modelled impact of changing participation rates on effectiveness of population based Chlamydia screening. Sex Transm Infect 2011;87:A45-A46. [Mondelinge presentatie ISSTDR Conference, 10-13 Juli 2011, Quebec, Canada] doi:10.1136/sextrans-2011-050109.52

  28. Schmid B, Over E, van den Broek I, Op de Coul E, van Bergen J, CSI Group, et al. Chlamydia Screening Implementation in the Netherlands is not cost-effective. Sex Transm Infect 2011;87:A344. [Posterpresentatie ISSTDR Conference, 10-13 Juli 2011, Quebec, Canada] doi:10.1136/sextrans-2011-050108.601

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in British Medical Journal (2012;345:e4316) met als titel ‘Effectiveness of yearly, register based screening for chlamydia in the Netherlands: controlled trial with randomised stepped wedge implementation’. Afgedrukt met toestemming.

RIVM, Centrum Infectieziektebestrijding, Epidemiologie en Surveillance, Bilthoven.

Soa Aids Nederland, Amsterdam.

Prof.dr. J.E.A.M. van Bergen, huisarts-epidemioloog (tevens: AMC, afd. Huisartsgeneeskunde).

GGD Amsterdam, Cluster Infectieziekten Bestrijding, Amsterdam.

Dr. J.S.A. Fennema, arts-onderzoeker.

GGD Rotterdam-Rijnmond, afd. Soa en Seksualiteit, Rotterdam.

Dr. H.M. Götz, arts infectieziektebestrijding.

GGD Zuid Limburg, afd. Seksuele Gezondheid, Infectieziekten en Milieu, Geleen.

Prof.dr. C.J.P.A. Hoebe, arts infectieziekten (tevens: MUMC, afd. Infectieziektebestrijding).

Contact dr. I.V.F. van den Broek (ingrid.van.den.broek@rivm.nl)

Verantwoording

De volgende mensen droegen bij aan de totstandkoming van dit artikel: drs. E.E.H.G. Brouwers, projectmedewerker (GGD Zuid Limburg); drs. R.H. Koekenbier, onderzoeker infectieziekten (GGD Amsterdam); dr. M. Kretzschmar, hoofd afd. Surveillance (RIVM/CIb); dr. B.V. Schmid, mathematisch modelleur (RIVM/CIb); dr. E.A.B. Over, gezondheidseconoom (CGL, RIVM), drs. L.L. Pars, onderzoeker public health (Soa Aids Nederland); drs. S.M. van Ravesteijn, projectmedewerker, (GGD Rotterdam); dr. G.A. de Wit, gezondheidseconoom (CGL, RIVM), prof.dr. N. Low (Universiteit Bern, Zwitserland). Ir. G. Doornbos, M. Meijer en dr.ir. J. van de Kassteele voerden de statistische analyses uit en verzorgden het datamanagement (allen: Expertisecentrum voor Methoden en Informatie, RIVM). De CSI Adviescommissie bestond uit: dr. T. Bakkenist, prof.dr. P. Bindels, dr. P. van den Broek, drs. T. Coenen, dr. S. de Gouw, dr. B. Hoebee, prof.dr. J. Land, prof.dr. S. Morée, drs. R. van Riel en prof.dr. E. Steyerberg.
Belangenconflict en financiële ondersteuning: het onderzoek werd financieel ondersteund door ZonMw (projectnr. 12.400.001); het RIVM/CIb droeg bij aan de financiering van de evaluatie (zie www.ntvg.nl, zoeken op A5503; klik op ‘Belangenverstrengeling’).
Aanvaard op 16 oktober 2012

Auteur Belangenverstrengeling
Ingrid V.F. van den Broek ICMJE-formulier
Jan E.A.M. van Bergen ICMJE-formulier
Johan S.A. Fennema ICMJE-formulier
Hannelore M. Götz ICMJE-formulier
Christian J.P.A. Hoebe ICMJE-formulier
Marianne A.B. van der Sande ICMJE-formulier
Eline L.M. Op de Coul ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties