Interstitiële pneumonitis als bijwerking van rituximab
Open

Casuïstiek
31-07-2009
J.L. (Hans) Kemming, Roel E.P. van Zeeland, Eric F. Ullmann en E.J.M. (Vera) Mattijssen

Een 42-jarige man met grootcellig B-cel-non-hodgkinlymfoom wordt opgenomen na de 8e en laatste chemotherapiekuur, bestaande uit rituximab, cyclofosfamide, doxorubicine, vincristine en prednison (R-CHOP). Hij had hoge koorts, een niet-productieve hoest en dyspneu, en de thoraxfoto liet een interstitieel longbeeld zien. Bij uitgebreid microbiologisch onderzoek werden infecties, ook opportunistische, uitgesloten. Bij positronemissietomografie (PET) waren de eerdere lymfoomlokalisaties negatief, maar de PET-scan toonde wel een verhoogde opname van fluorodeoxyglucose in beide longen. De longfunctie was restrictief gestoord, met een verlaagde diffusiecapaciteit. Literatuuronderzoek wees uit dat het beeld paste bij een door rituximab geïnduceerde interstitiële pneumonitis. Behandeling met prednison 40 mg/dag resulteerde in een snel en compleet herstel. Artsen die rituximab toepassen, moeten zich goed bewust zijn van dit beeld, dat blijkens recente literatuur optreedt bij 9-14% van de patiënten, en waarbij het beloop kan variëren van mild tot fataal. Naast het staken van de rituximab is vaak behandeling met corticosteroïden aangewezen.